WTO.ZIP
nummer 47 van 11 augustus 2004
Redactioneel
Zowel de hitte als het wachten op analyses
over een nieuw WTO-akkoord zijn de reden dat deze nieuwsbrief
wat langer dan normaal op zich liet wachten. De vakantieplanning
zorgt er vervolgens voor dat de volgende editie rond begin
oktober zal uitkomen.
Ik zou het erg op prijs stellen van
de lezers te vernemen wat ze van de nieuwsbrief vinden.
Voldoen de onderwerpen, de inhoud en het niveau aan de
behoefte? Wat vinden jullie van aantal en lengte van de
artikelen?
vriendelijke groeten, Rob Bleijerveld
INHOUD:
A) Uitnodiging voor diskussiedag:
"Grenzen aan de markt - naar een solidaire economie"
Op zondag 19 september wordt de Tweede Dag der Alternatieven
georganiseerd die in het teken staat van het formuleren
van alternatieven voor het heersende neoliberale economische
systeem. Allen die geïnteresseerd zijn in het meedenken
en meepraten over een solidaire economie zijn uitgenodigd.
B) Grondwet van de elite
Over de inhoud van de toekomstige Europese grondwet wordt
geen openbaar debat gevoerd. Terwijl grondrechten en vrijheden
van burgers ambivalent, onvolledig of zonder juridische
garanties opgesomd worden, en voor sociale politiek slechts
8 van de 342 pagina's zijn ingeruimd, zijn de maatregelen
tot het waarborgen van productie, consumptie en distributiemechanismen
van het heersende economisch beleid nauwkeurig geformuleerd.
C) Sociale rechtenloosheid volgens de wet
Flexibele arbeid en bestaansonzekerheid in Europa
Onder invloed van globalisering en regionalisering ontwikkelt
zich een flexibele netwerkeconomie waarin de rechten van
burgers ondergeschikt zijn gemaakt aan de werking van
de vrije markt. De verhoudingen tussen werknemer en werkgever
en tussen werknemer en overheid worden gewijzigd. Arbeid
is in toenemende mate flexibel en echte bestaanszekerheid
is er niet meer. In het verdrag van Lissabon en het voorstel
voor een Europese Grondwet is de toegang tot goede sociale
en demokratische rechten niet vastgelegd.
D) Een patent idee?
Al meerdere jaren sleept zich binnen de Europese Unie
een debat voort over het patenteren van software. De laatste
tijd won dit debat veel aan publiciteit, en kreeg het
alle kenmerken van een politieke thriller:
Het Europees Parlement aan de kant gezet, kamerdebatten
en demonstraties in een aantal Europese landen, de Nederlandse
Tweede Kamer roept minister op het matje omdat de Kamer
misleid is.
E) Hoger onderwijs in een Noord-Zuid perspectief.
De Wereldbank op de bres voor de privatisering van het
onderwijs in het Zuiden
De Wereldbank werd opgericht onder meer om ontwikkeling
van de landen in het Zuiden te ondersteunen. Een analyse
van de haar rol bij het privatiseren van publieke universiteiten
in het Zuiden leert dat het opgebrachte geld in vele gevallen
gebruikt wordt om schuldenlasten en schulden ontstaan
door fraude af te betalen. Meer over de gevolgen, en over
toegankelijkheid van hoger onderwijs.
F) Eerlijke handel in tropische gewassen is mogelijk
De handel in grondstoffen moet weer in het centrum van
de discussie over een eerlijke wereldhandel staan. Over
een wereldwijd 'partnerschap voor grondstoffen' (UNCTAD),
een Europees actieplan voor grondstoffen en NGO's-rapporten.
Maar ook een voorstel van landbouwdeskundige Niek Koning
voor het tot stand brengen van nieuwe overeenkomsten voor
landbouwgrondstoffen.
G) WTO 'eindelijk' weer op gang na Cancún-debacle
Raamakkoord strijdig met ontwikkelingsdoel van Doha Ronde
Na een lang en zwaar onderhandelingsproces stemden de
WTO-vertegenwoordigers in Genève in met een tussentijdse
raamovereenkomst in het kader van de Doha Ronde. Het bereiken
van de overeenkomst wordt door de media gezien als teken
dat de WTO na het Cancún-debacle levensvatbaar
blijft. Volgens internationale NGO's en activistengroepen
zal dit akkoord vooral veel "verlies" opleveren
voor de (bevolking in) arme staten en voor duurzame ontwikkeling.
WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
A) Uitnodiging voor diskussiedag:
"Grenzen aan de markt - naar een solidaire economie"
Op zondag 19 september organiseert de Projectgroep
"Voor de Verandering" De Tweede Dag der Alternatieven
die geheel in het teken staat van het formuleren van alternatieven
voor het heersende neoliberale economische systeem. Allen
die geïnteresseerd zijn in het meedenken en meepraten
over een solidaire economie zijn uitgenodigd.
In de solidaire economie, ook wel duurzame economie,
staat de zorg voor alle levende en toekomstige mensen
centraal, met respect voor de natuur. Samenwerking, met
aandacht voor ieders eigenheid, levert meer op dan concurrentie
en ongebreideld winstbejag. Het gaat om andere waarden
dan die van het neoliberale cynisme: duurzaamheid en genoeg'',
gelijkwaardigheid en tolerantie, zorg en gastvrijheid.
Deze waarden worden nu stelselmatig onderdrukt. Solidaire
economie veronderstelt een andere cultuur.
In workshops, discussies en presentaties zullen voorbeelden
aan de orde komen van projecten waarin deze solidaire
economie tot uitdrukking komt. Een actieve participatie
van het publiek staat voorop. Samen onderzoeken we de
valkuilen en mogelijkheden van deze andere economie. Gezien
het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie zal
de dag in het teken staan van alternatieven in een Europees
kader.
Inschrijven voor 11 september, door
te emailen naar dva2004@globalternatives.nl (vermeld je
naam en adres) of door bellen met Kees Hudig of Martijn
Pruijser bij XminY Solidariteitsfonds (020-6279661).
Kosten van deelname: 10 Euro, over te maken op postbankrekening
609060 tnv XminY Solidariteitsfonds. Svp duidelijk vermelden:
'deelname DVA2004'.
Korte introductieteksten bij de workshops: zie website.
Ochtendprogramma (onder voorbehoud):
* Een gegarandeerd bestaan - Searchweb/ Sjakuus
* Mediabeleid
* Een ander Europees Landbouwbeleid - Platform AardeBoerConsument
* Criteria van Solidaire Economie - Projectgroep 'Voor
de Verandering'
* Zelf geld scheppen - LETS
* Een mondiale politieke consumentenbeweging en nadruk
op consuminderen:
gaat dat wel samen? - Omslag/ KIOS
* Militarisering, vredeswerk en economie - Economen voor
Vrede/ NEAG
* Hoger Onderwijs
* Publieke voorzieningen en liberalisering
Middag programma (onder voorbehoud):
* De landbouw, een nieuwe drager van de gezondheidszorg!
- (Stichting Aarde
* De maatschappelijke onderneming - Vereniging Solidair
* Pensioenen, financiele markten en beleggen
* Flitskapitaal en Tobin Tax
* Het offerblok van Balkenende II - Vrouwenalliantie
* Multinationals en gedragscodes - XminY, ism. Ver. Milieudefensie
en SKK
* Patenten op leven in de WTO - Werkgroep globalisering
Delft/Den Haag
* Illegale arbeidsmigranten aan de onderkant van de arbeidsmarkt:
hoe werken we aan positieverbetering? - St. Landelijk
Ongedocumenteerden Steunpunt
* Rollenspel: Export van voedsel uit hongerlanden? - FairFood
(overige organisaties die meewerken:
Stichting Ander Geld; ATTAC-Nederland; CEO; Ithaka; De
Rooie Rat; WISE)
Meer informatie: http://www.globalternatives.nl
Datum: zondag 19 september
(van 9 tot 17 uur)
Plaats: Utrechts Stedelijk Gymnasium, Homeruslaan
40, Utrecht (plattegrond op website).
WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
B) Grondwet van de elite
(door Davidoff [1])
De tekst van de toekomstige Europese grondwet is al
een jaar bekend, maar over de inhoud ervan wordt geen
openbaar debat gevoerd. Ook niet tijdens de Europese verkiezingscampagne.
"Wij keren terug naar Europa", zo luidde het
motto van de sociaaldemocratische regeringspartij SPD
in Duitsland voor de Europese verkiezingen van 13 juni.
Toen in december 2003 de onderhandelingen over de Europese
grondwet vastliepen op de posities van de regeringen van
Spanje en Polen, ging men er vanuit dat het document voorlopig
van tafel was. De Spaanse ministerpresident José
María Aznar hield vast aan de stemverdeling voor
de Europese Raad die overeengekomen was in Nice, waardoor
de ondertekening van de grondwet werd verhinderd. De machtswisseling
in Spanje na de bomaanslagen in maart zorgde echter voor
een snelle omkeer: "Vier dagen, die Europa veranderden"
kopten de meeste Europese kranten na 11 maart. Naar alle
waarschijnlijkheid zal de grondwet door de EU leiders
op 20 november ondertekend worden in Rome. De 25 lidstaten
hebben daarna nog twee jaar de tijd om de tekst door hun
parlementen te laten ratificeren en referenda te organiseren.
Maar ondanks het feit dat de ontwerptekst voor de grondwet
al een jaar openbaar is, heerst er algemene onwetendheid
over de inhoud ervan, en ontbreekt het in de lidstaten
aan een breed maatschappelijk debat over het thema.
Waarom heeft de EU een grondwet nodig, als nu al meer
dan de helft van de wetgeving uit Brussel komt? Een puur
economisch project als de EU met meer dan 450 miljoen
inwoners kan op de langere duur niet zonder politieke,
bestuurlijke en militaire ruggesteun bestaan en haar mondiale
dominantie doen gelden. In dit opzicht is de grondwet
een 'natuurlijke' stap van de Europese elites in hun drang
tot vorming van een eigen hegemoniale macht.
Toen de Franse voorzitter van de Conventie [2], Valéry
Giscard d'Estaing, tijdens de Eurotop in Thessaloniki
in juni 2003 het ontwerp van de grondwet voorlegde, was
het duidelijk dat dit document sterk was beïnvloed
door de Irak-oorlog en het gelijktijdig gepubliceerde
strategisch document van de Hoge Vertegenwoordiger voor
het Gemeenschappelijke Buitenlands en Veiligheidsbeleid,
Javier Solana. In dit document [3] wordt gepleit voor
militair ingrijpen van Europa buiten de EU, en het laat
geen twijfel bestaan over de vraag of de EU een supermacht
wil worden. Men kan het zien als een aanvulling op de
grondwettekst, die luidt: "De lidstaten verbinden
zich ertoe hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren"
(Art. I-40/3). In welke andere grondwet is een dergelijke
verplichting tot bewapening te vinden? De snelle interventiemacht
van de EU, die in 2007 met 80.000 troepen inzetbaar moet
zijn, zal naar "missies van strijdkrachten met het
oog op crisisbeheersing, met inbegrip van vredesstichting"
gestuurd worden. Aangezien de economie van de EU van olie-importen
en andere grondstoffen afhankelijk is, zal het niet verrassend
zijn, dat deze 'inzet' een vanzelfsprekend middel van
de buitenlandse politiek van de EU wordt, om de toegang
tot de wereldmarkt en grondstoffen te verzekeren.
