Op
weg naar een duurzaam resultaat in Hong Kong
Coalitie voor
eerlijke handel
27 mei 2005
http://www.coalitievooreerlijkehandel.nl
Deze brochure
is gericht aan de Tweede Kamerleden en regering die op 15
juni 2005 in een Algemeen Overleg praten over de inzet van
Nederland bij de bepaling van de Europese positie voor de
WTO-onderhandelingen in Hong Kong, eind december 2005.
Inhoudsopgave:
1. Op weg naar Hong Kong, tien punten voor
een duurzaam resultaat
2. WTO onderhandelingen over landbouw
3. Liberalisering van handel en investeringen in diensten
4. Markttoegang voor niet landbouw producten
5. TRIPS en de toegang tot betaalbare medicijnen
6. Handel en multilaterale milieuverdragen
7. Regionale handelsverdragen en de WTO
8. Verklarende woordenlijst
9. Nadere publicatiegegevens
1. Op weg naar Hong Kong, tien punten
voor een duurzaam resultaat
De Doha-ontwikkelingsronde
In december 2005 komen de lidstaten van de Wereldhandelsorganisatie
(WTO) in Hongkong bijeen om voortgang te boeken op de 'Doha
Ontwikkelingsagenda'. Op deze top moeten gedetailleerde afspraken
gemaakt worden over de diverse onderdelen van de onderhandelingsagenda.
Nieuwe WTO-regels betekenen niet automatisch goed nieuws voor
iedereen.
Uit de vorige afspraken over wereldhandel, totstandgekomen
tijdens de zogenoemde Uruguay-ronde, is een belangrijke les
te leren: ondanks de van tevoren voorspelde potentiële
welvaartwinst voor iedereen, bleken in de praktijk vooral
de ontwikkelde landen te profiteren. Meer dan 70 procent van
de 'winst' ging naar deze rijke landen. Een paar grote ontwikkelingslanden
profiteerden ook. De armste ontwikkelingslanden leverden in,
en vooral de meest kwetsbare bevolkingsgroepen in die landen
waren er de dupe van.
Nu, aan de vooravond van de top in Hongkong, moet een herhaling
van dit scenario worden voorkomen. Immers, in 2001 is in Doha
afgesproken dat deze ronde een 'ontwikkelingsronde' zou zijn:
de onderhandelingen zouden vooral gunstige afspraken voor
de arme landen moeten opleveren. Het is duidelijk dat deze
belofte niet vanzelf werkelijkheid wordt. Want ondanks hun
beloften hebben de ontwikkelde landen, zowel tijdens de ministeriële
top in Cancún in 2003 als tijdens de onderhandelingen
voor het WTO-raamwerkakkoord van juli 2004, hun eigen belangen
hardnekkig verdedigd.
De 'Coalitie voor Eerlijke Handel' is een platform waarin
een breed scala van Nederlandse ontwikkelings-, boeren-, consumenten-,
en natuur-en milieuorganisaties zich hebben verenigd vanuit
hun gezamenlijke bezorgdheid
over de gevolgen voor arme landen van de huidige en nog te
formuleren WTO-regels. Voor deze organisaties staat de dagelijkse
realiteit van mensen en vooral kwetsbare groepen
en hun leefomgeving centraal. Handelsregels en daar
gaat de WTO tenslotte over hebben een groot effect
op de mogelijkheden een goed milieu en een gezonde landbouwsector
te waarborgen, op kansen voor ontwikkelingslanden en op fatsoenlijke
werkgelegenheid. Handelsregels beïnvloeden de levensomstandigheden
van mannen en vrouwen in Noord en Zuid. Vrijhandel is geen
doel op zich, maar kan slechts, onder voorwaarden, één
van de middelen zijn om een waardig bestaan en meer duurzame
welvaart voor meer mensen binnen bereik te brengen.
De WTO in context
De Doha-ronde vindt plaats in een veranderende wereld. Internationale
kaders waarbinnen landen bewegen worden complexer. Onze kennis
over de sociaal-economische en ecologische impact van wereldhandel
groeit. Grondstoffenmarkten, waar veel ontwikkelingslanden
afhankelijk van zijn, bevinden zich in een crisis, en worden
gekenmerkt door een zeer grillig prijsverloop. Dit beperkt
de ontwikkelingskansen van deze landen. Ecosystemen, waar
de markten hun grondstoffen uit onttrekken, raken snel ontregeld.
Ook buiten de WTO om staan ontwikkelingslanden onder druk
hun markten te openen. Gedwongen door het beleid van de Wereldbank
en het IMF hebben veel ontwikkelingslanden inmiddels hun markten
geliberaliseerd. Dit gebeurde vaak in een veel hoger tempo
dan waarmee rijke landen hun markten openden. Uit diverse
onderzoeken is inmiddels gebleken dat snelle liberalisering
niet leidt tot meer economische welvaart. Zo concludeerde
UNCTAD onlangs dat te snelle liberalisering in Latijns Amerika
en Afrika tot deïndustrialisatie en grotere armoede heeft
geleid. Uit het voorbeeld van een aantal landen in Azië
blijkt tevens dat een actieve interventie met een mix van
economisch, financieel en handelsbeleid eerder leidt tot economische
groei.
Handel vindt ook steeds meer plaats binnen sectoren met toenemende
marktconcentratie en binnen internationale productieketens
waar vooral Westerse multinationals de leiding hebben. Dit
brengt veel werknemers en kleine boeren en producenten in
Noord en Zuid in een afhankelijke positie binnen de keten,
en vergroot de onderlinge concurrentie en ongelijke inkomensverdeling.
Dit proces kan ook consumenten benadelen. Belangen van consumenten,
werknemers en kleine producenten zijn niet gewaarborgd als
de overheid niet als marktmeester optreedt.
Een laatste complicerende factor is het woud van bilaterale
en regionale handels-en investeringsverdragen die voortdurend
worden afgesloten. Deze afspraken komen beduidend minder transparant
tot stand dan de WTOregels. Bovendien gaan ze vaak veel verder.
Zo staan de Singapore issues, die onder druk van de ontwikkelingslanden
van de WTO-agenda zijn gehaald, wel op de agenda voor de Economic
Partnership Agreements die de EU wil afsluiten met een grote
groep ontwikkelingslanden. De voortvarendheid in het afsluiten
van nieuwe handels-en investeringsverdragen staat in schril
contrast met de internationale milieuverdragen en sociale
afspraken, waarin nauwelijks vooruitgang wordt geboekt.
Het is onze opvatting dat de onderhandelingen over de wereldhandel
zouden moeten passen binnen de 'grotere' missie van het bereiken
van een duurzame mondiale samenleving zonder armoede. Dit
betekent dat de onderhandelingen binnen de Doha-ronde onder
meer dienstbaar zouden moeten zijn aan de zogenoemde Millenniumdoelstellingen
en aan wat is afgesproken in 2002 tijdens de top in Johannesburg
over duurzame ontwikkeling.
Vanwege de complexiteit van de onderhandelingen, het gegeven
dat de Europese Unie met één stem in de WTO
spreekt én doordat de onderhandelingen achter gesloten
deuren plaatsvinden, wordt democratische controle vanuit de
lidstaten en vanuit het Europees Parlement er niet eenvoudiger
op. Toch moeten, volgens de Coalitie
voor Eerlijke Handel, de transparantie en coherentie van het
WTO-beleid worden verbeterd, opdat de uitkomsten van de komende
top in Hongkong daadwerkelijk bijdragen aan een duurzaam resultaat.
Oproep
Duurzame ontwikkeling betekent ontwikkeling waarin een balans
is gevonden tussen economische, sociale en milieu-gerelateerde
belangen. Dit betekent dat de Nederlandse overheid, die zich
aan de mondiale duurzame ontwikkeling agenda heeft gecommitteerd,
de zogenaamde 'offensieve economische belangen' (overeenkomstig
belangen van het Europese bedrijfsleven), in evenwicht moet
brengen met armoedebestrijding, natuurbescherming, consumentenbelangen,
sociale ontwikkeling en bescherming, en de mondiale duurzame
ontwikkelingsagenda.
Wij roepen de Nederlandse regering daarom op de volgende
tien punten inzet van haar beleid richting Hongkong te maken.
(Met betrekking tot de landbouwonderhandelingen:)
1. Afschaffen van de Europese exportsubsidies voor landbouwproducten
uiterlijk per 2010, en drastische vermindering van handelsverstorende
interne EU-landbouwsubsidies.
2. Erkennen van het recht van ontwikkelingslanden hun landbouwmarkten
af te schermen via onder meer een nieuw in te voeren categorie
'Speciale Producten', waarbinnen ontwikkelingslanden zelf
producten kunnen aanwijzen die vanwege hun belang voor voedselzekerheid,
levensonderhoud en rurale ontwikkeling van tariefreducties
worden uitgezonderd.
(Met betrekking tot de dienstenonderhandelingen:)
3. Geen druk, formeel noch informeel, op ontwikkelingslanden
om basale diensten als water, gezondheidszorg en onderwijs
te liberaliseren.
