WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
A) Van de G8 naar Hong Kong: hulp voor handel
(door Roeline Knottnerus en Tuur Elzinga [1])
Van 6 tot en met 8 juli waren in het Schotse Gleneagles
de leiders van de G8 bijeen. Meest in het oog springende
agendapunt van deze top: het uitbannen van armoede, speciaal
in Afrika. Het meest besproken middel daartoe is naast schuldverlichting
het bevorderen van handel binnen de zogenaamde Doha Ontwikkelingsronde
van de Wereldhandelsorganisatie. Daarmee zouden miljoenen
mensen zich aan de armoede kunnen ontworstelen. Dus mogen
daar onder het motto 'Aid for Trade', oftewel 'hulp voor
handel' zelfs de ontwikkelingshulpbudgetten voor worden
ingezet. Ook het Nederlandse ministerie van Buitenlandse
Zaken propageert dit. Maar als we door de PR heen kijken,
wiens ontwikkeling is daar dan eigenlijk mee gediend?
Op papier klinkt het allemaal heel mooi: de schulden van
achttien van de armste landen worden kwijtgescholden, vanaf
2010 wordt de hulp aan Afrika verdubbeld, op termijn gaan
ook de ontwikkelingsbudgetten van de G8-landen omhoog en
er komt meer uitzicht op eerlijke handel.
Dit wordt alom geprezen als een eerste, maar belangrijke
stap voorwaarts, zij het met enige kanttekeningen. De internationale
norm van 0,7% van het BNP voor ontwikkelingshulp wordt ook
na deze verdubbeling door de meeste G8-landen bij lange
na nog niet gehaald. Er zijn geen concrete afspraken gemaakt
voor het afbouwen van de Westerse landbouwsubsidies die
de landbouw in ontwikkelingslanden zoveel schade toebrengen.
En daarnaast is er de kritiek dat niet de schulden van álle
38 arme landen zijn kwijtgescholden, terwijl deze aan renteaflossingen
in de loop der jaren al veel meer hebben terugbetaald dan
ze ooit hadden geleend.
Maar er zijn veel meer reserves op hun plaats. De G8 komt
met schijnoplossingen, die niets veranderen aan de scheve
machtsverhoudingen in de wereld. Zo is er nog niets veranderd
aan het feit dat de kwijtschelding van schulden nog altijd
wordt gekoppeld aan economische condities die nationale
armoedebestrijdingsprogrammas ondermijnen. Ontwikkelingslanden
krijgen nog altijd geen rechtstreekse zeggenschap over hun
eigen economische ontwikkeling. Alle mooie woorden ten spijt,
lijkt het beleid van de G8 er voornamelijk op gericht mondiaal
de spelregels te dicteren om de eigen economische groei
veilig te stellen. Dat blijkt ook uit de verklaring van
de G8 over de wereldeconomie. Daarin wordt onomwonden gesteld
dat de "verantwoordelijkheid om de groei van onze eigen
economieën te bewaken en te bevorderen" voorop
staat.
Markten 'ontwikkelen'
De hernieuwde belangstelling voor ontwikkelingslanden houdt
daarmee nauw verband. De ontwikkelde landen zijn er vooral
op uit de markten van die landen te ontwikkelen ten behoeve
van hun eigen transnationaal opererende bedrijfsleven. Een
van de beste bewijzen daarvoor is dat landen die in aanmerking
willen komen voor het kwijtschelden van schulden nog altijd
eerst het zogenaamde HIPC-programma moeten doorlopen, waarbij
zij moeten voldoen aan door ontwikkelde landen en de internationale
financiële instellingen opgelegde voorwaarden voor
een meer open en geliberaliseerde economie met een stabiel
investeringsklimaat voor buitenlandse investeerders. 'Good
governance' - goed bestuur - is daarbij het nieuwe sleutelwoord.
Naar buiten toe, wordt daarbij de nadruk gelegd op het bestrijden
van corruptie. Dat doet het immers goed in de publieke opinie.
Maar dit verhult dat 'goed bestuur' vooral wordt ingevuld
met deregulering, liberalisering en privatisering. Het structurele
aanpassingsbeleid van het IMF, met zijn dictaat van terugdringing
van de overheid, meer markt en meer investeringszekerheid
voor Westerse multinationals blijft onverminderd van kracht
voor wie voor schuldverlichting in aanmerking wil komen.
Voor de goede verstaander is het pijnlijk duidelijk dat
het niet de ontwikkeling van Afrika/de armste landen is
die voor de G8 voorop staat. Zo staat in een van de verklaringen
van de G8 letterlijk te lezen dat, omwille van de mondiale
economische stabiliteit, de krapte op de oliemarkt bestreden
moet worden. Het middel: "Olieproducerende landen dienen
te zorgen voor open markten met transparant zakelijk klimaat
en stabiele regelgeving voor investeringen in de oliesector,
waaronder betere mogelijkheden voor buitenlandse investeerders."
Met andere woorden: de olieproducerende landen moeten het
transnationale bedrijfsleven betere mogelijkheden bieden
om hun greep op de oliemarkten te versterken. Wiens belangen
daarmee zijn gediend, behoeft geen nadere uitleg.
Dat geldt ook voor het inzetten van ontwikkelingshulpgelden
voor het bevorderen van handel. Handel is, volgens oud vertrouwd
neoliberaal recept, nog altijd vrijhandel, ongehinderd door
belemmerende regelgeving. Het neoliberale model
schrijft voor dat de sturende rol van de overheid in de
economie wordt beperkt. Tegelijkertijd vermindert het inzetten
van ontwikkelingsbudgetten voor het versterken van de economische
infrastructuur in het belang van het (inter)nationale bedrijfsleven/buitenlandse
investeerders, zoals nu ook in Nederland wordt bepleit,
de middelen die beschikbaar zijn voor het versterken van
cruciale sociale voorzieningen als onderwijs, schoon drinkwater
en een goede en toegankelijke gezondheidszorg in ontwikkelingslanden.
De ontwikkelingslanden in Afrika en elders zijn het meest
gediend met onvoorwaardelijke schuldkwijtschelding. Dat
zou hen de zo noodzakelijke vrijheid en de flexibiliteit
verschaffen om eigen oplossingen te zoeken. De G8 gunt hen
ook nu weer die vrijheid niet. "Wij zullen onze hulp
richten op de landen met de laagste inkomens, die zich inzetten
voor het bevorderen van groei en het terugdringen van armoede,
voor democratisch, verantwoordelijk en transparant bestuur,
en een gezond beheer van de publieke middelen," zo
staat te lezen in hun slotverklaring. De IMF-criteria zijn
en blijven ook hier de maatstaf en welbegrepen eigenbelang
de drijvende kracht.
Vrijhandel: eerlijke handel?
De G8 heeft op succesvolle wijze de leus voor 'eerlijke
handel' naar hun hand gezet. Door co-optatie van een groot
deel van de 'protestbeweging', kan zij nu vrijelijk de ontwikkeling
van handel propageren als dé oplossing voor de problemen
van arme landen. Zo is het haar zelfs gelukt om vijf van
de toonaangevende ontwikkelingslanden die in Cancún
nog met succes een blok wisten te vormen om de vrijhandelsambities
van de ontwikkelde landen een halt toe te roepen, voor dat
karretje te spannen. Brazilië, Zuid-Afrika, Mexico,
India en China hebben zich in Gleneagles gecommitteerd aan
een nieuwe politieke impuls voor de zogenaamde Doha- ontwikkelingsronde.