Ook het kapitalistische economische model wordt voor
de eerste keer juridisch vastgelegd: de definitie van
alle politiek terreinen in het derde deel van de grondwettekst,
waarin "politiek en functioneren van de EU"
is vastgelegd, wordt ondergeschikt gemaakt aan het beginsel
van een "open markteconomie met vrije mededinging".
Men zou kunnen spreken van een Structureel Aanpassingsprogramma
voor de EU, vergelijkbaar met de programma's die 'ontwikkelingslanden'
door IMF en Wereldbank krijgen opgelegd. Tot slot wil
de Unie in 2010 de 'meest dynamische en concurrerende
regio van de wereld worden', zoals tijdens de top in Lissabon
in 2000 geproclameerd werd.
Terwijl grondrechten en vrijheden van burgers ambivalent,
onvolledig of zonder juridische garanties opgesomd worden,
en voor sociale politiek slechts 8 van de 342 pagina's
zijn ingeruimd, zijn de maatregelen tot het waarborgen
van productie, consumptie en distributiemechanismen van
het heersende economisch beleid nauwkeurig geformuleerd.
Zo blijft de positie van de Europese Centrale Bank onaangetast,
en de artikelen over het monetaire en economische beleid
lijken wel persoonlijk gedicteerd door Wim Duisenberg:
begrotingsdiscipline en prijsstabiliteit. Fiscaal en arbeidsmarktbeleid
blijven vooralsnog nationaal bepaald, 'loondumping', met
name in de oostelijke lidstaten, blijft dus aan de orde
van de dag. Zelfs doekjes voor het bloeden, zoals een
'Tobintax'[4] zijn na het inwerkingtreden van de grondwet
onmogelijk geworden, omdat het vrije verkeer van kapitaal
gegarandeerd moet blijven.
Het Vluchtelingenverdrag van Geneve duikt weliswaar op
(Art. II-18), maar het lot van de meer dan 22 miljoen
migranten die in de EU wonen blijft overgeleverd aan nationale
wetgeving. Zo hebben migranten geen recht op vrij verkeer
en vrije vestiging en krijgen ze ook geen stemrecht. Naar
ondertekening van de Europese mensenrechtenconventie wordt
slechts gestreefd; concrete rechten kunnen niet geldend
worden gemaakt. Dat is ook met alle resterende grondrechten
van EU-burgers het geval: ze worden door niemand gegarandeerd.
Daar komt dan nog het 'subsidiariteitsprincipe' bij, dat
regelt dat beleidsmaatregelen op dat bestuursniveau moeten
worden genomen waar ze betrekking op hebben. Dat verhindert
de vorming van een rechtsstelsel dat lidstaten ertoe dwingt
een uniforme regeling op terreinen als onderwijs, gezondheidszorg,
pensioen, voedselvoorziening, huisvesting en asiel te
waarborgen. Terwijl de grondwet met betrekking tot het
buitenlands- en veiligheidsbeleid zeer helder "loyaliteit
en wederzijdse solidariteit zonder voorwaarden" voorschrijft,
zoekt men tevergeefs naar een dergelijke clausule als
het bijvoorbeeld gaat om milieubeleid.
De grondwettekst bevestigt niet alleen het ondemocratisch
karakter van de EU omdat er geen grondwetgevende vergadering
is geweest. De Commissie behoudt het monopolie op het
ontwikkelen van wetgeving - met name op het terrein van
de economische politiek - en het Europees Parlement blijft
betekenisloos, daar alle belangrijke beslissingen door
de Raad van Ministers worden genomen; verder worden de
Europese gremia gecentraliseerd, verkleind of wordt de
mogelijkheid voor democratische deelname van Europese
burgers onmogelijk gemaakt. Stemprocedures met gekwalificeerde
meerderheid worden regel, unanimiteits-beslissingen worden
uitzondering, wat het voor de tandem Duitsland-Frankrijk
met minder diplomatieke inspanningen mogelijk maakt, de
macht naar zich toe te trekken, en het biedt Engeland
de mogelijkheid sociale rechten of belastingwetgeving,
die niet naar de zin is van de City of London, af te weren.
noten:
[1] Dit artikel werd op 20 juli rondgestuurd via de [EU2004]-maillist
van Eurodusnie en is een vertaling/bewerkt van "Grundgesetz
und die Elite", door Tom Kuchartz, uit Jungle World
nr. 25, van 9 juni 2004. Http://www.jungle-world.com
[2] De Europese Conventie: vergadering van Europarlementariërs,
nationale
parlementariërs en vertegenwoordigers van regeringen,
die opdracht had
gekregen een ontwerp grondwettekst te schrijven.
[3] "Een veiliger Europa in een betere wereld"
http://ue.eu.int/pressdata/NL/reports/76269.pdf
[4] Tobin tax: een minieme belasting op valuta-transacties,
met het doel
het 'flitskapitaal' aan banden te leggen.
WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
C) Sociale rechtenloosheid volgens de wet
Flexibele arbeid en bestaansonzekerheid in Europa
(door Rob Bleijerveld [1])
Onder invloed van globalisering en regionalisering
ontwikkelt zich een flexibele netwerkeconomie waarin -
overeenkomstig het neo-liberale dogma - de rechten van
burgers ondergeschikt zijn gemaakt aan de werking van
de vrije markt. De verhoudingen tussen werknemer en werkgever
en tussen werknemer en overheid worden gewijzigd. Arbeid
is in toenemende mate flexibel en echte bestaanszekerheid
is er niet meer. In akkoorden als het verdrag van Lissabon,
maar ook in het voorstel voor een Europese Grondwet is
de toegang tot goede sociale en demokratische rechten
niet vastgelegd.
Sinds de jaren '80 van de vorige eeuw is er sprake van
een toenemende internationalisering van de organisatie
van de productie in bedrijven. Het gaat daarbij om twee
ontwikkelingen: globalisering en regionalisering. Bij
globalisering raken nationale economieën steeds sterker
vervlochten met de wereldeconomie en gaan steeds meer
bedrijven internationaal opereren. Daarbij wordt de mondiale
mobiliteit van het kapitaal op de financiële, krediet-
en deviezenmarkten steeds groter. Regionalisering heeft
betrekking op (deels politiek gemotiveerde) besluiten
van naburige staten tot nauwere economische samenwerking
op grond van de toenemende mondiale concurrentie. Dit
proces is vergevorderd binnen de drie voornaamste economische
blokken: Europa, Amerika, Zuid-Oost Azie.
Bij de Europese Unie neemt het regionaliseringsproces
de vorm aan van de vorming en voltooiing van de interne
markt. Europese multinationale ondernemingen waren gedwongen
om hun internationale strategieën grondig te herzien
en om binnen en buiten Europa nieuwe markten aan te boren.
Het beleid van de Europese staten en de Unie schept optimale
voorwaarden voor winstgevende bedrijfsvestigingen en investeringen,
en schept een klimaat van zo laag mogelijke productiekosten
[2]. Op de top in Lissabon in 2000 besloten de lidstaten
zelfs om Europa tot de meest concurrerende economie in
de wereld te maken in het jaar 2010 [3].
Flexibele netwerkeconomie
De door globalisering en regionalisering ingezette 'beweging'
leidde de afgelopen decennia tot het ontstaan van de zogenaamde
flexibele netwerkeconomie: een productiesysteem met losse,
voortdurend wisselende samenwerkingsverbanden van bedrijven
en instellingen, die aan elkaar werk uitbesteden. Massaproductie
maakt daarbij gedeeltelijk plaats voor flexibele productie,
waarin alles waar ook ter wereld gemaakt kan worden en
waar met kleine hoeveelheden geproduceerde goederen op
korte termijn ingespeeld kan worden op snelle veranderingen
in de consumentenvoorkeur.
Wereldwijd vinden er voortdurend reorganisaties bij grote
bedrijven plaats gericht op het omzetten van de vaste
bedrijfskosten in variabele kosten en - tegelijkertijd
- op het zoveel mogelijk verlagen daarvan. Allerlei productiewerk
(en diensten) wordt uitbesteed aan toeleveringsbedrijven
gevestigd in verschillende landen, waarna assemblagebedrijven
de eindproducten in elkaar zetten. In toenemende mate
worden grond, machines en fabrieken gehuurd in plaats
van gekocht. En juridische constructies als 'franchising'
wentelen de financiële risico's van het ondernemen
volledig af op juridisch zelfstandige dochterondernemingen.
Grote beursgenoteerde ondernemingen moeten in het aandeelhouders
kapitalisme steeds sterk groeiende kwartaalcijfers laten
zien, anders kelderen de aandelen. Tegelijkertijd zijn
toeleveringsbedrijven steeds meer verwikkeld in een moordende
concurrentie om orders en dragen zij de financiële
risiko's van schommelingen in de vraag naar producten
of het cyclische karakter van sommige productiesystemen
(de mode). Door de smalle financiele marges kunnen zij
slechts lage lonen uitbetalen en moeten de arbeidsrelaties
flexibel zijn. Mensen moeten ontslagen kunnen worden als
er even geen werk is en weer aangenomen zodra de orders
toenemen.
De veranderende structuren van de ondernemingen en de
reorganisatie van de productie leiden zo tot een stelselmatig
afbraakproces van sociale rechten en de flexibilisering
van de arbeid.
'Zelfstandige zonder personeel'
De moderne economie wil een nieuw type arbeidskracht.
De 'oude' industriearbeider had een langlopend contract.
Onder druk van de vakbonden, waarin hij (en minder zij)
georganiseerd was, bevatte dat een scala aan collectieve
afspraken over bijvoorbeeld lonen, arbeidstijden en arbeidsomstandigheden.
De 'nieuwe' arbeider beschikt echter meestal niet over
zo'n contract. Bij de flexibele onderneming passen geen
langlopende afspraken tussen werkgever en werknemer. Dit
betekent in het uiterste geval dat de arbeider van vroeger
zelf ondernemer wordt, een handelaar in producten als
kennis, energie of een bepaalde vaardigheid. Hij, en ook
zij, is niet in loondienst, maar gaat een tijdelijke relatie
aan met een andere ondernemer die eigenaar is van een
productieorganisatie. Van die eigenaar neemt hij opdrachten
aan; hij is dus een opdrachtnemer. In concurrentie met
anderen moet hij zorgen dat zijn kennisproduct aantrekkelijk
is, vers en up-to-date. De opdrachtnemer moet dus levenslang
leren, cursussen volgen, steeds nieuwe ervaringen toevoegen
aan de mooi opgemaakte cv, voortdurend marktonderzoek
doen en sociale contacten leggen (netwerken) om de eigenaren
van de flexibele onderneming te vinden. Om dat allemaal
mogelijk te maken, is een administratie nodig, helemaal
als hij voor meerdere opdrachtgevers tegelijk werkt. De
verzekeringen en dergelijke regelt hij zelf. De werknemerspremies
worden niet meegerekend in het aan de opdrachtnemer bruto
uit te betalen bedrag. Hij is dus een stuk goedkoper dan
de werknemers in een traditionele loonverhouding. En daar
ging het om.
