De achterzijde van het beursschandaal (003)

n het vorige Kleintje besteedden wij aandacht aan de met het beursschandaal verbonden Dresdner Bank en hoe een Nederlandse scharrelaar de boer opging met een onwelriekend aandelenpakket van die bank in het Midden-Oosten.In deze aflevering komen zijn Palestijnse werkgever en diens internationale avonturen aan bod,alsmede een drugs- annex zwart geld-affaire waarin opnieuw de Dresdner een rol heeft gespeeld.

Beiroet.
De in de vorige episode van dit epos geintroduceerde Guido Haak fungeerde in de jaren zeventig, begin jaren tachtig als Europees agent van een handelsfirma in Beiroet die onder leiding stond van de in 1933 in Haifa geboren Palestijn Hassan
Zubaidi. Het lag dus voor de hand, dat hij eventuele belangstellenden voor het bewuste aandelenpakket in de Arabische wereld zocht. Al dan niet met assistentie van zijn broodheer in Libanon. Zubaidi had in het circuit van de snelle dollar al een grote naam opgebouwd.In heel wat westerse landen stond hij op de opsporingslijst wegens grootschalige zwendelpraktijken. Maar er was meer. In diezelfde periode was hij namelijk toegetreden tot een combine waartoe ook Rifaat Assad, een broer van de Syrische president en de Syrische zakenman Manzur el-Khassar behoorden. Zij handelden in alles wat Allah verboden had: langs kronkelige routes verkregen sigaretten, verdachte chemische produkten, schroot,uranium, kostbare metalen, wapens en de in het westen zo geapprecieerde heroine en hash uit de door de Syriers praktisch geheel beheerste Bekaa-vallei.
Langs deze weg bouwde de Palestijns/Syrische combine een buitengewoon interessant netwerk van zakelijke konnekties op. Zo raakte zij verbonden met: - de Palestijnse terroristenleider Abou Abas; - de o.a. met de Amerikaanse vice-president Bush samenwerkende Saoedische zakenman Adnan Khashoggi en - de naar Zwitserland uitgeweken Amerikaanse zwendelaar-en gros Marc Rich. Volgens Britse en Amerikaanse bronnen werden Assad c.s. in de jaren tachtig aangepeild door een lid van de staf van president Reagans National Security Council: kolonel Oliver North. Deze haalde het Syrisch/Palestijnse trio over tot participatie aan het Iran/Contra-projekt. Zij kregen o.a. in ruil voor hun inzet bij het vrij krijgen van Amerikaanse gijzelaars en een omvangrijke wapenleverantie aan de Nicaraguaanse contra's de garantie, dat hun drugslijn via Frankfurt naar de VS door een speciale unit van de CIA zou worden be

schermd. Mocht deze lijn onverhoopt toch ontdekt worden dan zou het voor de buitenwacht gaan om een infiltratie-operatie van de Drugs Enforcement Agency (DEA). Om op die wijze het distributie-netwerk van de Syrisch/Palestijnse organisatie in de Verenigde Staten in een klap uit te roeien. Een IRT-variatie die noch in het rapport van de kommissie Van Traa noch in de ontboezemingen van Klaas Langendoen aan de orde is geweest, maar die misschien ooit nog eens de inhoud zal zijn van een doctoraal-scriptie: de rol van de geheime diensten bij de drugssmokkel via Nederland.
De profijtelijke Syrisch/Palestijnse drugslijn van Assad c.s. werd inderdaad in de tweede helft van 1988 blootgelegd in Libanon door een team van de Amerikaanse Militaire Inlichtingendienst o.l.v. majoor Charles McKee. De oekazes die de ma- joor over zijn bevindingen aan het hoofdkwartier van de CIA in Langley stuurde, vonden geen respons. Des devils besloot McKee zijn team uit Libanon terug te trekken. Op 21 december 1988 maakte de Pan Am-jumbo "Maid of the Seas" tijdens zijn vlucht vanuit het Midden-Oosten naar de VS een tussenlanding in Frankfurt. Kort daarna koos het toestel opnieuw het luchtruim en explodeerde een paar uur later boven het Schotse Lockerbie. McKee en zijn team behoorden tot de 259 slachtoffers.