In Hong Kong, waar de Wereldhandelsorganisatie in december
bijeen komt, moeten de contouren van een overeenkomst duidelijk
zijn. De Britse minister-president Blair verklaarde na afloop
van de G8: "Wij waren het er in Gleneagles allemaal
over eens dat het voor mondiale groei en het bestrijden
van armoede van cruciaal belang is dat er echte vooruitgang
wordt geboekt op het forceren van een doorbraak in de Doha-onderhandelingen.
Ik ben van mening dat we de handelsbesprekingen nu met hernieuwd
politiek elan kunnen voortzetten."
Dat vrijhandel de arme landen in feite juist verder van
huis helpt, mocht uit eerder onderzoek al duidelijk zijn.
Twee recente onderzoeken van Egor Kraev en de Britse NGO
Christian Aid [2] tonen op basis van cijfers van Wereldbank
en IMF de schade van handelsliberalisering aan voor respectievelijk
32 van deze armste landen, en voor alle Afrikaanse landen
beneden de Sahara over de laatste kwart eeuw. Christian
Aid tekent daarbij aan dat zonder liberalisering de betreffende
landen al hun externe schulden hadden kunnen afbetalen,
en dat er dan nog voldoende geld was overgebleven om alle
kinderen te vaccineren en naar school te laten gaan!
In feite heeft de G8 in fraaie volzinnen en met lippendienst
aan armoedebestrijding en eerlijke handel slechts de uitgangspunten
van het neoliberale model herbevestigd. De ontwikkelde landen
hebben met succes gehamerd op handel als aanjager voor ontwikkeling.
Dat heeft het uitdragen van commerciële belangen en
het nastreven van de eigen economische ontwikkeling als
groeimotor voor de derde wereld weer meer salonfähig
gemaakt.
In de zogenaamde WTO mini-ministerials, waarvan de meest
recente plaats vond in China, zullen de rijke landen zich
er ongetwijfeld weer zonder enig terughoudendheid voor in
gaan zetten om de markten van ontwikkelingslanden verder
open te breken voor het transnationale bedrijfsleven. De
EU heeft al aangegeven in de WTO-onderhandelingen over de
handel in diensten zogenaamde benchmarks te willen invoeren
om de mate van marktopening die ontwikkelingslanden de (westerse)
dienstenindustrie te bieden hebben te meten en onderling
te vergelijken en daarmee de druk om verder te liberaliseren
op te voeren. Aandacht voor echte ontwikkelingsdoelen -
die meestal in het geheel niet stroken met de commerciële
belangen van het internationale zakenleven - is voorlopig
weer even met succes naar de achtergrond gedrongen.
Noten:
[1] Roeline Knottnerus werkt voor het GATS-platform en Tuur
Elzinga voor XminY Solidariteitsfonds. In het GATS-platform
participeren: ABVA-KABO, Attac-Nederland, Corporate Europe
Observatory (CEO), Landelijke Studentenvakbond (LSVb), Milieudefensie,
Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO),
Transnational Institute (TNI), Wemos Health for All, World
Information Service on Energy (WISE) en XminY Solidariteitsfonds.
[2] "Estimating GDP effects of trade liberalisation
for developing countries," door Egor Kraev, juni 2005
(http://www.christianaid.co.uk/
indepth/506liberalisation/FinalPaper4.pdf) en "The
economics of failure - The real cost of 'free' trade for
countries," door Christian Aid, juni 2005 (http://www.christian-aid.org.uk/indepth/506liberalisation/
Economics of failure.pdf).
Voor een uitgebreider commentaar op deze rapporten, zie
"Liberalisering van de handel werkt averechts"
(elders in deze nieuwsbrief).
WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
B) Verslagen van de G8-protesten
(door Kees Hudig)
Een week vol enerverende gebeurtenissen rond de G8-top
in het Schotse
Gleneagles eindigde in een reuzesisser toen terroristen
in Londen toesloegen in de ochtend van de tweede G8-topdag
en alle aandacht zich daarnaar verplaatste. Ondanks de afschuwelijke
taferelen in Londen, kunnen de actievoerders rond Gleneagles
redelijk tevreden zijn met wat ze bereikt hebben. Nog nooit
eerder hebben de G8-leiders dermate onder vuur gelegen.
Op www.globalinfo.nl zijn dagelijkse verslagen van de
gebeurtenissen rond de G8-top verschenen. Een uitgebreid
artikel met de titel 'Make G8 History'
maakt de balans op: http://www.globalinfo.nl/article/articleview/661/1/1/
WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
C) Klimaat en G8
(door Rob Bleijerveld)
In het artikel "Was the G8 Gr8?" op de spinwatch-website
geeft David Miller [1] aan dat de Make Poverty History campaign
(MPH) niet het optimisme deelt van Bono/Geldof en de media
over het nakomen van beloften over hulp, schuldsanering
en handel door de G8. Volgens hem is er evenmin een NGO
die volhoudt dat er vooruitgang is geboekt op klimaatgebied.
In de aanloop naar de top lekte tot twee keer toe een concept-communiqué
van de G8 uit [2]. Het eerste was verstoken van enige effectieve
aktie met betrekking tot het klimaat, hetgeen betekent dat
dat overgelaten wordt aan de (grote) bedrijven. Vaak wordt
gezegd dat de VS het probleem zijn omdat ze niet het Kyoto-verdrag
willen tekenen, maar in feite wil geen enkele G8-staat iets
steunen anders dan marktgerichte 'oplossingen'. Een ervan
is de handel in CO2. Dit maakt het voor een bedrijf als
BP mogelijk door te gaan met vervuiling in de UK, terwijl
het in Brazilië 'carbon credits' opkoopt via Eucalyptus-aanplant
hetgeen op zijn beurt leidt tot verdere milieuschade en
armoede (vernieling oerbos en verjaging indianen). De andere
'oplossing' is kernenergie...
In het tweede gelekte concept (juni) was volgens de Financial
Times bijna alles dat nog enigszins met aktief beleid van
doen had tussen vierkante haken gezet. Ofwel: zelfs over
die punten werd geen overeenstemming bereikt in de voorbereidingsfase.
Alsof dat nog niet genoeg was, werd in het officiële
slotdocument met betrekking tot klimaatverandering het woord
"bedreiging" vervangen door "uitdaging",
een term die de voorkeur van Bush heeft. Zelfs de zorgvuldig
uitgekozen leiders uit de ontwikkelingswereld, die aanwezig
waren om het geheel te voorzien van enige legitimiteit,
waren er niet blij mee. Volgens de Indiase premier hadden
de genodigden een erg beperkte rol op de bijeenkomst en
liet de G8 de mogelijkheid voorbij gaan om daadwerkelijk
iets te doen met de "uitdaging van de klimaatverandering."
Andere reacties op resultaat G8-top
met betrekking tot klimaatverandering:
- "G8 summit agrees more talk, no action,"
persbericht van Friends of the Earth UK, van 8 juli 2005
(http://www.foe.org.uk/resource/
press_releases/g8_summit_agrees_more_talk_08072005.html)
- "G8 moves a bit on aid and debt, but fails on trade
and climate," door Martin Khor (Third World Network),
van 11 juli 2005 (http://www.twnside.org.sg/title2/twninfo238.htm).
- "G8 condemn Africa to miss Millennium Development
Goals," persbericht van World Development Movement,
van 8 juli 2005 (http://www.wdm.org.uk/news/presrel/current/g82005final.htm).
Noten:
[1] 10 juli 2005 (http://spinwatch.server101.com/modules.php?name=Content&pa=showpage&pid=385)
[2] Zie onder meer de "G8 document leak prepares Greens
for summit failure - Blair's credibility on climate change
in tatters, says Green MEP" (http://cca.movingpages.org/documentleak.htm).