Een goed voorbeeld is de zzp'er in de bouw en andere
sectoren: de zelfstandige zonder personeel. Een bom onder
de sociale zekerheid die de basis voor de financiering
ervan smaller maakt.
Creatie van bestaansonzekerheid
Er zijn vele vormen van flexibilisering en creatie van
bestaansonzekerheid. In zijn algemeenheid is er een toename
van onzekere arbeidsplaatsen met tijdelijke arbeidscontracten,
uitzendwerk, thuiswerk en 'illegale' arbeid. Andere vormen
van flexibilisering zijn onregelmatige werktijden, overwerk
zonder recht op toeslagen, deeltijdwerk, seizoensarbeid,
en geen of weinig verzekeringen tegen risico's van gevaarlijk
en ongezond werk, of bij ziekte, invaliditeit en ouderdom.
Niet alleen wordt er gewerkt aan flexibilisering van de
verhouding werkgever-werknemer. Wie werkloos of arbeidsongeschikt
of oud is, heeft nu in veel landen al niet of nauwelijks
recht op een uitkering. Ook in landen waar dat nog wel
het geval is, wordt dat minder. Er worden steeds meer
voorwaarden geformuleerd bij het toekennen van een uitkering.
Om 'recht' te hebben op een inkomen moet de uitkeringsgerechtigde
een contract ondertekenen waarin allerlei verplichtingen
staan. Er worden systemen opgezet waarbij je pas recht
hebt op een uitkering als je bepaalde tegenprestaties
levert in de vorm van bijvoorbeeld vrijwilligerswerk.
Neo-liberaal dogma en 'employability'
De neo-liberale politiek die ten grondslag ligt aan de
flexibilisering van de arbeid en aan de creatie van bestaansonzekerheid
is inmiddels in verschillende Europese verdragen verankerd.
Een ervan is het verdrag van Lissabon 2000 met de doelstelling
Europa tot de meest concurrerende kennisekonomie van de
wereld te maken. Ieder voorjaar wordt volgens het principe
van de zogenaamde 'open coordinatiemethode' [4] de tussenbalans
opgemaakt van de in Lissabon uitgezette strategie. Onderwerpen
van gesprek zijn dan de invoering van ICT (Informatie
en Communicatie Technologie), de bevordering van een gunstig
ondernemingsklimaat, de privatisering en eenmaking van
de markten. De nadruk ligt echter op de hervorming van
de arbeidsmarkten die de kern vormt van de strategie van
Lissabon. Centraal in deze hervorming staat het begrip
'employability', de volledige en flexibele inzetbaarheid
van werknemers op de arbeidsmarkt die de arbeidsparticipatie
van de Europese bevolking moet opdrijven [5].
De verantwoordelijkheid voor haar of zijn inzetbaarheid
wordt bij de werknemer zelf gelegd, de overheden beperken
zich tot 'ondersteuning'. Geheel in lijn met de ontwerp-grondwet
creëert de overheid daartoe 'kansen op rechten'.
Alleen een flexibele werknemer die zich kan of wil aanpassen
aan de arbeidsmarktontwikkelingen in de nieuwe economie
kan die kansen grijpen, en krijgt daarvoor rechten. Om
'recht' te hebben op een baan moet de werknemer zorgen
in aanmerking te komen voor de arbeidsmarkt. Zo worden
de rechten ondergeschikt gemaakt aan de wetten van de
markt. Deze wetten van de markt, daarentegen, worden expliciet
vastgelegd in de ontwerp grondwet waar wordt gesproken
over "de eerbieding van het beginsel van een open
martkeconomie met vrije mededinging." En de Unie
draagt er zorg voor "dat de omstandigheden die nodig
zijn voor het concurrentievermogen van de industrie van
de Unie, aanwezig zijn".
Voorstel voor Europese Grondwet en 'kansen op rechten'
De laatste jaren is herhaaldelijk op straat (en deels
in het Europese Parlement [6]) geprotesteerd tegen het
verkwanselen van de sociale en demokratische rechten van
de Europese burger. In de voorstellen voor zowel het Europese
Handvest van Grondrechten als de Europese Grondwet staat
het dogma van de vrije markt voorop en zijn de rechten
van burgers daaraan ondergeschikt gemaakt [7]. Dit toont
bij uitstek de neo-liberale denkwijze van de Europese
beleidmakers.
Het Handvest - zoals goedgekeurd in december 2000, tijdens
de top van Nice - voorziet wel in individuele rechten
zoals vrijheid van meningsuiting, godsdienst enzovoort.
Maar verschillende andere rechten worden daarin alleen
voorwaardelijk geformuleerd. Bij een deel van het onderwijs,
bij de sociale zekerheid en bijstand, bij de gezondheidszorg,
bij de toegang tot diensten van algemeen economisch belang
en op andere plaatsen wordt de formulering "het recht
op" vervangen door "het recht op toegang tot"!
De lidstaten en de Europese Unie zijn wel verplicht om
toegangsmogelijkheden te formuleren en te stimuleren,
en om kansen te creeren voor het uitoefenen van rechten.
Wie door omstandigheden niet in staat is deze kansen te
benutten heeft echter pech gehad.
De lidstaten zijn niet verplicht iemand te ondersteunen
wanneer hij of zij door omstandigheden niet in zijn onderhoud
kan voorzien of geen goede huisvesting heeft. Dit is een
flinke stap terug ten opzichte van de Nederlandse grondwet,
waarin deze verplichting wel staat.
De lidstaten mogen bovendien naar believen 'toegangsvoorwaarden'
formuleren voor het verkrijgen van een uitkering. Ze zijn
volledig vrij om het principe "geen recht tenzij"
naar eigen goeddunken in te vullen. Zo kan toekenning
geweigerd worden op basis van de samenstelling van de
huishouding, het arbeidsverleden, etc. Maar ook kan in
ruil voor een uitkering het ondertekenen van strenge contracten
geëist worden waarin de uitkeringsgerechtigde een
bepaald gedrag wordt opgelegd en van hem of haar allerlei
tegenprestaties worden verlangd [8].
In verschillende landen [9] wordt al langer aan gewerkt
aan het schrappen danwel voorwaardelijk maken van sociale
rechten - zoals die in de Europese concept-grondwet zijn
geformuleerd. Vaststelling van de Europese grondwet in
de nabije toekomst zal de sociale grondrechten van veel
Europese burgers definitief een eeuw terugzetten [10].
Een goede reden om de komende referendum-campagne tegen
de Europese Grondwet te steunen.
Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking en inkorting van "Van
rechten naar kansen op rechten; het neo-liberale project
van samenwerking tussen staat en markt in Europa"
dat Piet van der Lende van het Comitee Euromarsen op 24
mei 2004 schreef ten behoeve van het Referendum Comitee
"Nee tegen de Grondwet". Met dank aan hem en
aan Jan Müter van Searchweb.
[2] Daarbij gaat het om verlaging van loonkosten, bezuinigingen
op overheidsuitgaven en collectieve verzekeringen en daarmee
de vermindering van de belastingdruk. Maar ook om de ontwikkeling
van beleid dat leidt tot een arbeidsmarkt met constant
flexibel inzetbaar personeel.
Op 26 mei 2004 reageerde de Europese Commissie op een
rapport van de World Commission on the Social Dimension
of Globalisation van de ILO (februari 2004) en doet daarin
verslag van haar "contribution to securing the social
benefits of globalisation". Zie: http://trade-info.cec.eu.int/doclib/html/117580.htm
[3] Overeeenkomstig kregen de opstellers van het voorstel
voor de Europese Grondwet in 2001 van de regeringsleiders
zelfs de opdracht regels op te stellen die de Europese
Unie "tot een stabiliserende factor en een lichtbaken
in de nieuwe wereldorde" moeten maken...
[4] In februari drongen zes lidstaten, waaronder Nederland,
aan op het geven van een nieuwe impuls aan de uitvoering
van de Lissabon-agenda. De "Employment Tasforce",
een Europese werkgroep olv. van oud-vakbondsleider (...)
Kok, deed eerder in dat verband aanbevelingen over de
flexibilisering van de arbeidsmarkten. Zie ondermeer:
"Balkenende: 'Doorgaan met Lissabon-agenda'",
van de RVD van 16 februari 2004. Http://www.minaz.nl/data/1076937189.pdf
[5] Vrij recent zijn dat de eisen tot verlenging van de
werkweek en uitstel van de ingangsdatum van pensionering.
Niet alleen Europese regeringen en bedrijven wensen een
langere werkweek (zonder overeenkomstige vergoeding):
het IMF sluit zich aan, nadat de OESO dit al eerder deed.
Zie: "IMF: Europa moet langer gaan werken",
NRC van 5 augustus 2004.
[6] In december 2003 werd op het laatste moment, nadat
alle andere werkgroepen van de Gondwetconventie hun werkzaamheden
al bijna afgerond hadden, een werkgroep 'sociaal Europa'
ingesteld, uit onvrede over de formulering van de sociale
rechten en de positie van de openbare diensten. In de
Commissie voor economische en monetaire zaken werd het
rapport van de werkgroep over de sociale dimensie echter
ingetrokken nadat een reeks amendementen de strekking
ervan zouden ontkrachten.
[7] "Het handvest van de grondrechten van de Europese
Unie, zoals eind 2000 vastgesteld, maakt integraal onderdeel
uit van de grondwet. Aan de werkingssfeer en reikwijdte
zijn zodanige beperkingen opgelegd, dat het Handvest (vooralsnog)
geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de EU schept,"
volgens een bericht op de [EU2004]-maillijst van Eurodusnie
van 19 juni 2004, getiteld "Wijzigingen grondwet
en uitkomst Europese Raad". Verwezen wordt naar het
NRC van die dag en naar http://ue.eu.int/ueDocs/cms_Data/docs/pressData/en/misc/81109.pdf
[8] Steeds meer Nederlandse gemeenten nemen het 'Work
First'-model uit het Amerikaanse Winsconsin en het Deense
Farum over doordat ze zelf moeten opdraaien voor de kosten
van de uitkeringen. Wie in Winconsin in aanmerking wil
komen voor bijstand krijgt een baan, stage, gemeenschapstaak
of cursus aangeboden. In Farum is de sociale dienst gevestigd
op het lokale industrieterrein en er wordt pas een uitkering
verstrekt als daar geen werk te vinden is... Zie "Werken
voor je bijstand", door Rob Hendriks in Aaneen (ledenblad
van Bondgenoten) van augustus 2004.