4. Invoeren van een Emergency Safeguard clausule in het dienstenverdrag,
opdat landen het recht behouden om bij ongewenste of onvoorziene
neveneffecten de liberalisering van sectoren terug te draaien.
(Met betrekking tot de onderhandelingen over niet-agrarische
producten:)
5. Erkennen van het principe van niet-volledige wederkerigheid
tussen ontwikkelings- en ontwikkelde landen. Ontwikkelingslanden
krijgen meer flexibiliteit om te bepalen welke tarieflijnen
zij binden dat wil zeggen
vastleggen in de WTO -, het niveau waarop zij binden en welke
gebonden tarieven ze eventueel verlagen in de onderhandelingen
over industriële producten.
6. Voorkomen van misbruik van non-tarifaire barrières
voor verkapt protectionisme via bijvoorbeeld anti-dumping
en strenge oorsprongsregels. Wat echter wel moet worden zekergesteld
is dat internationale milieuafspraken en sociale standaarden,
in bijvoorbeeld certificeringsystemen zoals het FSC-keurmerk,
niet WTO-incompatibel worden verklaard.
(Met betrekking tot intellectueel eigendom:)
7. Herzien van de TRIPS waiver om de toegang tot medicijnen
voor de armsten te verbeteren. De TRIPS waiver is nodeloos
complex en onvoldoende commercieel haalbaar.
(Met betrekking tot milieu- en mensenrechtenverdragen:)
8. Voorkomen dat in het WTO-systeem voor geschillenbeslechting
handelsregels boven internationale milieu- en mensenrechtenverdragen
worden gesteld.
(Met betrekking tot bilaterale en regionale handelsverdragen:)
9. Drastisch hervormen van de regels van artikel 24 van de
GATT, opdat hierin het principe van Speciale en Gedifferentieerde
Behandeling erkend wordt en ontwikkelingslanden niet langer
gedwongen worden tot te snelle liberalisering.
(Met betrekking tot het onderhandelingsproces:)
10.bevorderen van een transparant en eerlijk onderhandelingsproces
en de participatie van ontwikkelingslanden stimuleren, opdat
de belangen van ontwikkelingslanden niet in beperkte besluitvormingscircuits
buitenspel worden gezet.
Dit tien puntenplan wordt gesteund door:
ABVA KABO FNV, Both Ends, Fair Trade Organisatie, Hivos, ICCO,
Institute for Environmental Security (IES), IUCN-NL, Kerkinactie,
Landelijke Vereniging van Wereldwinkels, Vereniging Milieudefensie,
Stichting Natuur en Milieu, Platform Aarde, Boer en Consument,
Novib/Oxfam Nederland, Stichting Onderzoek Multinationale
Ondernemingen (SOMO), Oikos, Transnational Institute (TNI),
XminY Solidariteitsfonds, Wemos, en de Zuid-Noord Federatie.
2. WTO-onderhandelingen over landbouw
Achtergrond
De landbouwonderhandelingen in de WTO kunnen niet los worden
gezien van een aantal ontwikkelingen binnen andere internationale
instellingen en op de wereldmarkt.
De internationale handel in landbouwproducten, zoals granen,
is voor een groot deel in handen van een klein aantal grote
bedrijven, die controle hebben over de prijs, over de verdeling
van inkomsten binnen de keten, en over toegang tot markten.
Grote supermarktketens zijn binnen sommige markten oppermachtig.
Dit leidt ertoe dat boeren lage prijzen krijgen voor hun
productie, terwijl deze lage prijzen vervolgens niet worden
doorvertaald in lage consumentenprijzen.
Liberalisering en globalisering geven internationaal opererende
bedrijven de kans hun invloed verder te vergroten. Dit vraagt
om nieuw beleid. De Nederlandse regering moet zich inzetten
voor het tegengaan van deze machtsconcentraties binnen de
landbouwsector.
Van belang is ook het gebrek aan coherentie tussen enerzijds
de WTO-afspraken en anderzijds het beleid van internationale
financiële instellingen. Nog altijd stellen met name
de Wereldbank en het IMF voorwaarden op het gebied van handel
en landbouwbeleid bij leningen en schuldkwijtschelding aan
ontwikkelingslanden. Veel
landen zijn om die reden verplicht hun importtarieven
die de eigen markt beschermen veel verder te verlagen
dan de WTO vereist. Om dezelfde reden hebben veel ontwikkelingslanden
belangrijke subsidies en overheidsinstellingen, zoals marketingboards
die de landbouwprijzen stabiliseerden, afgeschaft. De Nederlandse
regering moet zich ervoor inzetten dat de Wereldbank en
het IMF niet langer zulke handelsvoorwaarden stellen bij
het verstrekken van leningen aan of het kwijtschelden van
schulden van ontwikkelingslanden.
Tenslotte gaat de voedselproductie in de wereld gepaard
met grote nadelige gevolgen voor natuur, milieu en ecosystemen.
Voor het bereiken van een duurzame mondiale samenleving
is het verduurzamen van landbouwproductie op zowel natuur,
milieu als sociaal gebied noodzakelijk. Bij de landbouwonderhandelingen
in het kader van de WTO wordt onvoldoende rekening gehouden
met de effecten van handel en handelsmaatregelen op de gewenste
groei van duurzame landbouwproductie. De Nederlandse regering
moet zich inzetten voor de ontwikkeling van een aanpak om
wereldwijd verduurzaming van landbouwproductie te bevorderen.
De WTO-onderhandelingen
Veel Nederlandse organisaties benaderen de landbouwonderhandelingen
binnen de WTO vanuit het oogpunt van voedselsoevereiniteit:
zij willen dat de WTO landen de ruimte geeft om hun eigen
voedsel-en landbouwbeleid in te vullen. Hierbij moeten de
WTO-regels enerzijds voldoende flexibiliteit bieden om landbouwmarkten
te kunnen beschermen, om boeren een leefbaar inkomen te
bieden en om ecosystemen te kunnen beschermen. Anderzijds
moeten deze regels een einde maken aan het dumpen van landbouwproducten
op internationale markten.
Helaas voldoen de afspraken die in het raamwerk van juli
2004 zijn vastgelegd niet aan deze doelen. Dumping wordt
onvoldoende aangepakt, onder andere doordat interne steunmaatregelen
die goedkope exporten mogelijk maken onvoldoende
worden verminderd, soms worden ze zelfs uitgebreid. Tegelijkertijd
wordt wèl aangestuurd op forse reducties van de beschermende
importtarieven óók voor ontwikkelingslanden.
Aanbevelingen
Over de drie pijlers van het landbouwakkoord adviseren wij
de Nederlandse regering de volgende standpunten in te nemen:
(Met betrekking tot exportcompetitie:)
De afspraak in het Juli-raamwerk om exportsubsidies, inclusief
de subsidiecomponent van exportkredieten, af te bouwen is
een belangrijke eerste stap. Het is nu zaak om deze afspraak
te concretiseren.
* Nederland moet op dit punt ambitieus zijn
en inzetten op een spoedige einddatum, dat wil zeggen vóór
2010 (conform het voorstel van de G20).
Voedselhulp wordt maar al te vaak ingezet om achterliggende,
commerciële doelen te dienen.
* Om te voorkomen dat voedselhulp wordt misbruikt om
derde markten open te breken, mag zij in geen geval gebonden
zijn aan commerciële activiteiten of diensten van
het donorland.
* Om te voorkomen dat voedselhulp wordt
misbruikt om overschotten weg te werken, mag zij slechts
in financiële vorm gegeven worden voor regionale aankopen,
en niet in natura. Uitzonderingen kunnen alleen worden gemaakt
in gevallen van acute voedseltekorten bij niet functionerende
regionale markten en alleen op verzoek van het ontvangende
land.
(Met betrekking tot interne steun:)
Ook interne steunmaatregelen kunnen dumping in de hand werken
als zij niet gekoppeld zijn aan een effectieve vorm van
productiebeheersing en/of concreet benoemde diensten zoals
natuur-en landschapsonderhoud. Het bestaande landbouwakkoord
heeft dit probleem niet opgelost. Weliswaar verminderden
de EU en de VS na 1992 hun exportsubsidies en handelsverstorende
interne steun (amber box), maar tegelijkertijd verhóógden
zij de subsidies in de blauwe en groene box, waarvoor geen
reductieverplichtingen golden. Echter, omdat de overproductie
niet werd verminderd, hebben ook deze subsidies wel degelijk
tot gevolg dat landbouwproducten onder de kostprijs geëxporteerd
worden. Het Juli-raamwerk pakt deze box-shifting onvoldoende
aan. Sterker nog: het akkoord werkt het in de hand.
* Zorgwekkend is daarbij de verruiming van de blauwe
box die in het juli- raamwerk is afgesproken. Hierdoor
wordt het mogelijk dat een aantal zeer handelsverstorende
subsidies naar de blauwe box worden overgeheveld.
Nederland moet ervoor pleiten dat handelsverstorende subsidies
in de blauwe box snel en aanzienlijk verminderd worden.
Tegelijkertijd zou marktbescherming voor grondgebonden
landbouw (akkerbouw, veehouderij) kunnen worden toegestaan
onder voorwaarde van productiebeheersing en met duurzame
landbouw als doelstelling.