Op deze website ook meer over de klimaatakties tijdens de
G8.
WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
D) "Afschaffing van de WTO!" blijft een legitieme
eis
(vertaling door Renate Ebner [1])
De politieke eis van afschaffing van de WTO of andere
internationale economische instanties lijkt vandaag de dag
volstrekt zinloos of achterhaalde linkse praat. En inderdaad
schiet een visie tekort die het kwaad (=WTO en dergelijke)
als oorzaak van alle ellende beschouwt en daarom met hun
uitroeiing ook de globale machts- en uitbuitingsverhoudingen
ziet afgeschaft. Als de internationale instanties van de
macht maar weg zouden vallen, zouden vooral de landen van
de periferie zich prachtig kunnen ontwikkelen... (Er is
echter bijna niemand die dit betoog afsteekt).
De juiste vraagstelling is: waarvoor staat de WTO (net als
de Wereldbank of het IMF), waarom wordt hun hervorming geëist,
wie eisen dit en hoe? Een progressief standpunt vereist
om te beginnen inzicht in enkele feiten en tegenstrijdigheden.
Ten eerste - en bovenal - komt in WTO, IMF en Wereldbank
nog steeds de neoliberale verbouwing van de maatschappij
tot uitdrukking. Dit betekent dat het sociale handelen wordt
onderworpen aan de wet van internationale concurrentie,
enerzijds, en het berusten in kapitalistische eigendoms-
en productieverhoudingen, anderzijds. De feitelijke nare
gevolgen van de liberalisatie in de landbouw, de textiel-
of gezondheidssector zijn over het algemeen bekend. Bovendien
werd in de afgelopen jaren duidelijk dat deze ontwikkelingen
gepaard gaan met openlijk geweld.
Ten tweede zijn de internationale instanties zelf
handelende partij. De neoliberale structuuraanpassingsprogramma's
van IMF en Wereldbank hebben in de landen van de periferie
een beslissende bijdrage geleverd aan het erdoor drukken
van het neoliberalisme. Als 'kind van de jaren 90' is de
WTO de neoliberale instantie bij uitstek.
Deze neoliberale instanties kampen met een groeiend legitimatieprobleem.
Dit verklaart de recente verschuiving in het beleid van
de Wereldbank naar armoedebestrijding en 'Comprehensive
Development Frameworks' - of bij de WTO naar de zogenaamde
"ontwikkelingsronde".
Ten derde beleven we juist op internationaal vlak
een 're-feodalisring van de politiek'. Dit wil zeggen dat
democratische besluitvorming, transparantie en de politieke
openbaarheid/publieke opinie bijna geheel ontbreken. Het
opgetogen gepraat over netwerken is daarom zinloos zolang
men niet beseft dat de internationalisering van politieke
processen vooral plaats vindt in de grijze gebieden en overwegend
zonder elke transparantie. Goede voorbeelden hiervan zijn
de procedures voor geschillenbeslechting bij de WTO en de
'duimschroevenpraktijken' en onderhandelingen van het 'green
room'-type tijdens ministeriële conferenties van de
WTO.
Voor een juiste inschatting van het vermogen tot politieke
beïnvloeding is nog een ander aspect doorslaggevend:
een filosofie van hervoming dreigt - ten vierde -
in de valkuil te stappen dat de verlichte elites overtuigd
kunnen worden van een noodzakelijke verandering van beleid.
Achter dit geloof zit de zeer krachtige vooronderstelling
dat 'de' politiek het proces van economische globalisering
maatschappelijk dient in te bedden. De vraag is echter:
welke rol speelt de politiek in de meest recente veranderingen?
Ze heeft het neoliberale proces actief aangejaagd. Ook het
handelen van de staat (alsook van het merendeel van de civil
society) blijkt georienteerd op het internationale concurrentievermogen
van de 'eigen' standplaats.
Daarom schiet het dus zwaar tekort om aan de heersende
machten te appelleren om bij de VN ontwikkelingstop een
"nieuw begin te maken" of de "kans te benutten".
De neoliberale regeringen weten immers precies wat ze aan
het doen zijn. 'Ontwikkeling', 'milieubehoud' of 'armoedebestrijding',
ze zijn allemaal goed voor preambules en feestelijke toespraken.
In de kern gaat het echter om het wereldwijd veiligstellen
van de kapitalistische eigendomsorde, het creëren van
veiligheid voor investeringen en planning, en het ontsluiten
van almaar nieuwe terreinen ten bate van het kapitaal. De
kleine boeren in het Zuiden vormen hierbij op zijn best
collateral damage....
De internationale sociale bewegingen blijven succes boeken
met de de-legitimering van de heersende neoliberale en militaristische
globalisering. Ze kunnen hun zinnen erop zetten om de bestaande
machtsverhoudingen te politiseren. Hiervoor is volgens mij
de eis van afschaffing van de WTO (en/of van de Wereldbank
en het IMF) erg geschikt.
Het lijkt in eerste instantie niet realistisch. Toch kunnen
met deze eis bij nader inzien argumenten over de werkwijze
van het internationale systeem worden overgebracht. "Een
andere wereld is mogelijk" - maar dat gaat niet met
WTO, IMF en Wereldbank. Deze machtpolitieke organisaties
staan namelijk voor een type van politiek dat vooronderstelt
dat problemen het beste 'van bovenaf' kunnen worden opgelost.
Dit brengt diegenen in een lastig parket die denken dat
deze organisaties hervormd kunnen worden. Over het veelvuldig
gevierde multilateralisme van de WTO schreef Marita Wiggerthale
in de Frankfurter Rundschau van 30 december 2004: De WTO
vanwege haar multilateralisme ondersteunen "zonder
tevens haar neoliberale basis kritisch te beschouwen, is
kortzichtig en politiek fataal." In vergelijking met
het unilateralisme van de VS gaat de WTO inmiddels inderdaad
bij velen die haar enkele jaren geleden nog fel bekritiseerden
door voor 'het kleinere kwaad.'
Deze organisaties beschikken over materiële macht in
de vorm financiële fondsen of wetgevende bevoegdheid.
Daarnaast zijn ze ook de 'organische intellectuelen' van
het neoliberalisme. Hegemoniale, dit wil zeggen ook door
de overheersten geaccepteerde, verhoudingen moeten continu
worden geconstrueerd. Dit betekent ook het ter kennis nemen
en vertalen van kritiek naar een dynamisch element - echter
alleen ten behoeve en onder handhaving van de bestaande
fundamentele machtsverhoudingen. Zo wordt de telkens geformuleerde
en bedriegelijke hoop van NGO's op hervorming de basis voor
legitimering van WTO & Co. Kennelijk zit immers de 'globale
civil society' aan tafel [2]. Ze klaagt weliswaar maar blijft
hopen, voorstellen doen en uitnodigingen accepteren.
Gezien vanuit een radikaal perspectief op hervorming is
de belangrijkste taak het scheppen van ruimte - ook middels
confrontaties. Zo bezien is de eis van afschaffing van WTO,
IMF en Wereldbank legitiem en belangrijk. In een kritisch
en emancipatief perspectief valt immers van deze organisaties
niets te verwachten. Integendeel. Hun afschaffing kan onderdeel
zijn van het proces waarmee de burgerlijke kapitalistische
heerschappij en haar actueel neoliberale variant ingrijpend
worden veranderd.