[9] De nieuwe Duitse Hartz IV-wet voegt de werkeloosheidsuitkering
samen met de gemeentelijke bijstanduitkering, onder nog
strengere voorwaarden. Een werkeloze krijgt pas een uitkering
indien niemand anders uit hetzelfde huishouden een inkomen
heeft. En indien eerst het spaargeld en ander eigen vermogen
wordt aangesproken, ook dat van eventuele familieleden.
De uitkeringshoogte is op het bestaansminimum. Kijk voor
meer informatie op de website van Jungle World (bijvoorbeeld:
"Kalkulierte Wahnsinn" door Winfried Rust van
7 juli 2004. Http://jungle-world.com/seiten/2004/28/3462.php).
[10] Binnenkort publiceren de Vereniging Bijstandsbond
Amsterdam en de Euromarsen tegen werkloosheid, armoede
en sociale uitsluiting een boek getiteld "De sociale
rechten in de uitgebreide Europese Unie." Het boek
telt 120 bladzijden en is de weerslag van een conferentie
die de Euromarsen op 19 en 20 maart 2004 in Brussel organiseerden.
In het boek oa analyses van de situatie in Oost-Europese
landen. Het boek verschijnt in drie talen (Engels, Frans
en Nederlands) en kan worden besteld bij de Bijstandsbond,
Da Costakade 158 1053 XC Amsterdam. Telefoon: 06-20367458
of 020-6898806
WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
D) Een patent idee?
(door Paul Roeland [1])
Al meerdere jaren sleept zich binnen de Europese Unie
een debat voort over het patenteren van software. De laatste
tijd won dit debat veel aan publiciteit, en kreeg het
alle kenmerken van een politieke thriller:
Het Europees Parlement werd aan de kant gezet, in een
aantal Europese landen waren er kamerdebatten en demonstraties,
overal zijn aktiegroepen maar ook schimmige industrielobby's
actief. In Nederland heeft de Tweede Kamer nu zelfs de
historische stap gezet de minister op te dragen het stemgedrag
van Nederland in de Raad van Ministers te wijzigen, omdat
de Kamer misleid is. En, hierna kwamen nog meer uiterst
dubieuze zaken over de stemming aan het licht...
De hoogste tijd om alles nog even op een rijtje te zetten,
en aan te geven wie waar welke belangen zit te verdedigen.
Eerst kort de uitleg van het strijdtoneel.
Wat is een patent? (vrij naar uitleg op softwarepatenten.be)
Een patent (= octrooi) is een vorm van bescherming van
een uitvinding die de houder ervan het alleenrecht geeft
om die uitvinding uit te baten. Zonder bescherming zou
het onmogelijk zijn om veel geld in de ontwikkeling te
stoppen. In ruil voor bescherming moet de uitvinding wel
gepubliceerd worden, zodat het een inspiratiebron voor
anderen is. De uitgangsbasis is dat zowel de uitvinder
als de economie baat hebben bij toekenning van het patent.
Zo is in de Europese Patent Conventie (EPC) geregeld dat
een uitvinding pas patenteerbaar als ze gebruikt kan worden
voor industriële doeleinden, ze nieuw is en voldoende
inventief is. Computerprogramma's worden expliciet uitgesloten
als uitvinding.
Bij de ontwikkeling van software zijn - in tegenstelling
tot bij fysieke uitvindingen - geen zware financiële
inspanningen en jarenlang onderzoek nodig. Het concept
kan je bij wijze van spreken dikwijls op een bierviltje
kwijt. De toepassing ervan vereist geen productielijnen,
integendeel: een paar degelijke programmeurs kunnen in
een beperkte tijd zeer veel verwezenlijken. En, in tegenstelling
tot de traditionele uitvinding kan hun "uitvinding"
met een druk op de toets gekopieerd worden.
Omdat software zo fundamenteel verschilt van fysische
uitvindingen is een octrooi op software geen goed idee.
Er zijn al voldoende andere beschermingsvormen voor programma's.
Wat is er mis met softwarepatenten?
Traditioneel wordt software beschermd door het copyright.
Het grote verschil tussen een copyright en een patent
zit hem in de vage en brede formulering hiervan. Copyright
verhindert het direct kopiëren; patenten kunnen echter
ook onafhankelijke uitvindingen en ontwikkelingen verhinderen.
En omdat software in principe niet over fysieke uitvindingen
gaat, komt het in feite neer op het patenteren van ideeën.
Volledig in tegenspraak met de huidige wet, is er al door
het European Patent Office (EPO) een patent uitgegeven
op het gebruik van een zogenaamde "progress bar"
(die laat zien hoever een programma is met opslaan of
openen van een document). Maar ook op het betalen op Internet
via een creditcard, en op zoiets algemeens als "het
distribueren van videobestanden over een netwerk".
Dat laatste patent gaat dus niet over een bijzonder slimme
en vernieuwende manier om video te distribueren! Met een
dergelijk patent kan juist de ontwikkeling van andere,
slimmere manieren voor jaren geblokkeerd worden. Het bereikt
daarmee het tegenovergestelde van de zogenaamde "innovatie"
waarvoor de patenten onmisbaar zouden zijn.
Softwarepatenten zijn een directe bedreiging voor ontwikkelaars
en gebruikers van Open Source software [2], maar kunnen
dus ook gevaarlijke consequenties hebben voor consumenten
en kleinere bedrijven. In de VS, maar ook in Europa zijn
al genoeg voorbeelden bekend van de groteske gevolgen
die de ongelimiteerde patenteerbaarheid tot gevolg heeft:
het 'een-klik-winkel'-patent van Amazon, het patent op
de 'to-do-list' en de dubbelklik van Microsoft, etcetera.
Waarom wordt er dan toch zoveel druk uitgeoefend om
ze gelegaliseerd te krijgen?
De lezers van WTO.ZIP zal het niet verbazen: een deel
van de verklaring ligt in de druk die economische globalisering
en liberalisatie uitoefent. Softwarepatenten zijn al enkele
jaren toegestaan in de VS en Japan. Er wordt vanuit de
WIPO [3] en via de TRIPS-onderhandelingen [4] op aangestuurd
een overeenkomstig patentregime in alle grote handelsblokken
te installeren.
Een ander deel heeft te maken met de veranderde economie.
Patenten op software, en andere triviale [5] patenten
op businessmethoden [6], worden niet zozeer gebruikt om
echte uitvindingen of vernieuwende diensten te beschermen.
Heel vaak worden juist de echt vernieuwende zaken niet
gepatenteerd, om onder de verplichting van publicatie
uit te komen. De verschillende rollen van softwarepatenten:
-- indicatie van de 'innovatieve kracht' van een
bedrijf.
Hoe meer patenten per jaar, hoe meer de aandelen van een
bedrijf waard worden. Dit wordt nog in de hand gewerkt
door het feit dat de verschillende patentbureaus veel
te weinig mensen en kennis in huis hebben om de patenten
te beoordelen. Het patent wordt dus vrijwel altijd toegekend,
en pas weer ontnomen als er rechtszaken over gevoerd gaan
worden.
-- 'wisselgeld'.
Door de enorme toename van het aantal vage, triviale en
heel breed uitgelegde patenten, is het voor een bedrijf
vrijwel onmogelijk iets te ontwikkelen zonder de vermeende
patenten van anderen te schenden. Voordat dit op een peperdure
rechtszaak uitloopt, kan vaak de patentschending worden
'uitgeruild' tegen de schendingen die het andere bedrijf
tegen jouw patenten heeft gemaakt of waarschijnlijk zal
gaan maken... zo onstaat een ware patentwedloop.
-- 'onderzee-patent'.
Dit is een patent dat aangevraagd wordt om jarenlang in
de kast te liggen, en pas als andere partijen heel veel
geld en moeite in een product hebben gestoken, uit de
kast wordt getrokken met om deze partijen veel geld uit
de zak te kloppen, en/of ze het werken domweg onmogelijk
te maken. Veel geruchtmakende patentzaken in de VS worden
gevoerd door zogenaamde 'parasitaire bedrijven'. Vaak
is er maar 1 persoon in dienst, plus uiteraard een legertje
advocaten. Het bedrijf produceert niets, behalve rechtszaken.
Wie zijn eigenlijk de voorstanders van ongelimiteerde
patenteerbaarheid?
-- een aantal grote internationale software- maar
ook electronicagiganten.
Microsoft is de grootste voorstander uit de VS, Philips,
Alcatel en Siemens uit Europa en uit Japan zijn dit Sharp,
Sony en Matshushita. Opmerkelijk is dat er vaak verschil
zit in de positie van diverse onderdelen van een bedrijf.
De software-ontwikkelingstak van IBM is bijvoorbeeld tegenstander,
maar de juridisch-financiële tak is juist voorstander.
-- de Europese Commissie.
De argumenten zullen bekend in de oren klinken: 'concurrentiepositie',
de vrees dat anders banen naar lagelonenlanden zullen
verdwijnen, en het rotsvaste vertrouwen dat 'innovatie'
alleen mogelijk is door versterking van het recht op 'intellectueel
eigendom'. Het feit dat van de, inmiddels ruim 30.000,
illegaal toegekende softwarepatenten in Europa slechts
een kleine minderheid is aangevraagd door bedrijven uit
datzelfde Europa, en de grote meerderheid door bedrijven
uit de VS en Japan, lijkt niet ter zake te doen.
-- de meeste ministers van economische zaken van
de EU-lidstaten.
Vooral Ierland, waar de economische groei voor een groot
gedeelte bepaald wordt door de vestigingen van buitenlandse
multinationals, deed van zich spreken. Maar ook minister
Brinkhorst deinsde er niet voor terug meermaals de Kamer
te schofferen [7].
En de tegenstanders?
-- vrijwel alle Europese consumentenorganisaties,
zoals de Consumentenbond.
-- de meeste verenigingen van midden- en kleinbedrijven,
maar ook een behoorlijk aantal grotere bedrijven.
-- de universitaire wereld.
Dit gebeurt aan de ene kant vanuit een klassiek universitaire
visie op kennis als iets wat gedeeld moet worden, maar
er is ook meer en meer bewijs dat het huidige systeem
van patenten contraproductief is. Steeds meer economen,
juist in de VS en Japan, spreken zich daarom uit tegen
een ongelimiteerde patenteerbaarheid [8].
-- en als laatste de meest activistische groep:
een losse associatie van mensen die zich bezig houden
met Open Source software.
Zij vrezen dat het onmogelijk zal worden om nog langer
programma's en operating systems zoals Linux en BSD te
maken, omdat het fysiek en financieel onmogelijk is voor
privé-personen om alle patenten op voorhand te
onderzoeken.
De taktieken van de voorstanders...
-- de Europese Commissie gebruikt het meest de
rethorische hakbijl.