* Ook de groene box geeft ruimte aan subsidies
die dumping mogelijk maken.
De Nederlandse regering moet pleiten voor aanscherping van
de criteria voor de groene box, waardoor deze box uitsluitend
goed controleerbare betalingen aan boeren bevat die ten
goede komen aan rurale ontwikkeling, landschap, natuur en
milieu, of aan boeren die hieraan bijdragen maar onder moeilijke
productieomstandigheden, zoals bergboeren.
(Met betrekking tot marktbescherming:)
Marktbescherming is het belangrijkste beleidsinstrument
dat ontwikkelingslanden tot hun beschikking hebben om
hun landbouwsector te steunen en rurale ontwikkeling te
bevorderen. De druk om hun markten open te gooien is echter
zeer groot. Juist op dit vlak is een goede speciale en
gedifferentieerde behandeling (Special and Differential
Treatment) van groot belang. Belangrijke elementen daarvan
moeten zijn:
* Als over tariefreducties wordt onderhandeld, moet gedifferentieerd
worden tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden.
* Ontwikkelingslanden mogen 'Speciale Producten' aanwijzen,
die vanwege hun belang voor de voedselzekerheid, het levensonderhoud
en de rurale ontwikkeling volledig van tariefreducties
uitgezonderd worden. Zonodig kunnen de ontwikkelingslanden
de tarieven voor deze producten zelfs verhogen. Op dit
moment is de druk vanuit de ontwikkelde landen groot om
het aantal Speciale Producten zoveel mogelijk te beperken.
Nederland moet ervoor pleiten dat de categorie Speciale
Producten ruim genoeg is om alle producten die van belang
zijn voor voedselzekerheid en rurale inkomens te kunnen
dekken. Ontwikkelingslanden moeten daarbij voldoende invloed
hebben op de totstandkoming van de criteria voor Speciale
Producten.
* Ontwikkelingslanden moeten de beschikking krijgen over
een 'Speciaal Vrijwaringsmechanisme' (Special Safeguard
Mechanism).
Nederland moet zich ervoor in zetten dat het Special Safeguard
Mechanism een eenvoudig instrument wordt dat toepasbaar
is voor alle producten, en dat ontwikkelingslanden zonder
voorwaarden kunnen inzetten bij plotselinge importstijgingen
of prijsdalingen.
* Tariefpieken van industrielanden op ingevoerde verwerkte
landbouwproducten uit ontwikkelingslanden moeten grondig
worden aangepakt.
De Nederlandse regering moet aandringen op afspraken over
de afbouw van tarief-escalatie voor producten uit ontwikkelingslanden.
* Internationale financiële instellingen
mogen geen handelseisen stellen aan leningen en schuldkwijtschelding
aan ontwikkelingslanden waardoor beschermingsmechanismes
van de WTO-akkoorden worden ondermijnd.
Dit hoofdstuk wordt gesteund door: Icco, Novib/Oxfam Nederland,
Oikos, Platform Aarde Boer Consument, SOMO, Stichting Natuur
en Milieu, WEMOS, en XminY Solidariteitsfonds.
3. Liberalisering van handel en investeringen
in diensten
De achtergrond
Basisvoorzieningen als onderwijs, zorg en water zijn randvoorwaarden
voor een evenwichtige economische en sociale ontwikkeling.
Universele toegang tot deze diensten is cruciaal voor het
behalen van de Millenniumdoelstellingen. De introductie
van de marktwerking in de dienstensector, gekoppeld aan
principes als full cost recovery zoals die door de internationale
financiële instellingen worden opgelegd, staan haaks
op principes als toegang tot basisvoorzieningen voor iedereen.
Liberalisering, privatisering en marktwerking leiden ertoe
dat vooral wordt geïnvesteerd in diensten voor de rijkere
delen van de bevolking, of soms zelfs voor buitenlandse
consumenten (bijvoorbeeld in de zorgsector).
Tegenwoordig wordt algemeen erkend dat liberalisering van
diensten zonder flankerende regelgeving slechte resultaten
geeft en de economische balans van en sociale cohesie in
een land kan ondermijnen. In ontwikkelingslanden is wet-
en regelgeving vaak onvoldoende ontwikkeld om voor de nodige
bescherming te zorgen. Mede hierdoor kunnen ontwikkelingslanden
vaak niet overzien wat de gevolgen zijn van liberalisering.
Zij moeten daarom niet door de WTO-lidstaten noch door internationale
financiële instellingen (zoals IMF en Wereldbank) onder
druk worden gezet om dienstensectoren te liberaliseren en
te privatiseren.
Diensten en de Doha-ronde
Diensten vormen ook in ontwikkelingslanden een belangrijke
groeimarkt: ze beslaan ongeveer de helft van het nationaal
inkomen van ontwikkelingslanden. Internationale afspraken
over de handel in diensten worden gemaakt binnen de General
Agreement on Trade in Services (GATS).
De WTO-kaderovereenkomst van juli 2004, die de vastgelopen
Doha-ronde moet vlot trekken, beperkt op onaanvaardbare
wijze de bewegingsruimte van ontwikkelingslanden in de GATS
onderhandelingen. Volgens deze overeenkomst moeten de lidstaten
in mei 2005 herziene voorstellen over marktopening in diensten
indienen. Lidstaten die nog geen voorstellen hebben ingediend,
moeten dat zo snel mogelijk wel doen. Tot nog toe hebben
slechts 32 ontwikkelingslanden voorstellen ingediend voor
het openstellen van hun dienstensectoren. Het is voor hen
vooral erg lastig om in te schatten wat de effecten van
dienstenliberalisering zijn.
Veel landen verbinden de uitkomst van de onderhandelingen
over diensten aan de onderhandelingen op andere terreinen:
geen liberalisering van de diensten, dan ook geen cruciale
concessies op het gebied van landbouw. Dit betekent onder
andere dat handelsblokken, zoals de EU en de VS, arme landen
onder sterke druk zetten om hun dienstensector verder open
te stellen dan ze zelf willen of verantwoord achten.
Aanbevelingen
De Nederlandse regering zou de volgende aanbevelingen mee
moeten nemen bij onderhandelingen over de GATS.
* Geen druk op liberalisering van publieke diensten
De Nederlandse regering moet zich er hard voor maken
dat de Europese Commissie tijdens de GATS-onderhandelingen
niet aan ontwikkelingslanden vraagt om essentiële
diensten als water, gezondheidszorg, onderwijs, elektriciteit
en financiële diensten te liberaliseren.
De Nederlandse regering moet er tevens voor pleiten dat
(kruis)subsidies die ten goede komen aan de armste bevolkingsgroepen,
onder het GATS-verdrag kunnen worden toegepast. Het is
daarbij essentieel dat de Nederlandse overheid zich kritisch
opstelt ten aanzien van cost recovery principes, zodat
die niet door GATS-afspraken moeilijk omkeerbaar worden.
Basisvoorzieningen als onderwijs, gezondheidszorg en
water zijn randvoorwaarden voor het behalen van de Millenniumdoelen.
De regering dient zich te verzetten tegen de introductie
op de ministeriële conferentie in Hong Kong van benchmarks
in de GATS onderhandelingen, waarbij ontwikkelingslanden
verplicht worden gesteld een bepaalde graad van liberalisering
te halen. Met zo'n standaardisering wordt te weinig rekening
gehouden met uiteenlopende ontwikkelingsgradaties en -behoeftes
van ontwikkelingslanden.
* WTO-onderzoek naar de impact van
deregulering en liberalisering
Een onderzoek naar de effecten en gevolgen van liberalisering
van reeds gedereguleerde, al dan niet onder GATS gebrachte,
diensten is dringend noodzakelijk, vóórdat
van (ontwikkelings)landen gevraagd kan worden nieuwe verplichtingen
aan te gaan. Zo'n onderzoek moet worden verricht onder
leiding van de Raad voor Handel in Diensten van de WTO.
Impactanalyses van nationale overheden en informele onderzoeken
door NGO's kunnen als input dienen voor de officiële
discussies.
* Recht op regulering waarborgen
De regels van GATS en andere verdragen mogen niet worden
gebruikt om lidstaten te belemmeren in hun recht om nieuwe
regulering te introduceren, indien nationale beleidsdoelstellingen
daarom vragen. Als een ontwikkelingsland een nieuw regelgevend
kader introduceert zullen WTO-lidstaten altijd rekening
moeten houden met het ontwikkelingsstadium waarin de dienstensector
van het betreffende land verkeert en met de behoefte aan
regulering om internationaal geaccepteerde niveaus van
sociale bescherming en arbeids-en milieunormen te bereiken.
Een goede regelgeving is essentieel om de negatieve gevolgen
van liberalisering te kunnen opvangen.
Voorbeelden van negatieve gevolgen zijn het het weigeren
van patiënten door buitenlandse ziekteverzekeraars,
het uitblijven van kredieten aan minderbedeelde klanten
door buitenlandse banken, en het uitsluiten van kleine
producenten door grote buitenlandse supermarkten (distribution
services).