Niet alleen de kritiek moet worden geïntensiveerd,
ook de discussie over alternatieven. Hierbij kunnen op emancipatie
gerichte sociale bewegingen echter beter geen blauwdrukken
verzinnen. Evenmin moeten ze op de stoel van de burgelijke
media gaan zitten en zich beperken tot 'realistische' discussies
over de voor- en nadelen van verschillende soorten WTO-beleid.
Waar het wel om gaat is: voorlichting en opheldering verschaffen,
ruimtes voor denken en doen ontsluiten, het zogenaamd onzegbare
formuleren, feiten ook eens provocerend aanscherpen, mensen
overtuigen van de noodzaak van maatschappelijke verandering
en persoonlijk engagement.
Want het debat over de WTO mag niet beperkt blijven tot
de vraag hoe een of ander aspect "erin te lobbyen"
of de constatering dat de vertegenwoordigers van regeringen
"eigenlijk" belang bij duurzaamheid of ontwikkeling
zouden moeten hebben.
Het echte probleem is het geheel van de institutionele structuur
met de daarin gestolde principiële beginselen.
Noten:
[1] Oorspronkelijke titel: "'WTO abschaffen!'
bleibt eine legitime Forderung," in Jungle World nr.
9 van 2 maart 2005 (http://www.jungle-world.com/). Het betreft
delen uit het boek "Gegen-Hegemonie - Perspektiven
globalisierungskritischer Strategien," van Ulrich Brand
(uitgeverij VSA ( http://www.vsa-verlag.de/); ISBN 3-89965-116-2).
Ulrich Brand studeerde Politikwissenschaft en werkt op het
vakgebied Globalisierung und Politiek aan de Universiteit
van Kassel. Is actief in de Bundeskoordination Internationalismus
(BUKO) en lid van de wetensachappelijke raad van Attac Duitsland.
[2] (toevoeging red.) Illustratief is de deelname van Action
Aid and Oxfam aan het Millennium Development Committee dat
toe moet zien op de schuldenverlichting in Nigeria. In:
"Biggest African debt rescue saves Nigeria £17.3bn,"
door Larry Elliott and Patrick Wintour in de Guardian van
1 juli 2005. (http://www.guardian.co.uk/guardianpolitics/
story/0,,1518659,00.html).
WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
E) Liberalisering van de handel werkt averechts
(door Lou Keune)
Veel ontwikkelingslanden zoeken extra financiële
hulp en een regeling voor hun buitenlandse schulden. De
internationale financiële instellingen en de donorlanden
reageren steeds positiever op hun verzoeken (zie de resultaten
van de onlangs gehouden G8 conferentie). Daarbij worden
dan wel voorwaarden gesteld die onder meer inhouden dat
de hulpvragende landen hun internationale handel moeten
liberaliseren: dat wil zeggen het opheffen van tariefmuren
en andere handelsbeperkingen. Nieuw onderzoek toont aan
dat die liberalisering averechts werkt.
Het belangrijkste rapport is van Egor Kraev: "Estimating
GDP effects of trade liberalisation for developing countries"
[1]. Kraev onderzocht welke de effecten zijn van die liberalisering
voor zowel de betalingsbalans als het bruto binnenlands
product (BBP) van de betreffende landen. Het gaat daarbij
om de periode 1975-2001. Hij beperkte zich tot de 'low income
countries' waarover voldoende gegevens beschikbaar zijn
en vond die gegevens bij de Wereldbank en het IMF. In totaal
gaat het om 32 landen. De meeste daarvan zijn in Afrika
gelegen, maar ook betrok hij grote landen als Bangladesh,
India, Indonesië en Pakistan in zijn onderzoek.
Hij keek met name naar de binnenlandse vraaguitval die
zich als gevolg van de liberalisering kan voordoen. Die
liberalisering kan gepaard gaan met een zekere stijging
van de uitvoer, maar leidt ook tot een aanmerkelijk grotere
stijging van de invoer. Daardoor nemen de tekorten op de
handels- en betalingsbalans toe. Maar ook is sprake van
een afnemende vraag naar de binnenlandse producten (goederen
en diensten) vanwege de sterk toegenomen internationale
concurrentie.
Kraev toonde vervolgens aan dat die vraaguitval ernstige
gevolgen heeft. Hij kwantificeerde die gevolgen en kwam
tot de conclusie dat voor alle 32 landen samen het verlies
over die periode bijna 900 miljard US dollar bedraagt (dollarwaarde-niveau
van het jaar 2000). Dat komt voor de afzonderlijke landen
neer op een verlies van tussen de 2% en 18 % van hun BBP.
Het zijn juist de armen die het meest getroffen worden.
De Britse NGO Christian Aid bracht ook in juni een rapport
uit getiteld: The economics of failure - The real
cost of free trade for countries [2].
Dit rapport is gebaseerd op onderzoek van Kraev en geeft
weer hoe handelsliberalisering voor 22 Afrikaanse landen
leidde tot een verlies over diezelfde periode van 170 miljard
US dollar. Christian Aid heeft vervolgens berekend hoe de
verliezen voor alle Afrikaanse landen beneden de Sahara
uitvallen. Dat verlies bedraagt 272 miljard US dollar. Christian
Aid tekent daarbij aan dat zonder die liberalisering de
betreffende landen al hun externe schulden hadden kunnen
afbetalen, en dat dan nog voldoende geld was overgebleven
om alle kinderen te vaccineren en naar school te laten gaan.
Noten:
[1] Kraev is econometrist. Zijn rapport werd op 21 juni
2005 uitgebracht en is te vinden op: http://www.christianaid.co.uk/indepth/
506liberalisation/FinalPaper4.pdf.
[2] "The economics of failure - The real cost of 'free'
trade for countries," door Christian Aid (http://www.christian-aid.org.uk/
indepth/506liberalisation/Economics of failure.pdf).
WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
F) De rol van supermarktketens bij het ondergraven van
duurzame landbouw
(vertaald en bewerkt door Kees Hudig)
Onderzoek naar de groeiende macht van supermarktketens
in de verkoop van voedsel toont een belangrijke herstrukturering
van de voedselvoorziening in de wereld, en een verslechterende
positie van boeren en ontwikkelingslanden. Verdere liberalisering
en het uitfaseren van subsidies kan zelfs leiden tot het
vrijelijk afschuimen van de wereld naar zo goedkoop mogelijke
producten door de dominante agro-bedrijven en supermarkten.
Een van de terreinen waar het Nederlandse ministerie van
Economische Zaken zich druk om maakt als het gaat om internationaal
handelsbeleid, is vrije markttoegang voor supermarktketens.
Wat de effecten zijn van het groeiende marktaandeel van
supermarkten op de lokale voedsel- en arbeidssituatie in
arme landen, is lang onduidelijk gebleven. Veelal wordt
geredeneerd dat het toch niet uitmaakt of een kilo bonen
nu verkocht wordt vanuit een stalletje op straat, een buurtwinkeltje
of vanuit een supermarkt. De vrijhandelsadepten gooien er
soms nog een schepje bovenop door te beweren dat arbeidsomstandigheden
en de veiligheid van het voedsel beter gegarandeerd zouden
zijn bij een multinational dan in de informele sector.