Alle pogingen van het Europees Parlement om beperkingen
aan de patenteerbaarheid op te leggen, werden met een
doorzichtig 'compromis' van tafel geveegd. Zo kan de huidige
eis dat een softwarepatent een 'technisch probleem' moet
oplossen heel eenvoudig worden omzeild: je definieert
het aantal muisklikken wat nodig is om een artikel te
bestellen als 'technisch probleem', en brengt vervolgens
het 'een-klik-webshop'-patent aan als oplossing. Ook verving
de Commissie het term 'softwarepatent' door het veel ingewikkelder
klinkende 'Computer-Implemented Invention'. Newspeak in
optima forma.
Daarnaast worden er door de Commissie allerlei zogenaamde
beperkingen opgelegd, die bij grondige bestudering echter
het patenteren niets in de weg leggen. Dat gaat als volgt:
je neemt als bepaling op dat "type uitvinding A is
niet te patenteren, tenzij uitzondering B optreedt".
Uiteraard is uitzondering B dan lang en ingewikkeld geformuleerd,
maar blijkt uiteindelijk altijd waar te zijn...
-- het Europees Patent Office hanteert de taktiek
van de voldongen feiten.
Er zijn domweg de afgelopen jaren al 30.000 patenten verleend,
die volgens het huidige verdrag illegaal zijn.
-- en Europese lidstaten, gesteund door Commissie
en industrielobby verschuilen zich achter internationale
verdragen.
Zo verklaarde Minister Brinkhorst dat Nederland
niet anders kon doen dan instemmen met patenten op software,
omdat het WIPO en de TRIPS-onderhandelingen dat nu eenmaal
vereisen. Daarbij taktisch het feit verzwijgend dat de
EU bepaald een andere machtspositie in deze gremia inneemt
dan, pak hem beet, Trinidad.
... en het verzet ertegen
-- het Europees Parlement en de nationale parlementen
kwamen met duidelijke richtlijnen om software,
wiskundige principes en algemene "business methods"
expliciet te blijven uitsluiten. De laatste en internationaal
opzienbarende stap hierin is het Tweede Kamerbesluit van
1 juli jongstleden (zie hieronder).
-- een grote lobby- en actiecampagne is in gang
gezet met als voortrekker de 'Foundation for a
Free Information Infrastructure' (www.ffii.org). Hierbij
tekenden honderdduizenden mensen petities, gingen duizenden
de straat op, en wordt geprobeerd de belangenorganisaties
van consumenten en midden- en kleinbedrijf erbij te betrekken.
-- een nog onbekende factor zijn de langzaam wijzigende
verhoudingen bij internationale handelsoverleggen.
Veel landen in wat van oudsher de 'derde wereld' werd
genoemd, stellen zich zelfbewuster op. Grote en opkomende
industrielanden als China, India en Brazilië zijn
verklaarde voorstanders van Open Source. Het is hoogst
onwaarschijnlijk dat ze de regels die de VS, Europa en
Japan stellen over zullen nemen, omdat deze uiterst onvoordelig
zouden zijn. De drie landen beschikken over meer dan voldoende
ontwikkelaars om ook op eigen kracht door te gaan met
het maken van software. Gekoppeld met het gemak waarmee
via het Internet wereldwijd samengewerkt kan worden, zal
het handhaven van de patentregels er niet eenvoudiger
op worden.
De soap is nog niet ten einde
Sinds 1997 keurde het European Patent Office in steeds
versneld tempo illegale patenten goed op basis van een
onderhandse afspraak met de VS en Japan. In 2000 probeerde
de Europese Commissie dit te legaliseren. Er was echter
onverwacht veel verzet van consumentenorganisaties en
software-ontwikkelaars, en het plan ging de ijskast in.
Frits Bolkestein lanceerde in 2002 een nieuw, nog verdergaand
voorstel. Het Europees Parlement stemde in september 2003
met royale meerderheid in met een aantal amendementen,
die bedoeld zijn om softwarepatenten en triviale patenten
onmogelijk te maken. In 2004 werd echter een 'compromis'
gepresenteerd, waarin alle amendementen van het Parlement
weggehaald zijn.
Er volgde een gedenkwaardige stemming in de Raad van
Ministers op 18 mei van dit jaar. Het voorstel werd met
een zeer kleine meerderheid aangenomen, er waren nog slechts
10 stemmen tegen nodig om het hele voorstel te blokkeren.
Die waren bijvoorbeeld door Nederland (5 stemmen), Polen
(8 stemmen) en Duitsland (10 stemmen) eenvoudig op te
brengen. In de aanloop werd intense druk uitgeoefend door
voorzitter Ierland - wiens voorzitterschap door Microsoft
fors gesponsord werd - om het compromis te aanvaarden.
Polen, dat zich wilde onthouden van stemming, werd voor
het gemak maar bij de voorstanders gerekend. De Duitse
minister blijkt pas op de avond voor de stemming haar
mening veranderd te hebben, en de Nederlandse, Deense,
Hongaarse en Franse ministers stemden voor alhoewel hun
nationale parlementen anders gevraagd hadden.
In Nederland werd Brinkhorst op het matje geroepen. Uiteindelijk
kwam staatssecretaris van Gennip bekennen dat de minister
de Kamer inderdaad vals had voorgelicht. Dit zou gekomen
zijn door een "foutje in de tekstverwerker".
De Kamer roept de minister op zijn stem te onthouden,
zeker nu blijkt dat de stemming van 18 mei allerminst
het laatste beslismoment in deze hele kwestie is [8].
Na verschillende weigeringen door Brinkhorst neemt de
kamer met overgrote meerderheid (alleen de VVD is tegen)
de inmiddels beroemde motie aan die Nederland verplicht
zich in de Europese Raad van stemming te onthouden. Twee
dagen later vertelt Brinkhorst dat hij niet van plan is
zich aan het Kameroordeel te houden [9].
Ook in Denemarken, Duitsland, Letland en Polen onstaat
de nodige beroering. De komende maanden zal het onderwerp
hier in de parlementen aan de orde komen.
Het Europese Parlement zal waarschijnlijk in september
nogmaals over het "compromis" stemmen. Het Parlementsbesluit
kan uiteindelijk botweg door de Commissie aan de kant
geschoven worden, maar publicitair gezien zou dat geen
handige zet zijn.
Het voorstel komt pas in definitieve stemming in de Raad
van Ministers als het in alle EU-talen is vertaald (september
2004). Daarna buigt het Europees Parlement zich er weer
over. Als het Parlement opnieuw tegen stemt, kan de Raad
het voorstel toch doordrukken, maar komt er opnieuw een
stemming over.
Kortom, het spel is nog niet uitgespeeld!
Er zijn veel manieren waarop mensen hier in Nederland
nog in aktie kunnen komen over dit op het eerste gezicht
technische, maar uiteindelijk diep ingrijpende thema.
Zoals het ondertekenen door individuen en organisaties
van de petitie op petition.eurolinux.org
Een goed beginpunt voor meer aktieinformatie bieden de
volgende websites:
http://www.vrijschrift.org/swpat/index.nl.html
http://swpat.ffii.org/
Meer achtergronden over de geschiedenis van patenten
kun je onder andere vinden op de website van internetwerkplaats
ASCII (Amsterdam Subversive Centre for Informnation Interchange):
http://a.scii.nl
Noten:
[1] Paul is verbonden aan de internetwerkplaats ASCII
in Amsterdam.
[2] Meer over OpenSource (en GNU/Linux) in "patentering
bedreiging voor digitale vrijheden", door Kasper
Souren, in Ravage nr 8, van 11 juni 2004
[3] World Intellectual Property Organisation. Meer hierover
ondermeer in "WIPO's Patent Agenda doet TRIPs-verdrag
verbleken", WTO.ZIP nr 39 van 31 oktober 2003 (http://www.globalinfo.nl/article/articleview/254/)
en "HELP - de Chinezen komen (of niet)", WTO.ZIP
nr 41 van 9 december 2003 (http://www.stelling.nl/trouble/zip/031209--00(41).htm).
[4] WTO verdrag inzake Intellectueel Eigendomsrecht.
[5] Een patent berust van oudsher op vier onderscheidende
criteria, waarvan de definitie echter niet glashelder
is. De uitvinding moet nieuw zijn, aan techniek gerelateerd,
een duidelijke verbetering ten opzichte van de huidige
stand der techniek zijn en economisch nuttig. Het Europees
parlement heeft als definitie van "aan techniek gerelateerd"
voorgesteld dat een patent betrekking heeft op "het
manipuleren van de fysieke natuur en natuurkrachten".
Deze definitie, die expliciet patenten op software uitsluit,
is door de Commissie naar de prullenbak verwezen. Een
patent dat niet aan de voorwaarden voldoet, bijvoorbeeld
omdat het voor een redelijk geschoolde ingenieur in het
vakgebied een vanzelfsprekende oplossing is, wordt een
"triviaal" patent genoemd.
[6] Een "business method" kan van alles zijn
om een bepaald (zakelijk of sociaal-economisch) proces
beter te laten verlopen. Bijvoorbeeld het betalen via
Internet, de brainstormsessie, of het archiveren van email
op basis van datum (gepatenteerd in Duitsland).
[7] Brinkman had opdracht om tegen te stemmen, via meerdere
moties. Deze waren onder andere door zijn eigen partij
ingediend. Daarnaast vertelde hij de kamer dat er een
compromis was bereikt tussen Europees Parlement en de
Europese Commissie, wat aantoonbaar onjuist was.
[8] Verschillende empirische onderzoeken hebben aangetoond
dat patenten in de plaats komen van research, in plaats
van het stimuleren van research. Het budget dat aan onderzoek
wordt besteed in de VS is afgenomen sinds de invoering
van softwarepatenten, terwijl het budget voor juridische
afdelingen evenredig is gegroeid. Http://www.researchoninnovation.org/online.htm#sw
[9] Het is nog onduidelijk hoe de verschillende partijen
hierop zullen reageren. De SP en Groenlinks hebben zich
al duidelijk uitgesproken, maar ook Brinkman's eigen D66
is tegen softwarepatenten.
WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
E) Hoger onderwijs in een Noord-Zuid perspectief.
De Wereldbank op de bres voor de privatisering van het
onderwijs in het Zuiden.
(door Stijn Oosterlynck [1])
De Internationale Bank voor Heropbouw en Ontwikkeling,
nu gekend als de Wereldbank (WB), werd vlak na de tweede
wereldoorlog opgericht onder meer om ontwikkeling van
de landen in het Zuiden te ondersteunen. Volgens Gian
Carlo Delgrado-Ramos, een onderzoeker van de Autonome
Universiteit van Barcelona die de rol van de Wereldbank
in het privatiseren van publieke universiteiten in het
Zuiden analyseert [2], gebeurde dit niet zonder een fikse
dosis eigenbelang. De economisch en financieel dominante
positie van de VS vertaalde zich in haar stevige controle
over de Wereldbank (oa. via haar veto-macht). Op die manier
kon de VS ervoor zorgen dat een aanzienlijk deel van de
private investeringen die in het kader van de WB-programma's
gedaan werden tegoed kwamen aan Amerikaanse bedrijven.