* Emergency Safeguard Measures opnemen
in GATS
In het nieuwe GATS-verdrag moeten Emergency Safeguard
Measures (ESM) worden opgenomen. De ESM moeten ervoor
zorgen dat landen het recht behouden om bij ongewenste
of onvoorziene neveneffecten (bijvoorbeeld op het gebied
van volksgezondheid en sociale ontwikkeling) de liberalisering
van sectoren terug te draaien. In Hong Kong moeten de
steeds uitgestelde onderhandelingen daarover worden afgerond
tot een duidelijk raamwerk.
* Geen noodzakelijkheidstest
In de huidige onderhandelingen over de mogelijkheden
om eigen regelgeving te introduceren (Art. VI.4), mogen
overheidsnormen en andere maatregelen niet aan een 'noodzakelijkheidstest'
('necessity test') worden onderworpen. Ontwikkelingslanden
zouden van de rijkere WTO-lidstaten de nodige technische
assistentie mogen verwachten om, op basis van wederzijdse
afspraken, hun institutionele infrastructuur te versterken
om hun dienstenaanbod adequaat te reguleren. De Nederlandse
regering dient er bij de EU bovendien op aan te dringen
bij elk verzoek om liberalisering nadrukkelijk rekening
te houden met sustainable impact assessments.
* Coherent beleid voor arbeidsmigratie
Als in de GATS-onderhandelingen over tijdelijke arbeidsmigratie
wordt onderhandeld (mode 4), mogen niet alleen de belangen
van het transnationaal opererend bedrijfsleven centraal
staan. Om deze belangen te dienen, willen westerse overheden
voornamelijk migratie van hoger opgeleiden via de GATS
bevorderen. De ontwikkelde landen zijn nog veel te weinig
bereid om de tijdelijke toegang van lager opgeleid personeel
te reguleren en om transparante regelingen voor visa en
werkvergunningen te realiseren.
Aangezien door migratie van bepaalde beroepsgroepen (zoals
medisch personeel) de betreffende sector in het thuisland
kan verzwakken, moet de Nederlandse regering een handelsbeleid
voeren dat coherent is met haar ontwikkelingsbeleid en
dat erop gericht is de algehele sociaal-economische structuur
van ontwikkelingslanden te versterken. Bij gebrek aan
arbeids- en andere sociale rechten voor tijdelijke en
lager opgeleide migranten moeten de GATS onderhandelingen
terughoudend zijn bij verdere liberalisering van mode
4 en moet Nederland betere opties in bilaterale verdragen
onderzoeken.
* Kapitaalvlucht tegengaan
Bij het aangaan van nieuwe GATS-verplichtingen zullen
ook de problemen rond kapitaalvlucht nadrukkelijk aan
de orde moeten worden gesteld. De huidige afspraken binnen
GATS versterken het vrije verkeer van kapitaal. Als multinationale
ondernemingen echter hun winsten ongehinderd kunnen wegsluizen,
zonder enige verplichting tot herinvestering in de landen
waar deze winsten zijn behaald, wordt een evenwichtige
economische ontwikkeling in (ontwikkelings)landen ondermijnd.
Het GATS-verdrag (Artikel XI) dient op dit punt te worden
herzien.
De Nederlandse regering moet pleiten voor
meer transparantie in het onderhandelingsproces, zodat alle
partijen gelijke toegang hebben tot informatie. De GATS-onderhandelingen
moeten niet alleen leiden tot meer transparantie in regelgeving
maar moeten ook meer transparantie in bedrijfsvoering van
buitenlandse bedrijven nastreven. De huidige voorstellen
om overheidsregelgeving transparanter te maken mogen de
invloed van buitenlandse bedrijven bij de besluitvorming
over overheidsmaatregelen niet versterken.
Dit hoofdstuk wordt gesteund door
de leden van het GATS-platform: Corporate Europe Observatory
(CEO), Landelijke Studentenvakbond (LSVb), GroenLinkse Jongerenorganisatie
(Dwars), Milieudefensie, Stichting Onderzoek Multinationale
Ondernemingen (SOMO), Transnational Institute(TNI), Wemos,
World Information Service on Energy (WISE), en XminY Solidariteitsfonds.
4. Markttoegang voor niet-landbouw
producten
De achtergrond
In Doha hebben de WTO-leden afgesproken te onderhandelen
over tarieven en markttoegang voor producten die niet onder
de landbouwonderhandelingen vallen. Deze zogenoemde NAMA-onderhandelingen
(Non-Agricultural Market Access) gaan over een brede groep
producten, zoals medische producten, elektronica, voertuig(onderdelen)
en textiel, maar ook bosbouw, mijnbouw en visserij. Daarbij
is afgesproken dat een overeenkomst rekening zal houden
met de belangen van de ontwikkelingslanden via 'niet-volledige
wederkerigheid' en 'speciale en gedifferentieerde behandeling'.
Tijdens de ministeriële WTO-bijeenkomst in Cancún
is echter een controversiële tekst voorgelegd, die
vooral de wensen van onder meer de EU en de VS weerspiegelde.
Dit voorstel is zowel voor als tijdens de top zwaar bekritiseerd
door veel ontwikkelingslanden, waaronder de MOL's, de ACS-landen
en de landen van de Afrikaanse Unie, maar ook door landen
in Azië en Latijns Amerika. Zo stelden de G-90 ministers
dat de voorstellen 'niet voldoen aan het principe van niet-volledige
wederkerigheid en zullen leiden tot meer deïndustrialisatie,
werkeloosheid en armoede'.
Ondanks de bezwaren van ontwikkelingslanden is exact hetzelfde
voorstel ingediend voor het raamwerkakkoord van juli 2004.
Na herhaaldelijk protest is op het allerlaatste moment een
paragraaf aan dit akkoord toegevoegd, het zogeheten vehicle.
Deze paragraaf zegt dat over onder meer de formule, de sectorale
benadering en de ongebonden tarieflijnen verder moet worden
onderhandeld, vóórdat er akkoord is over de
NAMA voorstellen in het raamwerkakkoord.
Het Juli Raamwerkakkoord stelt verder een 'niet-horizontale'
formule voor tariefverlaging voor. Deze formule zorgt ervoor
dat hoge tarieven sneller dalen dan lage tarieven. Verder
wordt een sectorale benadering voorgesteld die moet leiden
tot een harmonisatie van tarieven binnen specifieke sectoren.
Ook stelt het Raamwerkakkoord voor dat ontwikkelingslanden
al hun ongebonden tarieven moeten binden, en die tarieven
vervolgens, overeenkomstig de formule, moeten verlagen.
Zij krijgen hiervoor wel langer de tijd dan ontwikkelde
landen. Ontwikkelingslanden die op dit moment minder dan
35 procent van hun tarieven hebben gebonden, hoeven volgens
het voorstel hun tarieven niet via de formule te verlagen.
In plaats hiervan moeten zij al hun tarieven binden op het
gemiddeld tariefniveau van ontwikkelingslanden aan het eind
van de ronde. De minst ontwikkelde landen (MOL's) hoeven
hun tarieven niet te verlagen, maar moeten wel een substantieel
deel van hun tarieven binden.
Daarnaast worden landen opgeroepen vrijwillig quota en tariefvrije
toegang aan de MOL's te geven. Tot slot is afgesproken non-tarifaire
handelsbelemmeringen (NTB's) in de onderhandelingen op te
nemen en worden de onderhandelaars aangespoord om met de
gevolgen van preferentie-erosie rekening te houden.
Nu, bijna een jaar verder, lijkt nog steeds amper rekening
te worden gehouden met de legitieme bezwaren van ontwikkelingslanden
en neemt de bezorgdheid toe over de behandeling van de milieugevoelige
sectoren als de bosbouw en de visserij. Zo vindt in de visserijsector
en de bosbouw nu al overexploitatie plaats met alle gevolgen
van dien voor het milieu en de allerarmsten in deze wereld
die voor hun levensonderhoud van deze sectoren afhankelijk
zijn. Ook kampen veel ontwikkelingslanden met deïndustrialisatie
en minder economische groei als gevolg van te snelle liberalisering,
afgedwongen door onder meer de Wereldbank en het IMF. Tegelijkertijd
stuiten ontwikkelingslanden juist bij de export van producten
die voor hen belangrijk zijn, zoals textiel en bewerkte
producten, nog steeds op handelsbarrières van de
ontwikkelde landen.
Wat staat er op het spel?
De NAMA-onderhandelingen houden op dit moment te weinig
rekening met de belangen van ontwikkelingslanden en de gevolgen
voor het milieu. De volgende elementen krijgen ons inziens
te weinig aandacht in het debat:
* Importtarieven zijn door alle ontwikkelde landen in
het verleden gebruikt om de eigen economie op te bouwen.
Door ontwikkelingslanden nu in de onderhandelingen te
verplichten hun tarieven over de brede linie te verlagen,
wordt ze een flexibel gebruik van dit ontwikkelingsinstrument
ontzegd en wordt het ze moeilijker gemaakt hun beginnende
industrieën te beschermen en hun industriële
basis te versterken.