Washington.
Zubaidi was ondertussen in een ondergronds gevecht gewikkeld geraakt met de Amerikaanse overheid. Voor zijn bijdrage aan de geheime Iran/Contra-aktiviteiten, die volgens zijn verklaring tegenover een Belgische rogatoire kommissie o.m. bestonden uit de leveranties van wapens en uranium aan Iran, had hij 3,5 miljard dollar ontvangen in de vorm van een aantal promesses aan toonder met verschillende vervaldata. Het bedrag vormde een onderdeel van een deposito van ruim tien miljard dollar bij de Canadese Nova Scotia Bank ten name van de Windsor Trust. Tekenbevoegdheid berustte bij ene Michael Graham. De rekening was geopend via de op Wallstreet door de handel in junkbonds berucht geworden financiële instelling Drexel,
Barnham, Lambert. In die tijd de voornaamste trait-d'union tussen het financiële hart van de wereld en de in november j.l. door de ING overgenomen Brusselse Banque Lambert. Verzilvering van de promesses bleek moeilijkheden op te leveren. President Reagan zou de rekening hebben laten blokkeren toen Zubaidi met het geld van de eerste vervallen promesse de PLO van wapens had voorzien. De Palestijn probeerde ver- volgens langs allerlei slinkse wegen de Amerikaanse waardepapieren toch te gelde te maken. O.a. met hulp van een paar hoge Indonesische regeringsfunctionarissen en de Belgische zakenman Gustave Keteleer (zie Kleintje nr. 317). Washington stak daar een stokje voor, door de promesses als falsificaties aan te merken. In feite betekende dat voor Zubaidi einde verhaal in deze zaak.
Ook het leven van zijn Nederlandse agent ging niet over rozen. Haak raakte o.m. betrokken bij een geruchtmakende internationale aandelen-zwendel via de Swissoil Corporation en het "rippen" van een kleine 10 miljoen dollar van het Britse Leger des Heils. Bij beide deals werkte hij samen met associe's van de Amerikaanse mafia. Een van hen was de uit zijn ambt gezette advokaat Thomas Quinn, die in ons land ook al enige naamsbekendheid verwierf door zijn konnektie met Robert Jan Doorn. De libertarische onroerend goed- en aandelenschuifelaar Doorn was ooit de eerste Nederlander die door Justitie aan een ander land werd uitgeleverd. In dit geval aan Zwitserland waar hij verantwoordelijk werd gehouden voor een interna- tionale mega-zwendel. Verder was zijn naam verbonden aan een coup-poging op de Nieuwe Hebriden in 1980 onder auspiciën van de op een nieuw vrijhandelsgebied azende Phoenix Foundation, die o.a. gebruik maakte van de diensten van de beruchte Amerikaanse wapenhandelaar Mitch WerBell III, alias de "Dwarf". Of het pakket Daimler Benz-aandelen van de Dresdner Bank inderdaad via de in het vorige Kleintje beschreven route Masson,Van Haften,Haak en Zubaidi zijn weg heeft gevonden naar een Arabische kluis, is altijd duister gebleven. Masson kon niets meer gevraagd worden over deze materie wegens een falende verbinding met het hiernamaals. En verzoeken om een gesprek aan het adres van Haak werden gehonoreerd met een diep stilzwijgen. Maar dat het bij de Dresdner Bank niet om een enkele verdwaalde manager ging die voor duistere zaakjes te porren was,staat vast. Dat blijkt o.m. uit de volgende affaire.