Privatiseringsagenda van Wereldbank
Delgrado-Ramos legt uit hoe dit bedrijfsleven via 'working
clusters' nauw betrokken is bij de werking van de International
Finance Corporation, de arm van de Wereldbank die geld
uitleent aan de private sector en technische assistentie
en advies geeft over privatiseringen. Uit zijn onderzoek
blijkt hoe de privatiseringsagenda van datzelfde bedrijfsleven
zich weerspiegelt in de manier waarop de Wereldbank regeringen
in het Zuiden onder druk zet om hun openbare universiteiten
te privatiseren. Delgrado-Ramos verwijst onder andere
naar het rapport "The financing and management of
higher education" uit 1998 waarin de WB haar wereldwijde
agenda voor onderwijshervormingen uiteenzet [3]. De Wereldbank
verbergt daarin haar doelstellingen niet: "the reform
agenda of the 90s, and almost certainly extending well
into the next century, is oriented to the market rather
than to public ownership or to governmental planning and
regulation". Concreet betekent dit voor de Wereldbank
onder andere inschrijvingsgelden die de volledige kosten
van het onderwijs dekken, studentenleningen met rente
tegen markttarief, training in ondernemerschap als deel
van het curriculum en het verkopen van onderzoek via contracten.
Het pleidooi van de Wereldbank voor marktgerichte hervormingen
is volgens de instelling zelf niet louter ideologisch.
Een belangrijke reden voor de privatisering van universiteiten
die zij naar voor schuift is het 'feit' dat belastingen
in de huidige geglobaliseerde economie steeds makkelijker
te ontwijken en moeilijker te innen zijn, en dat de publieke
behoeften die door de overheid gelenigd moeten worden
toenemen. Volgens Delgrado-Ramos komt de privatisering
van de overheidsdiensten in het Zuiden echter neer op
de onteigening van de publieke infrastructuur en schatkist
van ontwikkelingslanden. Het geld dat de privatiseringen
opbrengen wordt immers in vele gevallen gebruikt om schuldenlasten
en schulden ontstaan door financiële en privatiseringsfraude
af te betalen aan Westerse banken en regeringen en aan
internationale instellingen in plaats van het aan te wenden
voor de broodnodige binnenlandse investeringen in onderwijs,
gezondheidszorg en infrastructuur.
Commercialisering van universitair onderzoek
Een van centrale punten in het rapport is de commercialisering
van het universitair onderzoek. De Wereldbank stimuleert
dit onder meer via haar Millennium Science Initiative
(MSI). MSI is een nieuw programma van de Wereldbank waarbij
landen geld kunnen lenen voor het verbeteren van de kwaliteit
en efficiëntie van hun wetenschappelijke en technologische
capaciteit. Cruciaal in dit programma is volgens Delgrado-Ramos
de sterke nadruk die gelegd wordt op samenwerking met
de private sector en het opleiden van studenten als 'human
resources' voor de privé-sector. MSI-fondsen kunnen
enkel gebruikt worden voor het eigenlijke onderzoek, niet
voor het financieren van de onderzoeksinfrastructuur.
Deze kosten worden liever overgelaten aan de publieke
overheden, terwijl privé-bedrijven zich wel de
onderzoeksresultaten en het menselijk kapitaal dat geproduceerd
wordt met behulp van deze infrastructuur toe-eigenen.
Delgrado-Ramos stelt bovendien terecht dat deze commercialisering
van onderzoek en ontwikkeling aan universiteiten leidt
tot een groeiende kloof tussen de nationale onderzoeks-
en ontwikkelingsprioriteiten en de echte noden van de
samenleving in ontwikkelingslanden. Het zijn steeds meer
Westerse multinationals die bepalen wat onderzocht wordt
en die zich de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek
toe-eigenen. Dit hypothekeert de ontwikkelingskansen van
de landen in het Zuiden.
Primaat van de 'onderwijsconsument'
Een andere belangrijke aspect van de vermarktingsagenda
van de Wereldbank die Delgrado-Ramos waarneemt in het
rapport [3] is de verschuiving van het primaat van de
onderwijsinstellingen naar het primaat van de 'onderwijsconsument'.
Daarmee willen ze de "overdreven macht van het professoraat"
openbreken. Delgrado-Ramos wijst hier op een belangrijke
dimensie van de neoliberale privatiseringscampagne. Het
personeel van publieke onderwijsinstellingen heeft door
de jaren heen haar eigen unieke expertise en procedures
ontwikkeld om de onderzoeksprioriteiten op te stellen
en de kwaliteit van het onderzoek te beoordelen en dit
buiten de markt om (oa. peer review of het beoordelen
van onderzoek door collega wetenschappers). Men dus kan
verwachten dat zij zich zullen verzetten tegen een onderwerping
van hun activiteiten aan de markt. In die markt is het
immers de consument, in casu studenten of private bedrijven,
en niet het onderzoekspersoneel die bepaalt wat de prioriteiten
en criteria voor beoordeling van de kwaliteit van onderzoek
zijn. De vermarkting van wetenschappelijk onderzoek leidt
zo tot het ondermijnen van potentiële haarden van
verzet tegen de privatisering van het onderwijs en de
vernietiging van kennis over hoe onderwijs- en onderzoeksinstellingen
op niet-marktgerichte basis georganiseerd kan worden.
Op die manier wordt een andere dan een neoliberale wereld
minder 'denkbaar' en dus minder mogelijk gemaakt.
"Landen Assistentie Strategieën"
De privatiseringsagenda van de Wereldbank wordt verder
verspreid via de "Landen Assistentie Strategieën"
(Country Assistance Strategy). In deze strategie-documenten
zet de Wereldbank haar beleidsprioriteiten uit voor een
specifiek land dat geld leent van de Bank. Delgrado-Ramos
geeft Mexico als voorbeeld. In de Landen Assistentie Strategie
2002-2006 voor Mexico schrijft de Wereldbank Mexico een
'nieuwe onderwijscultuur' voor waar niet zozeer het leerproces
maar de uiteindelijke resultaten, gemeten in gestandaardiseerde
nationale tests, belangrijk zijn. Op aanraden van de Wereldbank
besliste de Mexicaanse regering begin 2004 extra publieke
budgetten te verdelen over de universiteiten op basis
van hun scores op een standaardtest. In realiteit wordt
het budget teruggeschroefd en vervangen door private leningen
aan strenge voorwaarden en donaties. De gevolgen zijn
volgens Delgrado-Ramos navenant. De toegang tot publieke
universiteiten wordt steeds moeilijker. Het enige alternatief
zijn de privé-universiteiten, maar die zijn erg
duur. Terwijl het aantal studenten aan privé-universiteiten
in Latijns Amerika de voorbije vijftien jaar meer dan
verdubbelde, daalde de proportie van de bevolking die
hoger onderwijs geniet zorgwekkend.
Delgrado-Ramos linkt deze ontwikkelingen aan de behoeften
van de mondiale arbeidsmarkt. De uitbreiding van de groep
Latijns-Amerikanen die enkel laag en middelbaar geschoold
zijn, is nodig om voldoende getrainde werkers te hebben
die de machines van de multinationale ondernemeningen
in de maquilas [4] kunnen bedienen. De migratie van de
hoogst opgeleiden naar het Westen, veroorzaakt door het
gebrek aan financiële middelen en andere vormen van
ondersteuning voor publieke universiteiten in Latijns
Amerika, wordt zelfs aangemoedigd. Volgens de Mexicaanse
regering is dit geen 'brain drain', maar de export van
"Mexicaanse ambassadeurs". Tegelijkertijd is
er ook een migratiestroom van ongeschoolde werkkrachten
naar het Westen. Die ongeschoolde arbeid ondermijnt de
lonen en arbeidsvoorwaarden van de laaggeschoolden in
het Westen.
Delgrado-Ramos merkt heel terecht op dat de commercialisering
van het hoger onderwijs in het Zuiden en de invloed die
daarvan uitgaat op het aantal en de soort studenten, de
onderwijsprogramma's en procedures en het soort onderzoek
en ontwikkeling, naadloos aansluit bij de GATS. De GATS
is het onderdeel van de Wereldhandelsorganisatie dat gericht
is op het liberaliseren van de handel in diensten, inclusief
onderwijsdiensten. Het creëren van een wereldwijde
markt in onderwijsdiensten, vereist in de eerste plaats
dat onderwijs verhandeld kan worden [5]. Het is net deze
omvorming van hoger onderwijs in het Zuiden tot een marktgoed
dat de Wereldbank nastreeft. Zoals de analyse van Delgrado-Ramos
aantoont doet de Wereldbank dit door de macht in de onderwijssector
te verschuiven van de aanbieder - de onderwijsinstelling
en het onderwijzend personeel - naar de onderwijsafnemer,
en door die afnemer te dwingen onderwijs steeds meer te
zien in economische, eerder dan breder humanistische,
termen.
Noord en Zuid
Dat het Zuiden een belangrijke markt is voor hoger onderwijsdiensten
wordt aangetoond door de volgende cijfers. In 1950 waren
er wereldwijd 6,5 miljoen studenten geregistreerd, vandaag
zijn dat er 100 miljoen [6]. Een steeds groter deel daarvan
zijn studenten uit de Derde Wereld. Toch profiteert het
Zuiden daar niet echt van. De bloeiende internationale
handel in hoger onderwijs is immers grotendeels eenrichtingsverkeer.
Weinig studenten van ontwikkelde landen gaan in het Zuiden
studeren. Het overgrote deel van de topuniversiteiten
in de wereld ligt dan ook in het Noorden. Voor universiteiten
in het Noorden zijn studenten uit het Zuiden een steeds
belangrijker bron van inkomsten, vooral in die landen
waar de overheidssubsidies teruggeschroefd worden en waar
de universiteiten feller moeten concurreren voor private
financiële middelen. Studenten uit de Derde Wereld
betalen ongeveer 14,500$ per jaar om aan die universiteiten
te mogen studeren. Dit is meer dan drie keer zoveel dan
binnenlandse - of in het geval van Europa, Europese -
studenten die dezelfde opleiding volgen. Voor hen dekken
de overheidssubsidies een deel van het inschrijvingsgeld.
Het is bijzonder moeilijk voor universiteiten in ontwikkelingslanden
om op te klimmen tot een topinstelling. Rangschikken van
universiteiten gebeurt immers dikwijls op basis van criteria
die meer aandacht besteden aan onderzoek dan aan onderwijs.