* De voorgestelde 'simpele', niet-lineaire formule betekent
dat ontwikkelingslanden in verhouding hun tarieven beduidend
meer moeten verlagen dan de geïndustrialiseerde landen,
omdat hun tarieven gemiddeld hoger liggen. Dit is in strijd
met het beginsel van speciale en gedifferentieerde behandeling
van de ontwikkelingslanden en de toezegging van niet-volledige
wederkerigheid.
* Daarnaast circuleren momenteel voorstellen van onder
meer de Europese Unie om ontwikkelingslanden die bijvoorbeeld
bereid zijn om aan de sectorale benadering mee te doen,
of die bereid zijn af te zien van langere overgangstermijnen,
een 'krediet' te verstrekken, wat inhoudt dat ze hun tarieven
minder hoeven te verlagen. Dit klinkt als een aardig voorstel,
maar betekent in feite dat het recht van ontwikkelingslanden
op speciale en gedifferentieerde behandeling onderwerp
van onderhandeling wordt gemaakt.
* De sectorale benadering wordt vooral gesteund door
ontwikkelde landen, de VS voorop. Veel ontwikkelingslanden
hebben zich al diverse malen tegen de sectorale benadering
uitgesproken. De sectorale benadering is controversieel
vanuit het oogpunt van milieu, omdat regelgeving ter bevordering
van duurzame vormen van handel en consumptie kan worden
tegengehouden. Ook belemmert de sectorale benadering de
ontwikkelingskansen van arme landen, omdat harmonisatie
hun concurrentiepositie kan verslechteren.
* Het Raamwerkakkoord stelt dat ontwikkelingslanden al
hun tarieflijnen moeten binden en vervolgens verlagen
(met uitzondering van de MOL's die een substantieel deel
moeten binden). Binding van tarieven wordt vaak afgedaan
als een minimale concessie, maar dat is het niet. Zeker
niet wanneer bedacht wordt dat diverse ontwikkelingslanden
op dit moment slechts een paar procent van hun tarieven
hebben gebonden. Maar ook vanuit historisch perspectief
is dit argument discutabel.
De ontwikkelde landen zijn tenslotte al vijftig jaar bezig
met multilaterale liberalisering en konden in het verleden
zelf bepalen welke tarieven ze bonden en verlaagden. Zelfs
op dit moment hebben niet alle ontwikkelde landen al hun
tarieven gebonden. Een ander veelgehoord argument is dat
tariefverlagingen binnen de WTO noodzakelijk zouden zijn
om Zuid-Zuid handel te bevorderen. Dit argument verliest
aan kracht als bedacht wordt dat marktopening binnen de
WTO multilateraal is en zowel Zuid-Zuid handel als Noord-Zuid
handel betreft.
* Tariefinkomsten vormen vaak een groot deel van het
overheidsbudget van ontwikkelingslanden. Volgens de gangbare
theorie zouden ontwikkelingslanden lagere tariefinkomsten
moeten opvangen door de binnenlandse belastingsopbrengst
te vergroten. Maar dit blijkt in praktijk lang niet eenvoudig.
Uit onderzoek van het IMF blijkt dat ontwikkelingslanden
die de afgelopen jaren hun tarieven hebben verlaagd slechts
gedeeltelijk sommige zelfs helemaal niet
de verloren inkomsten hebben weten te compenseren. Hierdoor
hebben tariefverlagingen direct invloed op het beschikbare
overheidsbudget voor bijvoorbeeld onderwijs, gezondheidszorg
of economische ontwikkeling.
* De prioriteiten van de ontwikkelde landen, zoals de
formule en de sectorale benadering, staan hoog op de agenda
van de onderhandelingen, terwijl de prioriteiten van ontwikkelingslanden
een lager profiel lijken te hebben. Zo bevat de tekst
van het Raamwerkakkoord voornamelijk vrijblijvende voorstellen
voor onderwerpen van belang voor ontwikkelingslanden,
zoals tariefvrije en quotavrije toegang voor de MOL's,
preferentie-erosie en niet-tarifaire handelsbarrières
(NTB's).
* Een keerzijde van het debat over niet-tarifaire
barrières is dat ook zaken als certificering van
hout (zoals FSC), keurmerken voor vis en visproducten en
andere milieu- en sociale maatregelen erdoor belemmerd zouden
kunnen worden. Diverse landen hebben immers voorgesteld
deze ook te behandelen in de NAMA-onderhandelingen. Dit
zou bijvoorbeeld kunnen leiden tot de situatie waar het
FSC-keurmerk en andere keurmerken niet compatibel worden
geacht met de WTO-verdragen.
Wat kan de Nederlandse regering doen?
De Nederlandse regering moet zich binnen de Europese Unie
hard maken voor een Europese inzet die de zorgen van ontwikkelingslanden
respecteert en de risico's voor het milieu erkent. Wij roepen
de regering op de volgende standpunten over te nemen:
* Flexibiliteit geven aan ontwikkelingslanden. De voorgestelde
formule biedt ontwikkelingslanden te weinig flexibiliteit
om hun economische ontwikkeling zelf vorm te kunnen geven.
Ontwikkelingslanden moeten flexibel kunnen bepalen welke
tarieflijnen zij binden, op welk niveau ze deze binden
en welke tarieven ze verlagen. Deze aanpak komt overeen
met de wijze waarop ook de geïndustrialiseerde
landen in eerdere rondes hun tarieven hebben verlaagd.
Tarieflijnen die ontwikkelingslanden in deze ronde binden
moeten worden uitgezonderd van een reductieverplichting.
Tariefpieken van ontwikkelde landen moeten via de instelling
van een tariefplafond worden aangepakt.
* Het laten verrichten van een impact assessment vóórdat
besloten kan worden tot liberalisering van sectoren die
gevoelig zijn voor milieudegradatie.
* Het afzien van de sectorale benadering gezien de mogelijke
negatieve milieu- en ontwikkelingseffecten.
* Voorkomen van misbruik van non-tarifaire barrières
voor verkapt protectionisme via bijvoorbeeld anti-dumping
en het versimpelen van de regels van oorsprong. Wat echter
wel moet worden zekergesteld is dat internationale milieuafspraken
en sociale standaarden, in bijvoorbeeld certificeringsystemen
zoals het FSC-keurmerk, niet WTO-incompatibel worden verklaard.
* De gevolgen van preferentie-erosie moeten, bijvoorbeeld
via een financiële compensatie door de geïndustrialiseerde
landen, worden ondervangen.
* MOL's moeten worden uitgezonderd van de
verplichting tot binding van hun tarieven. Verder moeten
de tarief- en quotavrije toegang van de MOL's voor alle
geïndustrialiseerde landen verplichtend worden vastgelegd
binnen de WTO en moeten de MOL's ondersteund worden bij
de onderhandelingen.
Dit hoofdstuk wordt gesteund door:
Both Ends, Hivos, IUCN-NL, Milieudefensie, en Novib/Oxfam
Nederland
5. TRIPS en de toegang tot betaalbare
medicijnen
Achtergrond
Miljoenen mensen overlijden jaarlijks aan infectieziekten
als malaria en HIV/Aids, in veel gevallen omdat ze de dure
merkmedicijnen niet kunnen betalen. Deze hoge prijzen zijn
het gevolg van patentbescherming. Het WTO TRIPS-verdrag
(Trade Related Intellectual Property Rights) zorgt ervoor
dat het patent op een nieuw geneesmiddel gedurende twintig
jaar wordt beschermd. Dit verdrag staat landen echter ook
toe om, ter bescherming van de volksgezondheid, onder andere
dwanglicenties af te geven. Met dit soort licenties kunnen
lokale producenten goedkope kopieën van merkgeneesmiddelen
zogeheten generieke medicijnen - maken of importeren.
Het TRIPS-verdrag voorziet in een redelijk eenvoudige procedure
voor de afgifte van dwanglicenties. Veel ontwikkelingslanden
hebben echter niet de productiecapaciteit noch de kennis
om generieke versies van belangrijke geneesmiddelen tegen
HIV/Aids of malaria te maken. En TRIPS bemoeilijkt de export
vanuit landen die wel voldoende productiecapaciteit hebben.
Artikel 31-f van het TRIPS-verdrag bepaalt namelijk dat
productie voortkomend uit een dwanglicentie overwegend voor
de binnenlandse markt bestemd moet zijn.
Maar hoe kunnen landen generieke medicijnen importeren
als producerende landen ze niet mogen exporteren? In Doha
werd de TRIPS-raad gevraagd om voor december 2002 met een
tijdelijke oplossing voor dit probleem te komen. Deze deadline
werd gemist en na lang en intensief onderhandelen werd op
30 Augustus 2003, net voor de ministeriële WTO-bijeenkomst
in Cancún, een tijdelijke oplossing gevonden: een
waiver maakt het mogelijk dwanglicenties voor de export
af te geven. Onder druk van de Verenigde Staten is deze
procedure echter juridisch omslachtig geworden en brengt
ze bovendien veel bureaucratische rompslomp met zich mee.
Veel ontwikkelingslanden zijn toch akkoord gegaan, omdat
zij een succes van de top in Cancún niet in de weg
wilden staan. Uiterlijk 31 maart 2005 had deze tijdelijke
oplossing moeten worden omgezet in een definitieve. Deze
deadline is wederom gemist. In Genève hebben onder
meer de Afrikaanse landen, de MOL's, de ACS-landen, Argentinië,
Brazilië, India, de Filippijnen, Sri Lanka en Peru
opnieuw aangegeven dat het compromis, zoals vastgelegd in
de waiver, voor hen niet de definitieve oplossing kan zijn.