SOMO (Stichting onderzoek Multinationale Ondernemingen)
heeft begin dit jaar het resultaat van een onderzoek gepubliceerd
naar het groeiende marktaandeel van supermarkten in ontwikkelingslanden,
onder de titel "The Challenge of the Role of Supermarkets
for Sustainable Agriculture and Trade Related Issues"
[1]
SOMO komt tot verontrustende conclusies. Volgens het rapport
zien we momenteel een ingrijpende hervorming van het landbouw-
en voedselpatroon, doordat supermarkten leidinggevend zijn
geworden bij de verkoop van agrarische producten. De invloed
van de supermarktketens strekt zich door de gehele productieketen
tot en met de boer zelf. Supermarktketens vergroten hun
invloed (op de prijs en productieomstandigheden) ten koste
van producenten en tussenhandelaren. SOMO merkt op dat dit
niet alleen invloed heeft op het inkomen van boeren en handelaren
in ontwikkelingslanden, maar ook op de mogelijkheden van
ontwikkelingslanden om de markt van geïndustrialiseerde
landen te betreden. In rijke landen nemen supermarkten soms
zelfs tot 83 procent van de verkoop van voedsel voor hun
rekeningen (dit is het geval in Nederland in 2003, in 1995
was het nog 77 procent).
Het aandeel van supermarktketens in ontwikkelingslanden
groeit gestaag, ook voor verse vruchten en groentes. Het
verschilt per regio; in Latijns Amerika gaan de ontwikkelingen
het snelst. Door de golf aan fusies en overnames van de
laatste tijd, is het aantal supermarktketens in bijna alle
landen juist teruggelopen. In de meeste rijke landen domineren
vier a vijf ketens het grootste deel van de
markt. In armere landen is de diversiteit vooralsnog groter,
maar in Latijns-Amerika bestaat tussen de 60 en 80 procent
van de vijf leidende supermarkten uit mondiaal opererende
multinationals zoals Wal-Mart.
Koopkracht van Supermarkten
Door deze ontwikkeling hebben boeren en andere voedselproducenten
steeds minder macht als het gaat om de verkoop van hun producten.
De supermarkten kunnen hun allesoverheersende positie op
de markt misbruiken om de prijs te drukken en allerlei eisen
te stellen. Voor veel boeren is tegelijkertijd de supermarkt
hun enige verkoopkanaal geworden waardoor ze soms gedwongen
zijn om te leveren tegen onacceptabel lage prijzen. De marges
die supermarkten rekenen voor de verkoop van verswaren,
zijn daarentegen vaak extreem groot. Daar komt bij dat veel
kleine boeren vaak niet georganiseerd zijn, waardoor ze
geen tegenwicht kunnen bieden.
Een verschuiving die ook te zien is, is dat supermarktbedrijven
als het gaat om import vaak buiten de groothandel om zaken
doen met leveranciers die in staat zijn om grote hoeveelheden
te leveren van uniforme kwaliteit. In de praktijk betekent
dit vaak dat ze alleen nog handel drijven met grote landbouwproducenten,
de bio-industrie in de derde wereld. Kleinere boeren worden
op deze manier in toenemende mate verdrongen.
Een bijkomend probleem is dat supermarkten in toenemende
mate de lat verhogen van de veiligheidseisen van het door
hen verkochte voedsel. Zo heeft een aantal supermarkten
gezamenlijk de EUREPGAP standaard ontwikkeld om de veiligheid
te controleren. Kleine producenten moeten hoge kosten maken
om aan al die eisen te voldoen, maar maken ook onevenredig
hoge kosten om alleen al aan te tonen dat hun producten
daaraan voldoen [2]. Merkwaardig genoeg worden er bij een
standaard als EUREPGAP geen harde eisen of controlemechanismen
ingesteld voor arbeidsomstandigheden of inkoopsprijzen.
Volgens SOMO zouden supermarktketens bereid moeten zijn
om dergelijke kosten door te berekenen in de inkoopsprijs,
en ook een garantie voor afname te geven. Nu dat allemaal
niet gebeurt, is het resultaat dat de arbeidsomstandigheden
verslechteren (laag loon, lange werktijden) op boerderijen
die voor de export produceren. Daarbij staan vrouwen meestal
helemaal onderaan de ladder.
Verder signaleert SOMO dat er vormen van corruptie binnensluipen
die vroeger niet bestonden. Producenten moeten bijvoorbeeld
soms betalen om op de lijst te kunnen komen van leveranciers
of om mee te kunnen doen aan reclamecampagnes. Soms wordt
van producenten ook geëist dat ze een toelage betalen
op de verkoop van hun producten in de winkel. Een nieuwe
ontwikkeling is dat supermarkten hun eigen merken opzetten,
en daarmee aangeleverde producten van concurrenten uit de
markt prijzen. Hierdoor kunnen boeren weer aan invloed verliezen,
omdat ze vaak meer te zeggen hadden in de aanvankelijke
keten.
Verband met handel
De groei van internationaal opererende supermarkten heeft
nog een effect. Hoewel het overgrote deel van de consumptie
van verse groente en fruit in arme landen nog van lokale
teelt stamt, zien supermarkten toenemend kans om desgewenst
lokale waren te vervangen door goedkopere import. Op dit
moment wordt nog maar 5 procent van de verse producten internationaal
verhandeld, maar dat aandeel groeit snel, het snelst van
alle landbouwproducten zelfs. Zo zie je bijvoorbeeld ook
in Afrikaanse landen steeds meer supermarkten ultra lang
houdbare melk verkopen, die vaak geïmporteerd is, in
plaats van lokale verse melk.
Binnen de GATS-onderhandelingen in de WTO - het verdrag
over de liberalisering van de handel in diensten - staat
ook het onderwerp van de markttoegang voor buitenlandse
supermarkten op de agenda. De discussie hierover wordt niet
in de onderhandelingen over landbouw binnen de WTO
gevoerd. SOMO adviseert WTO-leden die zich zorgen maken
over de schadelijk effecten van de supermarkt-'boom', om
op dat gebied geen verplichtingen aan te gaan binnen de
GATS-onderhandelingen. Ook zonder dat verdrag kunnen westerse
supermarkten lucratieve markten in het Zuiden overnemen.
Maar het verschil is dat bij GATS de overheden geen maatregelen
meer zouden kunnen treffen als ze tot het inzicht komen
dat de schadelijke bijeffecten van een buitenlandse invasie
te groot zijn.
Het rapport van SOMO merkt op dat er naast de groeiende
macht en invloed van supermarktketens ook sprake is van
een sterke concentratie van macht is bij een paar multinationals
die de handel en verwerking domineren van bepaalde basis
landbouwproducten. Zo wordt geschat dat drie multinationals,
Cargill, ADM en Bunge, 90 procent van de wereldhandel in
graan in handen hebben. "Veel deskundigen concluderen
dat landbouw meer en meer aangestuurd wordt door multinationale
bedrijven."
De paradox doet zich dus voor dat binnen de WTO aangestuurd
wordt op wereldwijde liberalisering van landbouw, terwijl
de wereldmarkt in landbouwproducten zodanig ingericht en
verdeeld is dat er geen sprake zal kunnen zijn van enige
vrije markt. Onder deze omstandigheden zou verdere liberalisering
en het uitfaseren van subsidies wel eens kunnen betekenen
dat de dominante bedrijven en supermarkten vrijelijk de
wereld af kunnen schuimen naar zo goedkoop mogelijke producten.
Uitdagingen
Ondanks de onheilspellende vooruitzichten, ziet SOMO in
het rapport de situatie vooral als een uitdaging. Een reeks
noodzakelijke maatregelen wordt genoemd. Zoals de noodzaak
voor het ontwikkelen van "instrumenten om in te zetten
tegen wanbeleid op het gebied van inkoopkracht." Verder
moet er een oplossing gevonden worden voor de standaarden
die door het bedrijfsleven zelf ingesteld worden en die
onder de dekmantel van 'verantwoord ondernemen' de kleine
producenten dwars zitten. Consumenten van supermarktketens
in de rijke landen moeten ook beter geïnformeerd worden
over de praktijk van het bedrijf waar ze klant bij zijn.