Alhoewel onderwijs geven een minstens even belangrijke
taak van universiteiten is, bouwen universiteiten zich
dus vooral een reputatie op met hun onderzoek. Dit is
een ongunstige situatie voor universiteiten in ontwikkelingslanden
die steeds minder (publieke) middelen krijgen om op onderzoeksgebied
de concurrentie aan te gaan met instellingen in het Noorden
en daardoor ook dikwijls hun beste wetenschappers zien
vertrekken. Wel zouden ze studenten uit het Noorden kunnen
aantrekken met hun onderwijs, onder andere doordat de
inschrijvingsgelden in het Zuiden een stuk lager liggen.
Toch slagen ze daar niet goed in, mede doordat die studenten
dankzij overheidssubsidies veel minder dan de volledige
inschrijvingsgelden betalen in universiteiten in hun eigen
land.
Internationaal herverdelend belastingssysteem
Zoals Delgrado-Ramos overtuigend aantoont vormen meer
private investeringen geen oplossing voor de hoger onderwijsproblemen
in de ontwikkelingslanden, omdat de fondsen niet ten goede
komen aan het publieke nationale belang, maar vooral aan
de belangen van de multinationale ondernemingen. De enige
effectieve en sociaal rechtvaardige oplossing is dan ook
de universiteiten in het Zuiden van een degelijke publieke
financiering voorzien. Het argument van de Wereldbank
dat de globalisering het ontwikkelingslanden steeds moeilijker
maakt belastingen te innen is geen 'natuurfeit', maar
juist het resultaat van politieke beslissingen om de financiële
markten te dereguleren en liberaliseren, om belastingsparadijzen
te gedogen en de manifeste politieke onwil om een internationale
fiscaliteit uit te bouwen die de huidige grootschalige
fiscale dumping tegengaat. De beste manier om tegen deze
desastreuze trend in te gaan is radicaal te kiezen voor
het uitbouwen van een internationaal herverdelend belastingssysteem,
waarbij de invoering van de Tobintaks een eerste stap
zou kunnen zijn. Over een internationaal rechtvaardige
fiscaliteit lezen we echter zelden iets bij 'ontwikkelings'-instellingen
zoals de Wereldbank [7].
Noten:
[1] Stijn is verbonden aan ATTAC Vlaanderen en is te bereiken
via: stijn.oost@attac.be
[2] "World Bank and the privatization of public university:
a South-North analysis", door Gian Carlo Delgrado-Ramos
(2004). Deze paper is gebaseerd op het boek "Imperialism
and World Bank" dat Gian Carlo Delgrado-Ramos samen
met John Saxe-Fernandez schreef en dat recent uitkwam
bij Editorial Popular Spain.
[3] "The financing and management of higher education:
a status report on worldwide reforms", door Johnstone
D. Bruce van de State University of New York at Buffalo,
in opdracht van de Wereldbank (1998).
[4] Gedereguleerde zones, waar belasting- en arbeidswetten
uit het gastland niet van toepassing zijn.
[5] Volgens Delgrado brengt de commercialisering wereldwijd
al 365 miljard dollar op (door het veilen van cursussen,
trainingen etc.) en dit bedrag zal naar verwachting enorm
toenemen zodra hoger onderwijs onder het GATS (General
Agreement on Trade in Services) aangemerkt zal worden
als goed ('commodity').
[6] "Fair trade university education?", door
John Tiffin, Guardian Weekly, 28 mei 2004.
[7] Meer informatie over internationale fiscale rechtvaardigheid
is te vinden op de website van Tax Justice Network: http://www.taxjustice.net/e/about/index.php
WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
F) Eerlijke handel in tropische gewassen is mogelijk
(door Chris Peeters)
De handel in grondstoffen moet volgens velen weer
in het centrum van de discussie over een eerlijke wereldhandel
staan. Op UNCTAD XI riepen deelnemers op om de 'samenzwering
van de stilte' rond de grondstoffencrisis te verbreken
en besloten is dat UNCTAD een wereldwijd 'partnerschap
voor grondstoffen' [1] zal opzetten. De EU beloofde in
december 2003 om een Europees actieplan voor grondstoffen
op te stellen. En de NGO's IATP en OXFAM publiceerden
rapporten over het onderwerp.
Hier volgt een inleiding op het probleem en een voorstel
van landbouwdeskundige Niek Koning [2] voor het tot stand
brengen van nieuwe overeenkomsten voor landbouwgrondstoffen
(verder: GO).
De landen die afhankelijk zijn van grondstoffenexport
[3] hebben hun handelspositie de laatste decennia drastisch
zien verslechteren. Tussen 1980 en 2002 was de daling
van de prijzen van 12 belangrijke tropische grondstoffen
50 tot 86%, een prijsval erger dan in de jaren dertig
van de 20e eeuw. Destijds waren grondstoffen-overeenkomsten
aanleiding voor felle discussies. Keynes voorzag in een
organisatie voor het controleren van de grondstoffenhandel
in zijn schets voor de na-oorlogse ekonomische instituties.
Maar de VS blokkeerden elke beperking van de vrijhandel
(toen al!).
In 1964 werd UNCTAD opgericht. Vanaf het begin pleitten
de pas gedekoloniseerde landen binnen deze VN-organisatie
voor internationale grondstoffencontrole die hun exportopbrengsten
zou stabiliseren. Maar in de meeste gevallen verzetten
de Westerse landen zich hiertegen. De EU, bijvoorbeeld,
blokkeerde een vernieuwde suikerovereenkomst doordat ze
weigerde haar suikerdumping op te geven.
In de jaren tachtig verminderde (in het algemene liberaliseringsklimaat)
de steun voor de GO nog meer. De cacao-overeenkomst ging
ten onder doordat - onder druk van OECD-landen - exportquota
werden afgeschaft, hetgeen leidde tot te grote buffervooraden.
De koffie-overeenkomst ging ten onder aan ruzies over
quota-herverdeling.
Omdat duidelijk wordt dat de bestaande liberale handelspolitiek
echter faalt bij het oplossen van de grondstoffencrisis
krijgen steeds meer regeringen opnieuw belangstelling
voor GO.
Overproductie
Om de grondstoffencrisis aan te pakken is een helder
inzicht in de problemen met betrekking tot grondstoffen
nodig. Vele rapporten geven er drie aan:
- prijsinstabiliteit op korte termijn.
Wisselende productie-omstandigheden van veel grondstoffen
veroorzaken vaak sterke prijswisselingen. Misoogsten leiden
tot achtereenvolgens prijsstijgingen, een toename van
investeringen, overproductie en prijsval, en tenslotte,
deinvestering.
- vermindering van de relatieve prijs van grondstoffen
ten opzichte van industrieproducten op lange termijn.
Een aantal factoren leidt tot een chronische neiging tot
overproductie die de prijzen continu onder druk zet: de
enorme productiviteitsstijging in de landbouw in de laatste
eeuw, de betrekkelijk geringe consumptiestijging bij lagere
prijzen, de Westerse productiegerelateerde steun aan boeren
en exportdumping, het afdwingen door Wereldbank en IMF
van grotere export van grondstoffen door landen met betalingsbalansproblemen,
en importbelemmeringen door het Noorden. Studies tonen
dat het afschaffen van subsidies niet afdoende is om overproductie
te voorkomen; daarvoor is aanbodmanagement noodzakelijk.
- steeds grotere macht van de handelaren in en
verwerkers van grondstoffen.
De handel en verwerking van grondstoffen is door reeksen
fusies in handen gekomen van steeds minder bedrijven.
Het grote aantal kleine producenten in veel landen [4]
stelt de verwerkers in staat lage inkoopprijzen af te
dwingen. Onderzoek toont een steeds groter verschil aan
tussen de prijs die grondstofproducenten krijgen en wat
de consument uiteindelijk betaalt [5].
Mislukkingen
Andere problemen kunnen leiden tot het mislukken van
grondstoffen-overeenkomsten. Door de werkwijze van grondstoffenbureaus
in ontwikkelingslanden komen de opbrengsten van exportcontroles
niet terecht bij de kleine, arme producenten, maar gaan
ze op aan de kosten van en corruptie bij het controleapparaat
van overheden. Verder wordt de integratie van nieuwe productielanden
in GO belemmerd door quotasystemen die de aangesloten
producenten bevoordelen. Tenslotte is er de ondermijning
door het zogenaamde 'free rider'-gedrag: als niet alle
landen meedoen kunnen exporteurs hun overproductie tegen
een lagere prijs dumpen op markten in niet-deelnemende
landen. Die krijgen dan grondstoffen goedkoper dan landen
die wel deelnemen.
Zonder productiecontrole zijn exportquota ontoereikend
bij chronische overproductie; buffersystemen zijn dan
onbetaalbaar. Tot nu toe zijn GO mislukt, omdat de ontwikkelingslanden
niet genoeg macht opbouwden om het onderliggende systeem
van afspraken werkelijk te veranderen.
Voorstel van Niek Koning
Koning met de zijnen schetsen een grondstoffenovereenkomst
die deze problemen voorkomt. De hoofdlijnen:
1. de regeringen van ontwikkelingslanden scheppen een
nieuw "Fonds voor eerlijke handel", kiezen een
aantal sleutelgrondstoffen uit en stellen de gewenste
bandbreedte voor de prijs van deze grondstoffen vast.
2. Het fonds wordt (aan)gevuld met de opbrengst van belasting
die deelnemende landen opleggen aan de export van grondstoffen
waarvoor een prijsondersteuningsbeleid geldt. De fondsgelden
worden gebruikt om voorraden en deel van de huidige productie
op te kopen, zódanig dat de wereldprijs stijgt
en dat boeren er ondanks de belasting op vooruit gaan.
Alle opgekochte grondstoffen worden vernietigd op een
buffervoorraad na. De marktpartijen die verdere prijsstijgingen
verwachten, zullen zelf voorraden gaan aanleggen. Het
Fonds verleent producenten productiequota en koopt die
quota in de opvolgende jaren geleidelijkaan op, opdat
de productie stap voor stap vermindert, en de prijs blijft
stijgen - evenals de inkomens van de producenten. Zo wordt
de productie - in plaats van exporten of voorraden - direct
gereguleerd.
3. Zodra de wereldmarktprijs binnen de afgesproken bandbreedte
terechtkomt, verlaagt het fonds de belasting zodat wereldmarktprijs
en de prijs die de boer krijgt dichter bij elkaar komen.
Het fonds beperkt zijn marktinterventie tot het managen
van de buffervoorraad om prijsfluctuaties te beperken.
Boeren kunnen nu in eigen land quota kopen en verkopen.
(Overheidsgeregulering blijft mogelijk, bijvoorbeeld om
te voorkomen dat een product uit een bepaalde regio verdwijnt).
De individuele quota past het fonds voortdurend aan om
de prijs binnen de afgesproken bandbreedte te houden.
Het fonds koopt (volgens vooraf overeengekomen regels)
quota op in landen met lage quotaprijzen en verkoopt ze
in landen met hoge quotaprijzen [6].