De EU stelt daarentegen dat het compromis het maximaal haalbare
is. Zolang geen akkoord is bereikt, blijft de waiver van
kracht.
Hoe nu verder?
Willen arme landen betaalbare generieke medicijnen kunnen
blijven kopen, dan zijn twee zaken van belang. Ten eerste
moeten de procedures voor de export van generieke medicijnen
voldoende flexibel zijn. Ten tweede moeten de medicijnen
daadwerkelijk geproduceerd worden. Op beide punten blijven
zorgen bestaan. Per 1 januari 2005 moesten landen als India,
die belangrijke producenten van generieke geneesmiddelen
zijn, hun wetgeving in overeenstemming brengen met TRIPS.
Dit kan uiteindelijk leiden tot het opdrogen van belangrijke
bronnen van goedkope generieke medicijnen.
India heeft in haar nieuwe patentwetgeving een belangrijke
provisie ingebouwd die de productie van generieke medicijnen
voorlopig veilig kan stellen. Zo mogen volgens de nieuwe
Indiase patentwetgeving producenten de productie continueren
van generieke geneesmiddelen waarop tussen 1995 en 2005
een patent is aangevraagd. Voorwaarde is dat het medicijn
nu al door de betreffende fabrikant wordt gemaakt, én
dat een redelijke vergoeding aan de patenthouder wordt betaald.
Binnen de nieuwe wetgeving is het eveneens mogelijk dat
India generieke producten uitvoert naar een ander land,
zonder dat dit ontvangende land een dwanglicentie hoeft
af te geven. Dit model verdient navolging.
Maar hoe lang kan dit goed gaan? Want als een Indiase producent
geneesmiddelen wil namaken waarop ná 1 januari 2005
patent wordt aangevraagd, zal voor ieder afzonderlijk product
een dwanglicentie moeten worden afgegeven door de Indiase
overheid. De vrees bestaat dat hierdoor de economische stimulans
voor de productie van generieke versies van nieuwe geneesmiddelen
verdwijnt. Nu zijn er al aanwijzingen dat patenthouders
het afgeven van dwanglicenties zoveel mogelijk willen dwarsbomen.
Deze obstakels zullen naar alle waarschijnlijkheid leiden
tot een verminderde productie van generieke versies van
nieuwe geneesmiddelen, waardoor deze voor arme landen onbetaalbaar
kunnen worden.
Europa is ondertussen bezig zijn wetgeving in overeenstemming
te brengen met het TRIPS akkoord. Eind 2004 deden het Europees
Parlement en de Raad een voorstel over het verlenen van
dwanglicenties voor geneesmiddelen voor uitvoer naar landen
met volksgezondheidsproblemen. Dit voorstel is geënt
op het WTO compromis van 30 augustus 2003 en is uitermate
complex. Naar alle waarschijnlijkheid zal deze verordening
in juni 2005 worden aangenomen. Nu al hebben Europese producenten
van generieke medicijnen aangegeven geen heil te zien in
deze verordening.
Het toekomstperspectief is daarmee zorgelijk. Enerzijds
worden de generieke producenten in landen, zoals India,
die nu de de capaciteit en de wil hebben om generieke medicijnen
te produceren, aan banden gelegd. Anderzijds zouden generieke
producenten in Europa deze knowhow helemaal op moeten bouwen.
Dit zullen ze niet doen, omdat de Europese regelgeving -
zoals die er nu ligt - onvoldoende rekening houdt met de
commerciële haalbaarheid. Ondertussen geven dit soort
maatregelen bij het publiek de indruk dat de Europese Unie
daadwerkelijk iets aan het probleem doet, terwijl in werkelijkheid
dit slechts schijn is.
De Verenigde Staten voeren ondertussen een actieve lobby
voor TRIPS+ bepalingen. Via hun bilaterale en regionale
handelsverdragen zetten ze ontwikkelingslanden onder druk
om een patentwetgeving in te voeren die strenger is dan
onder TRIPS noodzakelijk is, en waarbij landen hun recht
om dwanglicenties af te geven afzwakken of opgeven.
Uit het bovenstaande blijkt dat de toegang tot betaalbare
medicijnen nog steeds niet is gegarandeerd. Daarmee staat
het internationaal erkende recht op gezondheid, zoals dat
onder meer is neergelegd in de Universele Verklaring van
de Rechten van de Mens, onder druk. Waar het om gaat is
dat er een zo rechtvaardig mogelijk evenwicht wordt gevonden
tussen de bescherming van private belangen van de octrooihouders
én het recht van patiënten op toegang tot betaalbare
geneesmiddelen.
Wat kan de Nederlandse regering doen?
* Nederland moet streven naar een eenvoudige oplossing
om de productie van generieke medicijnen mogelijk te maken.
Artikel 31-f (dat bepaalt dat productie voortkomend uit
een dwanglicentie overwegend voor de binnenlandse markt
bestemd moet zijn) dient uit het TRIPS-verdrag te worden
verwijderd. Tot die tijd zou de export van generieke medicijnen
naar landen waar onvoldoende productiecapaciteit is, via
artikel 30 (dat bepaalt dat WTO leden het recht hebben
om uitzonderingen
op patenten toe te staan) toegestaan moeten worden als
uitzonderingsgrond.
* Nederland moet zich binnen de WTO sterk maken voor een
regelgeving die de productie van generieke geneesmiddelen
in landen als India, Brazilië en Thailand zeker stelt.
Dit zou kunnen door het model van de automatische licentie
die nu in India geldt voor reeds bestaande geneesmiddelen
uit te breiden tot nieuwe geneesmiddelen. Hierdoor krijgt
de octrooihouder een vergoeding voor zijn of haar
vernieuwende activiteiten en tegelijkertijd wordt de concurrentie
in stand gehouden die ervoor zorgt dat de prijzen relatief
laag blijven.
* Nederland en de EU moeten er bij de Verenigde Staten
op aandringen dat zij niet langer hun handelsverdragen
gebruiken om landen onder druk te zetten strengere patentwetgeving
door te voeren dan TRIPS vereist.
* Nederland zou moeten pleiten voor een
onderzoek of er vanuit mensenrechtenperspectief aanpassingen
van het TRIPS-verdrag noodzakelijk zijn. Als eerste stap
zou Nederland daarvoor het voorstel (EC/12/2001/15) van
het VN-comité inzake Economische, Sociale en Culturele
Mensenrechten om een 'mechanism for human rights review
of intellectual property rights' in het leven te roepen,
moeten ondersteunen.
Dit hoofdstuk wordt gesteund door
Artsen Zonder Grenzen, de Evert Vermeer Stichting, Novib/Oxfam
Nederland, en Wemos
6. Handel en multilaterale milieuverdragen
De achtergrond
Wat gaat er voor? Internationale afspraken over de handel
of internationale milieuverdragen? Er zijn verschillende
gevallen bekend waarbij de uitvoering van milieuverdragen
in het geding was bij een WTO-geschillencommissie. Tot nog
toe hebben deze procedures geen duidelijke uitkomsten opgeleverd.
Milieuverdragen lijken de ruimte te krijgen, maar zeker
is dit allerminst. Er kan zó een nieuwe zaak komen
waarbij de uitvoering van een milieuverdrag wordt belemmerd,
of zelfs onmogelijk gemaakt vanwege de WTO-regels.
Bijvoorbeeld in het geval van het Verdrag van Bazel inzake
de uitvoer van giftige afvalstoffen kunnen WTO leden die
niet partij zijn bij dit verdrag mogelijk uitvoer van toxische
afvalstoffen afdwingen, ondanks dat er een expliciete afspraak
in de WTO is gemaakt waarmee dit verdrag wordt uitgezonderd.
Een ander voorbeeld is het Verdrag inzake Biodiversiteit
dat mogelijk conflicteert met het TRIPS-verdrag, als het
gaat over het intellectueel eigendom van traditionele kennis
of van genetische bronnen. Het CITES-Verdrag dat de handel
in bedreigde dier- en plantensoorten beperkt, kan in bepaalde
gevallen ook strijdig zijn met WTO-handelsafspraken. Het
Voorzorgsprincipe ten slotte, zoals vastgelegd in het Biosafety
Protocol, staat ook ernstig onder druk, bijvoorbeeld in
de tegen de EU aangespannen zaak over genetisch gemodificeerde
organismen.
Wat gebeurt er sinds Doha?
In Doha is besloten om de relatie tussen WTO-regels en
specifieke handelsverplichtingen in multilaterale milieuverdragen
helder te krijgen. Maar met een belangrijke voorwaarde:
de rechten van WTO-leden die geen partij zijn bij een multilaterale
milieuovereenkomst, mogen niet worden aangetast. Daarnaast
willen de onderhandelaars dat er procedures worden ontwikkeld
voor informatie-uitwisseling tussen de secretariaten van
milieuverdragen en de relevante WTO-comités. Na Doha
zijn de onderhandelingen vooral beperkt gebleven tot díe
milieuverdragen die nu een handelsgerelateerde clausule
bevatten. Algemene principes, vooral gericht op het mechanisme
voor het beslechten van geschillen zijn nauwelijks aan de
orde, terwijl dat wel zou moeten.