Benalmadena.
Volgens verschillende bronnen uit de hierboven beschreven schemerwereld, o.w.een oude zakenpartner van Haak en Zubaidi, speelde de Dresdner bank eveneens een belangrijke rol bij het witten van niet geheel kosher verkregen Nederlandse kapi- talen aan zonnige Zuideuropese kusten. Ook die praktijken dateren al uit de jaren zeventig. De methode was kinderlijk eenvoudig. Het geld werd allereerst gesluisd naar een achter een coderekening (!) verborgen external account bij de Dresdner Bank in Essen, die onder toezicht stond van een daartoe speciaal aangewezen manager. Vervolgens werd het via een vestiging van Credit Suisse in Zwitserland overgeheveld naar de onder leiding van direkteur Roberto Calvi staande en met het Vaticaan verbonden Banco Ambrosiano in Milaan. Het deposito diende als onderpand voor een lening bij een Spaanse financiële instelling tegen een alleszins redelijke rente. In veel gevallen was dat de Banco Ambrosio in Madrid die in handen was van de Katholieke lekenorganisatie Opus Dei. Het geleende kapitaal werd aangewend voor toeristische projekten aan de Costa's en daarmee was het zwarte geld de witte wereld ingesluisd.
Een voorbeeld van een dergelijk projekt was volgens een uitgebreid artikel in het Spaanse weekblad Interviu de exklusieve marina in het tussen Torremolinos en Fuengirola gelegen dorp Benalmadena aan de Costa del Sol. Het initiatief tot de aanleg ervan werd in 1978 genomen door de Madrileen Edmundo Alfaro Villen, direkteur van de Spaanse financierings- en beleggingsmaatschappij Fidecaya. Het kapitaal van deze maatschappij, dat grotendeels bestond uit moeizaam vergaarde spaargelden van de Spaanse kleine man, was niet toereikend voor de ambitieuze plannen van direkteur Villen. Hij ging dus op zoek naar een beleggingspartner en vond die in Nederland: de met de Friesch-Groningsche Hypotheekbank gelieerde Al- mathon BV van de in die tijd beruchte Haagse krottenkoning Harry Hilders. Op 29 maart 1979 ondertekende de beide ondernemers een samenwerkingskontrakt. Almathon c.q. de Friesch-Groningsche zou 44 miljoen gulden bijdragen. De administratieve rompslomp zou in handen blijven van Villen. Een jaar daarna bleek dat laatste geen wijs besluit te zijn geweest. Fidecaya ging met veel geraas ten onder. De spaarcenten van duizenden eenvoudige Spaanse burgers bleken te zijn verdwenen. Het projekt in Benalmadena dreigde door dit alles op losse schroeven te komen staan. Op 29 augustus 1980 verzamelde een aantal belanghebbenden o.w. Hilders zich in hotel Melia Castillo in Madrid om zich te beraden over de ontstane situatie. Na vier dagen stonden alle neuzen weer in dezelfde richting. De voorbereidende werkzaamheden in het kader van de marina werden voortgezet. Niet alleen tot opluchting van de "witte" Nederlandse participanten, maar ook van hun stille vennoten. Tot die laatste categorie behoorde Tinus Fens, de toenmalige koning van de Haagse onderwereld, die in die periode een toernee maakte langs een reeks sobere optrekjes van de Staat der Nederlanden als penitentie voor een omvangrijke heroinesmokkel uit Thailand. Volgens bronnen uit het milieu zou hij 14 miljoen gulden hebben bijgedragen aan het stokpaardje van Villen en Hilders. Kort na zijn vrij- lating werd in het voorjaar van 1984 een aanslag op hem gepleegd in een Haagse horeca-gelegenheid. Die mislukte nog, maar op 17 december van datzelfde jaar legde "Mooie Tinus" toch het loodje. In de hal van het gebouw waar Almathon was gevestigd werd hij door een Noordafrikaanse man vermoord. Roberto Calvi was twee jaar daarvoor al gesneuveld in Londen. Hij zou daar kontakt hebben gezocht met hoge vertegenwoordigers van Opus Dei bij een ultieme poging om de Banco Ambrosiano van de ondergang te redden. Het bleek vergeefs. Zijn door de schandalen rond de vrijmetselaarsloge P-2 geplaagde bank sloot zijn deuren. Miljoenen dollars bleken te zijn verdwenen. De Dresdner zou na de ineenstorting van Calvi's bank de verplichtingen en lopende zaken van het bovenstaande circuit geruisloos hebben overgenomen. In dat licht is het nauwelijks verwonderlijk, dat achter coderekeningen op het Mississippi- lijstje dat de FIOD bij zijn onderzoek in het Amsterdamse beursschandaal hanteert de namen schuilgaan van drie leidinggevende heren van de Duitse bankreus.

Jan Portein.

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 320, 24 april 1998

De achterzijde van het beursschandaal

  • Hits: 901
Klik hier om uw reactie toe te voegen

Kleintje Muurkrant - Postbus 703 - 5201 AS - 's-Hertogenbosch