Er moet een eind komen aan het gebrek aan informatie en
transparantie over de handel en wandel van multinationale
bedrijven bij hun inkoopbeleid. Verder wijst het rapport
op het feit dat supermarktketens ook druk bezig zijn om
de verwerkers van biologische landbouwproducten op te kopen.
Als voorbeeld wordt genoemd dat Unilever het biologische
ijsmerk Ben & Jerry's heeft gekocht. Het gevaar bestaat
dat multinationals hierdoor in de toekomst ook de handel
in biologische voedingsmiddelen zullen gaan beheersen.
Noot:
[1] Het rapport is geschreven door Myriam Vander Stichele
en is te vinden op: http://www.wervel.be/EN/dossiers/fm_200502/fm_200502-0303.htm
[2] Eind juni werd bij het WTO Committee voor Sanitary and
Phytosanitary Measures een klacht ingediend door St Vincent
en de Grenadines tegen de 'EurepGAP'-standaarden in verband
met hun bananenexport. Deze standaarden zouden stringenter
zijn dan de eisen die de Europese lidstaten opleggen. Volgens
artikel 13 van het SPS-akkoord zou de EU hiertegen maatregelen
moeten nemen. In een eerste reactie zegt de EU echter dat
klachten gericht moeten worden aan de bedrijven in kwestie.
(bron: "SPS CTTE considers private sector standards;
struggle continue with S&D," Bridges Weekly Trade
News Digest, Vol 9, Nr 24 van 6 juli 2005 (http://www.ictsd.org/weekly/
05-07-06/story3.htm)
WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
G) Afrikaanse landen vragen om lonende grondstofprijzen
(door Chris Peeters)
Een groep Afrikaanse landen [1] pleit in een discussiebijdrage
[2] aan het Committee for Trade and Development van de WTO
voor stabiele, lonende grondstoffenprijzen. De Afrikaanse
landen die afhankelijk zijn van export van grondstoffen,
zijn het slachtoffer van de voortdurende dalende en sterk
wisselende grondstoffenprijzen.
De groep Afrikaanse landen wil dat de WTO-onderhandelingsgroepen
over landbouw en NAMA [3] hun voorstellen in behandeling
nemen [4]. Ze stellen voor om de problemen op het terrein
van grondstoffen stuk voor stuk aan te pakken, in plaats
van te streven naar een standaardafspraak over tariefvermindering.
De landen pleiten voor een ruimhartige benadering van verzoeken
gericht op lagere importtarieven door ontwikkelde landen,
versnelde afbraak van exportsubsidies en andere handelsverstorende
subsidies en financiële compensaties zolang die subsidies
niet zijn afgebouwd.
Aanbodmanagement
De meestal aangedragen oplossingen voor het verminderen
van de afhankelijkheid van traditionele grondstoffen [5]
blijken maar zeer beperkt succesvol. Dat maakt lonende grondstofprijzen
nog belangrijker. De bijdrage pleit daarom voor aanbodmanagement
om de systematische overproductie van grondstoffen aan te
pakken. Het aanbod van grondstoffen wordt immers moeizaam
aangepast aan prijs- en vraagontwikkelingen en de markt
biedt daarvoor geen goede methode. De producerende landen
moeten onderling daarover afspraken maken, maar de WTO moet
voldoende flexibiliteit in overeenkomsten inbouwen om zulke
afspraken mogelijk te maken [6].
De notitie vraagt aandacht voor de enorme overmacht van
een paar grote multinationale ondernemingen, waardoor die
er in slagen een steeds groter deel van de winstmarges in
de grondstoffenhandel in handen te krijgen; de producenten
krijgen een steeds kleiner deel van de uiteindelijke verkoopsprijs.
Een regelmatig overleg in WTO-verband per grondstof, waarbij
ook de private partijen betrokken zijn, is daarom wenselijk.
Een recent rapport van OECD en FAO [7] geeft aan hoe urgent
het probleem is. De schrijvers verwachten dat de prijzen
van de meeste agrarische grondstoffen de komende jaren nog
zullen dalen, door een scherpere concurrentie tussen de
producenten, omdat de ontwikkelingslanden meer exporteren.
Vooral giganten als Brazilië en Argentinië zullen
profiteren, terwijl Afrika verder achterop dreigt te raken.
De Afrikaanse voedselimport zal enorm stijgen, waardoor
de voedselafhankelijkheid nog groter wordt, vooral onder
de minst ontwikkelde landen.
Het rapport schetst echter geen hoopvol vooruitzicht voor
Afrika. In de NRC van 2 juli geeft ontwikkelingsdeskundige
van Buitenlandse Zaken Ferdinand van Dam aan wat er zou
moeten gebeuren [8]: zet een hoge (tarief-)muur rond Afrika.
Bouw daarbinnen de onderlinge tariefmuren af, waardoor een
grote Afrikaanse markt kan ontstaan.
En - voeg ik daar aan toe - ken Afrikaanse landen exportquota
toe tegen lonende prijzen, zodat ze de noodzakelijke importen
kunnen betalen.
Maar dan zou niet handel, maar ontwikkeling centraal moeten
staan binnen de WTO. En dat is waarschijnlijk te veel gevraagd.
Noten:
[1] Ivoorkust, Kenia, Rwanda, Tanzania, Uganda en Zimbabwe.
[2] Zie: http://www.tradeobservatory.org/library.cfm?refid=73146
[3] NAMA= non-agrarian market access; de NAMA-werkgroep
bespreekt in het kader van de lopende WTO-onderhandelingsronde
de formule voor het bepalen van de af te spreken vermindering
van importtarieven voor industriële goederen.
[4] In de WTO-afspraken van juli 2004 is opgenomen dat "de
specifieke handels- en ontwikkelingsbehoeften en belangen
van ontwikkelingslanden speciale aandacht zullen krijgen,
onder andere met betrekking tot grondstoffen, gericht op
stabiele, rechtvaardige en lonende prijzen."
[5] Horizontale en verticale diversificatie (dat wil zeggen
het overschakelen op meer lonende grondstoffen en de verdere
bewerking ervan) en meer nadruk op dienstenexport.
[6) Aanbodregulering kan immers als een belemmering van
de vrije markt worden gezien. Een goed recent overzicht
van de grondstoffenproblematiek en de benaderingen gericht
op aanbodregulering daarbinnen is "Conspiracy of silence:
old and new directions on commodities", door Duncan
Green (Oxfam 2005). Zie: http://www.oxfam.org.uk/what_we_do/issues/trade/downloads/
conspiracy_of_silence_conference_paper.pdf
7. "Agricultural Outlook 2005-2014", zie: http://www.oecd.org/dataoecd/32/51/35018726.pdf
[8] "Vrijhandel berokkent Afrika alleen maar schade,"
door Ferdinand van Dam, in NRC van 2 juli 2005.
WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
H) Een einde aan de misverstanden in het EU-landbouwdebat
(door Guus Geurts [1])
De G8-top, de voorgestelde hervormingen van het Europese
suikerbeleid, en Blair's plannen om flink te snoeien in
het EU-landbouwbudget hebben geleid tot een hernieuwd debat
over het EU-landbouwbeleid in de Nederlandse media. In het
debat domineren de dogmatische voorstanders van een vrije
markt-theorie; slechts een enkeling weet geluiden uit de
weerbarstige praktijk te laten doorklinken. De lachende
derden zijn de zwijgende multinationals. Hun werk is immers
al gedaan door hun duizenden lobbyisten in Brussel en Washington,
en ze horen de meeste politici [2] en deskundigen precies
dat zeggen wat in hun straatje past.