Wat kan de Nederlandse regering doen?
Wij bevelen de Nederlandse regering aan de volgende standpunten
mee te nemen in de onderhandelingen:
(Met betrekking tot geschillenbeslechting)
Handelsregels mogen niet boven milieuverdragen worden gesteld.
Voorkomen moet worden dat in de WTO panels op het gebied
van geschillenbeslechting besloten kan worden of een milieuverdrag
wel of niet toepasbaar is op een bepaalde situatie. De vraag
welk recht in conflictsituaties moet zegevieren hoort niet
thuis in zo'n panel. De vage bewoording van de regels van
de WTO laten nu twijfel bestaan over de juridische status
van milieuakkoorden.
Concreet kan de regering pleiten voor:
* het bijeenroepen van een VN-werkgroep van experts afkomstig
van internationale natuur- en milieuorganisaties, handelsorganisaties
en ontwikkelingsorganisaties om algemene principes en
regels te ontwikkelen over geschillenbeslechting tussen
multilaterale handelsregels en milieuverdragen.
* Het moet niet zo zijn dat de expertinstellingen
alleen als waarnemer mee mogen doen in de WTO onderhandelingen
over dit complexe onderwerp; het geven van een opdracht
aan het VN-Milieu programma (UNEP) om een alternatieve procedure
te ontwikkelen voor beslechting van milieugerelateerde handelsgeschillen.
(Met betrekking tot niet-ondertekenaars van internationale
milieuverdragen)
Het niet ondertekenen van internationale milieuverdragen
mag landen geen handelsvoordelen opleveren. De beperking
opgelegd tijdens de Doha-ronde dat de rechten van niet-ondertekenaars
van internationale milieuverdragen niet aangetast mogen
worden, kan ontduiking van verantwoordelijkheden voor natuur
en milieu in de hand werken. Als het doel van de internationale
gemeenschap is om duurzame ontwikkeling te bevorderen (ook
verwoord in de WTO-preambule) dan zou de WTO zich juist
moeten richten op het aanpakken van de handelsverstoringen
die het gevolg zijn van het niet-deelnemen aan milieuverdragen.
De Nederlandse regering zou onder andere moeten pleiten
voor:
* het toestaan van heffingen op producten die op niet-duurzame
wijze zijn geproduceerd (bijvoorbeeld producten met een
te groot relatief energieverbruik).
(Met betrekking tot de waarnemersstatus)
De secretariaten van internationale milieuverdragen en
de UNEP zijn het best gepositioneerd om de technische aspecten
van de milieuverdragen uit te leggen. De Nederlandse regering
moet daarom pleiten voor:
* het verlenen van de waarnemerstatus bij
de WTO aan secretariaten van internationale milieuverdragen
én aan de UNEP
* het uitbreiden van de status van secretariaten van internationale
milieuverdragen bij de Commissie inzake Handel en Milieu.
Dit hoofdstuk wordt gesteund door: Institute for Environmental
Security (IES), IUCN-NL, Stichting Natuur en Milieu, Milieudefensie,
en Both Ends
7. Regionale handelsverdragen en de
WTO
Achtergrond
Regionale handelsverdragen (RTA's) zijn een steeds prominentere
rol gaan spelen in de internationale handelspolitiek. Zo
is het aantal RTA's dat bij de WTO is aangemeld de laatste
tien jaar bijna verdubbeld (van 176 naar 300). Artikel 24
van de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT), een
bepaling die ook geldig is onder de WTO, legt de belangrijkste
regels voor regionale handelsverdragen vast. Over de toepassing
van deze regels bestaat onder de WTO-leden echter verschil
van mening. Ten gevolge daarvan heeft het comité
dat op de naleving van deze regels moet nazien (het Regional
Trade Agreements Committee) sinds 1995 geen enkel onderzoek
naar de WTO compatibiliteit van aangemelde handelsverdrag
afgerond, en is slechts één regionaal handelsverdrag
(afgesloten tussen Tsjechië en Slowakije na het uiteenvallen
van Tsjecho-Slowakije) door alle WTO-leden goedgekeurd.
In Doha is afgesproken de regels omtrent RTA's te verduidelijken.
Bovendien spraken de WTO-leden af dat ze het 'ontwikkelingsaspect'
van RTA's speciale aandacht zouden geven. Door de grote
verschillen in interpretatie en de aandacht die andere onderhandelingspunten
opeisen, is daar tot nu toe nog weinig van terechtgekomen.
Toch is duidelijkheid over de verhouding tussen regionale
handelsverdragen en de regels van de WTO hard nodig. Dat
regionale handelsonderhandelingen en de WTO onderhandelingen
direct met elkaar in verband staan, bleek ook na de mislukking
in Cancún. De Verenigde Staten, bijvoorbeeld, bekritiseerden
het functioneren van de WTO en stelden onomwonden dat zij
meer nadruk zouden leggen op het sluiten van regionale handelsafspraken.
En hoewel de Europese Unie haar steun aan het multilaterale
handelssysteem heeft uitgesproken, blijft ook de Unie regionale
handelsverdragen nastreven. Zo zijn op dit moment onderhandelingen
gaande over het afsluiten van Economic Partnership Agreements
(EPA's): dit zijn regionale handelsverdragen tussen de EU
en de zogenoemde ACS-landen (landen uit Afrika, het Caribische
Gebied en de Stille Oceaan). Tevens onderhandelt de EU over
een regionaal handelsverdrag met de Zuidamerikaanse vrijhandelszone
Mercosur.
Wat staat op het spel?
Een verduidelijking van de RTA-regels is noodzakelijk, maar
om de RTA's het gewenste ontwikkelingskarakter te geven
dienen de onderhandelaars verder te gaan dan alleen de regels
te verduidelijken; ze moeten de regels ook hervormen. De
regels zijn namelijk oorspronkelijk opgesteld voor handelsafspraken
tussen landen
met gelijke ontwikkelingsniveaus. Het latere GATS-akkoord
over liberalisering van diensten laat wel toe dat ontwikkelingslanden
meer flexibiliteit krijgen en minder hoeven te liberaliseren
in RTA's tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden (GATS-artikel
5.2 en 5.3).
Volgens artikel 24 van GATT 1994 moet een RTA 'essentially
all goods' omvatten en moeten de importtarieven binnen de
regionale handelszone in principe binnen tien jaar zijn
opgeheven. Voor ontwikkelingslanden die onderling RTA's
sluiten, geldt echter een uitzondering op dit artikel. Via
de 'enabling clause' is hun recht vastgelegd op een speciale
en gedifferentieerde behandeling (SDT). Maar wanneer ontwikkelingslanden
een bilateraal of regionaal handelsverdrag afsluiten met
een noordelijk, geïndustrialiseerd land vervalt dit
recht en moet een ontwikkelingsland zich opeens conformeren
aan de veel striktere voorwaarden die door de WTO vastgelegd
zijn in artikel 24. Een aantal ontwikkelingslanden heeft
al aangeven problemen te hebben met deze regels. Zo hebben
de ACS-landen op 28 April 2004 een voorstel ingediend waarin
zij aan de WTO-leden meer flexibiliteit vragen in de interpretatie
van artikel 24. Met name gaat het hen om de lengte van de
transitieperioden en om de term 'substantially all trade'.
Ook vragen zij om een vereenvoudiging van de regels voor
het aanmelden van een RTA bij de WTO (de zogenaamde notificatieprocedures).
De EU weigert tot op heden deze voorstellen te ondersteunen
met als argument dat de bestaande regels flexibel genoeg
zijn.
Een ander probleem is dat de besprekingen over regionale
handelsverdragen de beperkte onderhandelingscapaciteit van
de arme landen ondermijnen en hun positie binnen de WTO
verzwakken. Zo duiken onderwerpen die ontwikkelingslanden
in multilateraal onderhandelingsverband hebben verworpen,
zoals de zogenoemde Singapore Issues, ineens weer op tijdens
de regionale onderhandelingsagenda. Tegelijk kan van de
veel verdergaande bilaterale en regionale afspraken een
precedentwerking uitgaan voor de multilaterale onderhandelingen,
waardoor de positie van ontwikkelingslanden in de multilaterale
onderhandelingen ondermijnd kan worden.
Wat kan de Nederlandse regering doen?
Met name armere ontwikkelingslanden mogen niet langer gedwongen
worden tot het liberaliseren van hun internationale handel.
Liberalisering, zoals voorgesteld in artikel 24, leidt niet
automatisch tot het behalen van de Doha-ontwikkelingsdoelstellingen,
noch tot het behalen van de millenniumdoelstellingen. Nederlandse
maatschappelijke organisaties bevelen de Nederlandse regering
daarom de volgende standpunten aan:
* Artikel 24 van de GATT moet drastisch hervormd worden
opdat daarin het principe van speciale en gedifferentieerde
behandeling (SDT) erkend wordt en ontwikkelingslanden
niet langer worden gedwongen tot te snelle liberalisering.