Gelukkig komen er ook geluiden uit het Zuiden, zoals van
West-Afrikaanse (kleine) boerenorganisaties - verenigd in
het ROPPA-netwerk - die vooral bescherming van hun eigen
markt willen in plaats van concurrentie op een geliberaliseerde
wereldmarkt [3]. Ik wil in dit artikel betogen dat protectiemaatregelen
goed zijn voor zowel de Afrikaanse als de Europese boeren,
en dat zulke maatregelen de afschaffing van de meeste landbouwsubsidies
mogelijk maakt. Maar dan moeten we eerst afrekenen met enkele
hardnekkige misverstanden die het debat kenmerken.
Subsidies en overproductie
Het eerste misverstand is dat kleine en middelgrote Europese
boeren zouden profiteren van subsidies. In de kostendekkende
prijzen die Europese boeren - vóór de eerste
landbouwhervormingen van 1992 - kregen voor hun grondgebonden
producten [4] werd voorzien door importheffingen die gekoppeld
zijn aan garantieprijzen. Het voorkwam dat de boeren gedwongen
waren te overleven op basis van de volstrekt ontoereikende
wereldmarktprijzen. Ook de meeste boeren in ontwikkelingslanden
kunnen overigens niet voor deze prijzen produceren. De importheffingen
en garantieprijzen zijn echter geen subsidies omdat het
hier niet om betalingen door de Europese Unie aan een bedrijf
gaat. Toch worden ze vaak - en onterecht - meegeteld als
subsidie. Ter vergelijking: het verschil in loon tussen
dat van een Europese en een Afrikaanse arbeider wordt ook
niet als subsidie gerekend.
In tegenstelling tot wat algemeen gedacht wordt, ontvingen
Europese boeren onder het 'oude' (nu nog van kracht zijnde)
suikerbeleid nog nooit een dubbeltje subsidie vanuit Brussel!
De exportsubsidies die nu in het geding zijn, leidden echter
wel tot dumping van overschotten op de wereldmarkt. Voor
zover het in de Europa geteelde suiker betrof, werden deze
exportsubsidies middels heffingen opgebracht door de telers
en de industrie zelf. Voor zover het door Europa geïmporteerde,
onverwerkte suiker uit ACP-landen (de voormalige koloniën)
betrof, was er sprake van Europese subsidies.
Het probleem is dus overproductie, niet een hoge garantieprijs.
De recente hervormingsvoorstellen voor suiker voorzien echter
in een prijsverlaging met 39 procent. Ter compensatie krijgen
boeren inkomenssubsidies, ter waarde van 60 procent van
deze prijsdaling. Dus in plaats van géén subsidies
krijgen de boeren nu wél subsidies.
Dezelfde truc haalde de EU al uit bij prijsverlagingen
voor graan, rundvlees en melk, en de daaraan gekoppelde
omzetting van exportsubsidies in inkomenssubsidies. Overeenkomstig
de belangen van de machtige handelsblokken VS en EU, wordt
in de onderhandelingen bij de Wereldhandelsorganisatie WTO
aangestuurd op eenzelfde omzetting. De overproductie in
de EU en de VS wordt overigens niet aangepakt: de dumping
op markten in ontwikkelingslanden gaat dus gewoon door.
Dit betekent dat het overgrote deel van deze boeren dat
voor de eigen markt produceert, van die markt gedrukt wordt.
Omdat de prijsdaling slechts gedeeltelijk gecompenseerd
wordt, gaan ook de boereninkomens in Europa drastisch achteruit.
De kleinste familiebedrijven vallen als eerste af, maar
de gehele akkerbouwsector staat onder druk omdat suiker
het laatste product was waarvoor men nog een kostendekkende
prijs kon ontvangen. Dit noemt men noodzakelijke hervormingen
die ten goede zouden komen aan arme boeren in ontwikkelingslanden.
Om de burger te misleiden, wordt nu door de EU en minister
Veerman verteld dat de subsidies ontkoppeld zijn van de
(over)productie, en goed zijn voor milieu, natuur en platteland.
Maar hoe kunnen boeren meer rekening gaan houden met milieu,
natuur en platteland, terwijl hun inkomens dalen? Dit zal
juist leiden tot meer schaalvergroting en nadelen op genoemde
gebieden.
De consument in Europa profiteert overigens vrijwel niet
van deze prijsdaling, zoals bleek uit de eerdere hervormingen
op gebied van graan- en rundvlees-productie. Maar wie dan
wel? Het is de geconcentreerde marktmacht die zich bevindt
tussen boer en consument: namelijk de multinationals in
(detail-)handel, verwerkings-, en voedingsmiddelenindustrie.
Hun doel is het zo goedkoop mogelijk inkopen van grondstoffen
over de hele wereld, en het openbreken van lokale en nationale
markten die eerder door lokale boeren voorzien werden. Op
deze manier worden boeren in een Noord en Zuid in een concurrentiepositie
gedwongen, ten bate van de winst van deze multinationals.
Handelsliberalisering vs. marktbescherming
Een tweede misverstand is dat handelsliberalisering voor
alle boeren gunstig uitpakt mits iedereen exporteert op
een geliberaliseerde wereldmarkt. Een miskenning van het
feit dat het overgrote deel van de kleine en middelgrote
boeren in Noord en Zuid nu produceert voor de eigen lokale,
nationale markt of EU-markt en de concurrentie op de wereldmarkt
niet aan kan. Ze hebben vooral baat bij de bescherming van
hun eigen lokale, nationale en regionale markten (maximaal
ter grote van de EU). Tevens moet het productieniveau op
deze markten in het algemeen worden beheerst en afgestemd
op de consumptie. Alleen dan kunnen de boeren een kostendekkende
prijs ontvangen voor een product dat aan alle sociale- en
milieueisen voldoet.
De veronderstelling dat handelsliberalisering boeren in
ontwikkelingslanden bovendien uit de armoede kan helpen,
gaat evenmin op. Bescherming van de 'eigen' markten is voor
hen zelfs de enige oplossing, omdat hun regeringen geen
geld hebben om hen financieel te steunen. En juist deze
marktbescherming wordt door maatregelen van WTO, Wereldbank
en IMF in toenemende mate afgebroken. Deze drie supranationale
organisaties preken het mantra van de markttoegang tot het
Noorden en richten zich daarmee op nog meer inzet van schaarse
hulpbronnen in ontwikkelingslanden ten behoeve van onze
(luxe)consumptie. Ze 'vergeten' echter voor het gemak dat
slechts de meest efficiënte bedrijven, zoals suikerplantages
in Brazilië, tegen wereldmarktprijzen kunnen produceren.
Dit gaat vaak gepaard met slavernijachtige toestanden en
voortgaande vernietiging van de laatste oerbossen. Onder
dezelfde omstandigheden wordt ons veevoer geproduceerd,
mogelijk gemaakt door tariefvrije import in de Europese
Unie. Onderwijl worden kleine boeren in Brazilië die
hun eigen voedsel willen produceren van hun grondgebied
verjaagd door de gewapende milities van de plantagehouders.
Mensen als Dr. Kol (econoom aan de Erasmus-universiteit)
betogen dat de WTO of de VN met deze wantoestanden zullen
afrekenen [5]. Een misvatting! Het zijn juist de zwakke
milieu- en sociale verdragen van de VN die het afleggen
tegen de vrijhandelsverdragen van de WTO. Alleen deze laatste
heeft namelijk de mogelijkheid om landen sancties op te
leggen.
Landbouw tóch anders
De derde misvatting die ik hier wil rechtzetten is dat
landbouw te vergelijken is met elke andere economische sector.
Kol, Kuijpers en Visser [6] betogen dan ook dat liberalisering
van de landbouw alleen maar tot voordelen leidt voor consument
en belastingbetaler, en dat het economische groei en werkgelegenheid
oplevert.
Landbouw is wel degelijk een aparte economische sector en
kan daardoor niet aan de vrije markt worden overgelaten.
Door de sector wordt namelijk een basisbehoefte geproduceerd,
voedsel, die de overheid een verantwoordelijkheid op gebied
van voedselzekerheid en -veiligheid geeft. Ook gaat landbouw
vaak gepaard met de zorg voor natuur en landschap, hetgeen
een ander maatschappelijk belang vertegenwoordigt. En, met
name in ontwikkelingslanden, is bescherming van de landbouw
van groot belang voor de werkgelegenheid zolang er geen
alternatieven in andere economische sectoren zijn [7]. Verder
zijn er vaak culturele en religieuze aspecten aan de productie
en bereiding van voedsel verbonden. Tenslotte zullen boeren
zowel bij lage als hoge prijzen doorgaan met hun productie
om in ieder geval hun investeringen te kunnen terugverdienen.
Dus een inherente geneigdheid tot overproductie, ook al
omdat de vraag inelastisch is: op een gegeven moment is
de buik vol.
Behalve dat de vrije markt-theorie dus niet zomaar kan
worden toegepast op de landbouw, vergeten vrije markt-dogmatici
ook bepaalde delen van deze theorie op te nemen in hun pleidooien.
Zo zouden alle kosten in de kostprijs moeten worden verwerkt,
dus inclusief milieukosten. Het door hen gepropageerde industriële
landbouwmodel, gericht op export, houdt echter geen rekening
met de uitputting van natuurlijke hulpbronnen (zoet water
en mineralen), de grote bijdrage aan het broeikaseffect
dat gepaard gaat met al het transport, vervuiling met chemicaliën,
en vernietiging van biodiversiteit. De kosten hiervoor worden
afgewenteld op de maatschappij en op toekomstige generaties.
Alternatief
De lopende WTO-onderhandelingen op gebied van landbouw
zouden moeten leiden tot de mogelijkheid voor landen om
hun voedsellandbouw te beschermen. Voor ontwikkelingslanden
biedt de WTO hiervoor in principe de mogelijkheid via de
zogenaamde 'Special Products'. Op vergelijkbare wijze zouden
ontwikkelde landen hun grondgebonden landbouwproducten moeten
kunnen beschermen via de zogenaamde 'Sensitive Products'
onder voorwaarde dat ze hun productie beheersen op eigen
consumptieniveau. Ook dienen alle handelsverstorende export-
en inkomenssubsidies te worden afgeschaft (dit gaat veel
verder dan het huidige EU-aanbod dat spreekt over afschaffing
van alleen exportsubsidies in 2013).
Daarnaast zouden grondstoffenovereenkomsten (buiten de
WTO om) weer op de agenda geplaatst moeten worden voor producten
als koffie, cacao, thee en rubber. De volledig geliberaliseerde
markt voor koffie liet namelijk zien dat niet het gebrek
aan markttoegang tot een crisis onder koffieboeren leidde,
maar het gebrek aan productiebeheersing, waardoor de koffieprijs
in 2003 het historisch laagste niveau bereikte.
Op de gereguleerde EU-suikermarkt is de situatie juist andersom:
de suikerboeren uit ACP-landen krijgen op basis van een
quotumregeling de hoge EU-prijs voor hun export naar de
EU uitbetaald. Hier ligt dan ook de oplossing: een verdere
uitbreiding van deze exportquota naar andere Minst Ontwikkelde
landen met voldoende productiecapaciteit. Dit gaat weliswaar
ten koste van de quota van Europese boeren, maar door het
in stand houden van het hoge prijsniveau kan de akkerbouw
zowel in Europa als in de armste landen behouden blijven.
Tenslotte bereiken we dan een win-win situatie; het landbouwbudget
van de EU kan drastisch ingekrompen worden. Er is alleen
nog geld nodig voor boeren die daadwerkelijk extra inspanningen
plegen op gebied van natuur, landschap en milieu. Dit noemen
we geen subsidies meer, maar betaling voor 'groene dienstverlening',
zoals dit past binnen de vrije-markt-theorie.
Noten:
[1] Guus Geurts is milieukundige en namens XminY Solidariteitsfonds
betrokken bij het Platform Aarde Boer Consument en de Coalitie
voor Eerlijke Handel (een samenwerkingsverband van ontwikkelings-,
milieu-, boeren- en consumentenorganisaties die zich bezighouden
met de WTO). Contact: guusgeurts@yahoo.com; http://www.guusgeurts.nl
[2] Bijvoorbeeld in "Aanpassen landbouwbeleid kan niet
meer wachten," door Douma en Samson, in de Volkskrant
van 13 juli 2005.
[3] Roppa staat voor Réseau des Organisations Paysannes
et des Producteurs Agricoles de lAfrique de lOuest.
Voor een (in het Engels vertaald) artikel van de organisatie
over het internationale handelsbeleid met betrekking tot
landbouw, armoedebestrijding en G8, zie: http://www.globalinfo.nl/article/view/648.
[4] Akkerbouw, melk- en rundveehouderij.
[5] In de KRO-radiouitzending "1 op de middag"
van 28 juni 2005 (http://www.radio1.nl); en in "Stop
bescherming EU-suikersector," door Kol en Kuijpers,
in de NRC van 5 juli 2005.
[6] "Stop bescherming EU-suikersector," door Kol
en Kuijpers, in de NRC van 5 juli 2005; en "Behandel
suiker als een gewoon product," door Visser, in de
NRC van 5 juli 2005.
[7] Daarbij worden mogelijkheden voor werkgelegenheid in
andere economische sectoren, zoals de industrie verder onmogelijk
gemaakt door het NAMA-verdrag. De huidige voorstellen binnen
dit Non Agricultural Market Access-verdrag van de WTO, dwingen
ontwikkelingslanden tot desastreuze vermindering van importheffingen
op industrieproducten. Volgens Martin Khor van Third World
Network zullen deze leiden tot deïndustrialisatie.
WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
I) Gevaarlijke remedies voor de gezondheid van de armsten
Een nieuwe trend is om armoedeziekten zoals malaria aan
te pakken in een partnership met overheden, bedrijven, instellingen
van de Verenigde Naties en maatschappelijke organisaties,
de zogenaamde Global Public Private Initiatives (GPPIs).
Wemos en haar partnerorganisaties in ontwikkelingslanden
maken zich zorgen over de manier waarop deze GPPIs gezondheidsproblemen
benaderen, over de manier waarop programmas worden
geïmplementeerd en over de rol die de private sector
speelt. In Risky Remedies for the Health of the Poor wordt
de implementatie van vier GPPIs in vijf Afrikaanse landen
en drie Indiase staten nader bekeken. Daarna doet Stichting
Wemos aanbevelingen aan de verschillende partijen om de
GPPIs beter te laten functioneren.
U kunt het rapport gratis bestellen via http://www.wemos.nl
(publicaties) of info@wemos.nl
(Stichting Wemos werkt sinds 1981 aan het
verbeteren van de gezondheid van mensen in ontwikkelingslanden
middels beïnvloeding van de internationale politiek)