* Rijke noordelijken landen moeten de regionale handelsonderhandelingen
met ontwikkelingslanden in hun huidige vorm stop zetten.
Zulke handelsovereenkomsten dreigen de beleidsruimte te
beperken voor arme landen om een pro-ontwikkelingsbeleid
te voeren. Ze tasten de positie van ontwikkelingslanden
in de multilaterale WTO-onderhandelingen aan.
* In de GATS-onderhandelingen mag de flexibiliteit
van artikel 5 voor ontwikkelingslanden niet worden uitgehold.
Dit hoofdstuk wordt gesteund door: Both Ends, Evert Vermeer
Stichting, Novib/Oxfam Nederland, SOMO, Transnational Institute,
Wemos en XminY Solidariteitsfonds.
8. Verklarende woordenlijst
AMBER BOX
In het WTO landbouwakkoord wordt alle interne steun verdeeld
over drie boxen: een amber, een blauwe en een groene box.
De amber box bevat steunmaatregelen die als handelsverstorend
beschouwd worden, zoals prijssteun en subsidies die gekoppeld
zijn aan de productie. Amber box steun moest onder het bestaande
landbouwakkoord met 20% worden verminderd.
BLAUWE BOX
De blauwe box bevat steunmaatregelen die gekoppeld zijn
aan de productie, maar die deel uit maken van een productie-beperkend
programma. Deze subsidies worden als minder handelsverstorend
beschouwd, en hoefden in het bestaande landbouwakkoord niet
te worden verminderd.
COST RECOVERY PRINCIPLE
Gebruikers van basisdiensten zoals water moeten betalen
voor de hoeveelheid water die ze gebruiken zodat het waterdistributiebedrijf
zonder subsidies kan opereren.
ENABLING CLAUSE
Deze clausule, die in 1979 in de GATT werd overeengekomen,
maakt een gunstiger behandeling van ontwikkelingslanden
door WTO leden mogelijk. Zo maakt de enabling clause unilaterale
preferentiële stelsels tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden
mogelijk, zoals het Algemeen Preferentieel Stelsel en het
Alles-Behalve-Wapens initiatief van de EU. Verder vormt
de enabling clause de juridische basis voor regionale handelsverdragen
tussen ontwikkelingslanden en voor het Global System of
Trade Preferences (GSTP), waaronder ontwikkelingslanden
onderling handelsconcessies aan elkaar geven.
EPA
Economic Partnership Agreements zijn regionale (vrijhandels)handelsonderhandelingen
die de Europese Commissie namens de lidstaten van de Europese
Unie voert met 77 landen uit Afrika, het Caribische Gebied
en de Stille Oceaan. Deze onderhandelingen komen voort uit
het Cotonou Verdrag en moeten het preferentiële handelssysteem
tussen die landen vervangen. Het bestaande preferentiële
handelssysteem voldoet niet meer aan de regels van de WTO.
De onderhandelingen moeten in 2008 afgerond zijn.
EXPORT KREDIET
Wanneer exporterende landen kopers van hun producten en
diensten een langere betalingstermijn geven heet dat een
export krediet. Exportkredieten kunnen het aantrekkelijk
maken om in een bepaald land aan te kopen en versterken
daardoor de concurrentiepositie van exporteurs.
G-90
De G-90 bestaat uit de landen van de African Union, de landen
in Afrika, het Caribische Gebied en de Stille Oceaan (ACS
landen) en de groep van Minst Ontwikkelde Landen (MOLs).
GATT
De General Agreement to Tariffs and Trade is de voorloper
van de WTO
GEBONDEN TARIEF
In WTO kader overeenkomen om een tarief niet boven een afgesproken
niveau te laten stijgen. Als een tarieflijn gebonden is,
kan deze niet worden verhoogd zonder de WTO leden te compenseren
die hierdoor worden benadeeld.
GROENE BOX
Subsidies in de groene box worden als niet of minimaal
handelsverstorend beschouwd. Het gaat bijvoorbeeld om steun
voor milieubescherming, regionale ontwikkelingsprogramma's
en producentensteun die niet gekoppeld is aan productie.
Het bestaande landbouwakkoord geeft geen beperking aan de
groene box.
JULI RAAMWERK
In juli 2004 werden de leden van de WTO het eens over de
grote lijnen van een nieuw WTO-akkoord. De details van dit
'raamwerkakkoord' moeten nog verder worden ingevuld.
KRUISSUBSIDIES ('CROSS SUBSIDIES')
De winst van een deel van het bedrijf wordt gebruikt om
een ander minder of niet winstgevend deel van het bedrijf
financieel te ondersteunen.
MARKETING BOARD
Publieke of coöperatieve handelsbedrijven die producten
kopen van de producenten om ze collectief op de markt te
brengen, met als doel de onderhandelingspositie van producenten
op de markt te verbeteren.
NIET TARIFAIRE BARRIERES
Handelsbelemmeringen die geen tarieven zijn zoals bijvoorbeeld
quota's, importlicenties, sanitaire regels of verbodsbepalingen.
NOODZAKELIJKHEIDSTEST ('NECESSITY TEST')
Alvorens toestemming te geven aan een dienstenbedrijf om
zich te vestigen doet de overheid een evaluatie over de
economische en sociale (en milieu)impact van zo'n nieuw
bedrijf, zodat geen bedrijf zich vestigt die bv. negatieve
gevolgen heeft op de werkgelegenheid in de streek.
OORSPRONGREGELS
Wetten en regels waarmee overheden bepalen uit welk land
een bepaald product komt. Oorsprongregels zijn bijvoorbeeld
van belang om te bepalen of een product in aanmerking komt
voor preferentiële markttoegang.
PREFERENTIE EROSIE
Het minder waard worden van preferenties van ontwikkelingslanden.
In WTO verband wordt preferentie erosie veroorzaakt, doordat
tarieven over de brede linie worden verlaagd. Daardoor daalt
het relatieve voordeel van reeds bestaande preferenties.
SINGAPORE ISSUES
Sinds de Ministeriële Conferentie in Singapore (1996)
wordt er binnen de WTO gesproken over het uitbreiden van
de WTO-agenda met vier nieuwe onderwerpen: investeringen,
mededingingsregels, transparantie bij openbare aanbestedingen
en handelsfacilitatie. In Cancún bleken drie van
deze vier Singapore onderwerpen (investeringen, mededinging
en transparantie in overheidsaanbestedingen) zo controversieel
dat in het raamwerkakkoord is besloten, ze van de onderhandelingsagenda
van de Doha ronde te halen.
SPECIALE EN GEDIFFERENTIEERDE BEHANDELING
Duurzame economische ontwikkeling is nadrukkelijk één
van de doelen van de WTO. In het akkoord dat aan de WTO
ten grondslag ligt staat dat internationale handel ten goede
moet komen aan de economische ontwikkeling van ontwikkelingslanden
en Minst Ontwikkelde Landen. Dit vormt de basis voor een
aantal afspraken over Speciale en Gedifferentieerde Behandeling
van ontwikkelingslanden. Hierdoor kunnen WTO-regels aangepast
worden, om rekening te houden met de specifieke beperkingen
en behoeften van ontwikkelingslanden.
SPECIAAL VRIJWARINGSMECHANISME
Het Speciaal Vrijwaringsmechanisme in het WTO landbouwakkoord
staat landen toe importheffingen te verhogen als importvolumes
snel stijgen, of importprijzen snel dalen. Slechts een kleine
groep, vooral ontwikkelde landen, mag gebruik maken van
dit mechanisme.
TARIEFPIEK
Een relatief hoog tarief, meestal op gevoelige producten.
Voor geïndustrialiseerde landen wordt een tarief van
15% of meer gewoonlijk als tariefpiek aangemerkt.
TARIEFESCALATIE
Wanneer tarieven stijgen met de mate van verwerking van
een product is sprake van tariefescalatie. Dat geldt bijvoorbeeld
wanneer tarieven op schoenen hoger zijn dan tarieven op
leer.
TOEGEPAST TARIEF
Het tarief dat een WTO lid in praktijk hanteert. Dit tarief
kan in principe niet boven het in de WTO gebonden tarief
liggen.
VOORZORGSPRINCIPE
Daar waar ernstige of onomkeerbare schade dreigt, dient
het ontbreken van volledige wetenschappelijke zekerheid
niet als argument te worden gebruikt voor het uitstellen
van kosteneffectieve maatregelen om milieuaantasting te
voorkomen.
WAIVER
Afspraak binnen de WTO waardoor WTO leden kunnen afwijken
van de bestaande akkoorden. Een waiver is gelimiteerd in
tijd.
9. Nadere publicatiegegevens
Op weg naar een duurzaam resultaat in Hong Kong is een publicatie
van de Coalitie voor Eerlijke Handel (mei 2005).
Als .pdf-bestand te downloaden vanaf: http://www.coalitievooreerlijkehandel.nl
Correspondentieadres Coalitie voor Eerlijke Handel:
Nieuwe Herengracht 29
1011 RL Amsterdam
e-mail: znf@xs4all.nl
|