Voordelen
Het grote voordeel van dit systeem is dat het zichzelf
betaalt en niet afhankelijk is van de medewerking van
de ontwikkelde landen. Dat vergroot de macht van ontwikkelingslanden
in het internationale handelssysteem. Verder maakt het
internationaal verhandelen van quota 'free rider'-gedrag
onaantrekkelijk en voorkomt het starheid van het systeem
doordat aanpassing aan nieuwe productieverhoudingen mogelijk
wordt. Landen behouden ook hun onafhankelijkheid: zij
bepalen de manier waarop quota binnen hun grenzen mogen
worden verhandeld. En de voordelen van hogere wereldmarktprijzen
vallen toe aan de producenten.
Koning geeft aan dat zijn model maar één
mogelijkheid is. OXFAM wil dat UNCTAD de beste methoden
op een rij zet. Volgens OXFAM moeten de grondstoffen-overeenkomsten
aangevuld worden met ondersteuningsmaatregelen. Gedacht
wordt aan een compensatiefonds voor getroffen boeren voor
de periode tot de prijzen door interventie zijn hersteld
[7]. Maar ook aan een diversificatiefonds voor landen
die getroffen worden door quotaverlies en meer algemeen
om de afhankelijkheid van landen van grondstoffenexport
te verminderen. En natuurlijk moeten de rijke landen stoppen
met export beneden de kostprijs en moeten ze hun markten
onbeperkt openstellen.
Verzet
Het is te verwachten dat de rijke landen zich tegen zulke
voorstellen zullen verzetten (of zullen proberen hun eigen
exporten van de afgesproken grondstoffen te vergroten
zonder aan het systeem deel te nemen). De ontwikkelingslanden
moeten daarom tegenmacht opbouwen, door:
- samen met NGO's en sympathiserende landen een 'Coalitie
voor eerlijke handel', op te richten;
- voor iedere grondstof (door een 'task force') afspraken
vast te laten leggen met de voornaamste handels- en verwerkingsbedrijven,
en door te werken aan het opzetten van producenten- en
consumentenboycots. Op die manier kan het oligopolistische
karakter van veel sectoren van een nadeel in een voordeel
veranderen;
- hun medewerking aan regels voor intellectueel eigendom,
terrorismebestrijding en andere zaken die de rijke landen
belangrijker vinden dan ontwikkeling, afhankelijk te maken
van de medewerking van het Noorden aan grondstoffenovereenkomsten.
Bronnen:
- "Commodities Trade, Poverty Alleviation and Sustainable
Development", door T. Lines, UNCTAD, 15 juni 2004,
http://www.agricultures-durables-solidaires.org/documents%20PFADS.htm
- "The Commodities Challenge; Towards an EU Action
Plan", door OXFAM, januari 2004, http://www.oxfam.org.uk/what_we_do/issues/trade/downloads/eu_commodities.pdf
- "Fair trade in tropical crops is possible; international
commodity agreements revisited", door N. Koning,
M. Calo en R. Jongeneel, juni 2004, http://www.tradeobservatory.org/library.cfm?refID=31530
- "Report on the meeting of eminent persons on commodity
issues", door UNCTAD, september 2003, http://www.unctad.org/en/docs//tb50d11_en.pdf
- "UNCTAD XI: Challenging the Commodity Crisis",
door S. Murphy van het IATP, juni 2004, http://www.tradeobservatory.org/library.cfm?refid=31507
Noten:
[1] Zonder die prijsdaling zouden de ontwikkelingslanden
in 2002 $ 243 mld meer inkomsten hebben gehad, ofwel 5
keer hun jaarlijkse hulpbudget.
[2] Hij is verbonden aan de Universiteit van Wageningen.
[3] In het WTO-jargon 'Commodity Dependant Developing
Countries' - CDDC's - genoemd: landen waar minstens 20%
van de export bestaat uit hoogstens 3 gondstoffen; vooral
landen in Sub-Sahara Afrika.
[4] Om de machtsverhoudingen aan te geven: de grootste
koffie-inkoper koopt jaarlijks 15 miljoen balen koffie,
de gemiddelde producent verkoopt 15 balen. Zes handelshuizen
controleren nu de helft van de handel in groene koffiebonen;
twee bedrijven hebben de helft van de markt voor geroosterde
koffiebonen in handen.
[5] Tussen 1986 en 2001 steeg de winkelprijs van koffie
in Engeland met bijna een derde! Het IATP pleit er daarom
voor dat UNCTAD opnieuw het marktaandeel van multinationale
grondstoffenbedrijven in beeld brengt. OXFAM bepleit actie
tegen excessieve marktconcentratie; per slot van rekening
voert de EU in tal van sectoren een mededingingsbeleid.
[6] Zo bewerkstelligt het fonds een geleidelijke verschuiving
van minder naar meer efficiënte producenten. Immers,
in een land met een groot verschil tussen productieprijs
en wereldmarktprijs zullen quota gewild en dus duur zijn,
bij een klein verschil zijn ze goedkoop.
[7] De 'eminente personen' (zie bronnen) pleiten voor
een algemeen systeem dat gemakkelijk implementeerbaar
is, gebaseerd op bekende regels (die automatisch in werking
treden in situaties waar ze van toepassing zijn), zonder
politieke voorwaarden, en dat snel geld uitkeert rechtstreeks
aan producent en consument.
WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp
G) WTO 'eindelijk' weer op gang na Cancún-debacle
Raamwerkakkoord strijdig met ontwikkelingsdoel van Doha
Ronde
(door Rob Bleijerveld [1])
Na een lang en zwaar onderhandelingsproces stemden
de 147 WTO-vertegenwoordigers in Genève in de nacht
van 31 juli in met een tussentijdse raamovereenkomst in
het kader van de Doha Ontwikkelings Ronde. Tegelijkertijd
besloten ze tot het houden van een ministersconferentie
in Hong Kong in december 2005 en verschoven ze de sluitdatum
van de Ronde naar een onbepaalde datum.
Het bereiken van de raamovereenkomst - met daarin de grove
uitgangspunten voor verdere onderhandelingen op een aantal
WTO-deelgebieden - wordt door sommigen gezien als teken
dat de organisatie na de mislukking van de Cancún-top
levensvatbaar blijft. De massamedia juigen het bereiken
van het akkoord over het algemeen toe en benadrukken de
positieve uitwerking van de afspraken over het terugdringen
van exportsubsidies door de rijke staten. Internationale
NGO's en activistengroepen daarentegen geven aan dat dit
akkoord vooral veel "verlies" op zal leveren
voor de (bevolking in) arme staten en voor duurzame ontwikkeling.
Het onderhandelingsproces werd gestuurd door de VS en
EU, en de arme staten zijn door politieke druk, tijdsdruk
en de angst om verantwoordelijk gehouden te worden voor
het (algeheel) falen van de WTO ertoe gebracht in te stemmen
met de door hen sterk bekritiseerde verdragstekst.
Dit raamakkoord is bedoeld om een kader te bieden aan
de vervolgonderhandelingen in de Doha Ronde. De handelsministers
Lamy (EU) en Zoellick (VS) - die allebei dit najaar aftreden
- hamerden sinds de mislukking van de Cancún-top
(september 2003) op het belang hiervan. Ze wilden er zeker
van zijn dat het WTO-proces niet verder zou stagneren.
Maar ook tijdens de onderhandelingen voor dit akkoord
was er - net als tijdens de WTO-toppen in Seattle, Doha
en Cancún - sprake van een ondemokratisch besluitvormingspoces
en van machtsmisbruik door een aantal rijke staten in
samenwerking met de WTO-leiding. Zo werden de ontwerpteksten
niet eerder dan de 16e juli door de WTO-leiding aangeleverd,
terwijl de uiterste sluitdatum gesteld was op de 31e.
Daardoor was er zeer weinig tijd voor delegaties om ze
te bestuderen en om ruggespraak te houden met hun regeringen.
De beschouwingen en onderhandelingen over deze conceptteksten
begonnen op de 27e en zouden op de 29e (uiterlijk de 30e)
beëindigd worden [2]. Toch werd de eerste herziene
ontwerptekst pas in de ochtend van de 30e gepresenteerd,
waarna de informele vergadering van de Heads of Delegations
zich daarover boog ondanks - wederom - gebrek aan voldoende
tijd voor bestudering en ruggespraak. Het eindontwerp
voor de verdragstekst kwam vervolgens in de middag van
de 31e uit en er was toen nog slechts een (lange) nacht
om een besluit te nemen.
Vooral de delegaties van arme staten met weinig personeel
en nauwelijks of geen toegang tot de informele (en Greenroom-)
zittingen waren hierbij in het nadeel. Door de afwezigheid
van de ministers van de meeste arme staten [3] konden
de delegaties evenmin op zo'n korte termijn politieke
beslissingen nemen ten aanzien van proces en inhoud. Dit
was belangrijk, omdat de WTO-leiding een aantal sterk
bekritiseerde teksten en bijlagen aanleverde als enig
onderhandelingsmateriaal (zoals de beruchte "Derbez-tekst"
over NAMA [4], daterend van de Cancún-top). Verder
konden leden van NGO's nu niet in contact treden met WTO-gedelegeerden,
in tegenstelling tot bij de Cancún-bijeenkomst;
het was hen niet toegestaan het terrein waar de onderhandelingen
plaatsvonden te betreden of om de formele openings- en
afsluitingsbijeenkomsten bij te wonen.
Gijzeling door VS en EU
Gedurende de eerste vier (geagendeeerde) onderhandelingsdagen
gijzelden de VS en EU de WTO. Op 27 en 28 juli vonden
de ministers van de grootste landbouwproducenten [5] -
Australië, India, Brazilië, EU en VS - namelijk
onderdak in de VS-ambassade in Genève. Op uitnodiging
van Lamy en Zoellick werkten ze samen een onderlinge overeenkomst
uit op het gebied van landbouw. De andere WTO-leden konden
niets anders doen dan wachten op een overeenkomst van
deze zogenaamde "Five Interested Parties". Dit
omdat landbouw een belangrijk breekpunt is en vijf belangrijke
spelers niet beschikbaar waren voor algemene onderhandelingen.
Het beklag van zowel ontwikkelingsstaten als ontwikkelde
staten over hun uitsluiting bij deze gesprekken had echter
geen effect.
Aansluitend op het FIP-overleg belegden de Lamy en Zoellick
een mini-top waarvoor ze 28 andere handelsministers uitnodigden.
Op deze besloten bijeenkomst werden de overige voorstellen
voor het akkoord voorgekookt.
Door hun niet-inschikkelijke houding voorafgaand aan
de 27e juli en door het FIP-overleg bepaalden de VS en
EU in feite de inhoud van het uiteindelijke WTO-akkoord.
Belangrijk in dit verband is dat de uitkomst voor "landbouw"
maatgevend was voor de standpunten van veel staten ten
aanzien van andere thema's (vooral: marktoegang voor niet-agrarische
producten, en liberalisering van diensten). Verder werd
al langere tijd door de WTO, bepaalde staten en de media
benadrukt dat de rol van de WTO zonder raamakkoord uitgespeeld
zou zijn en dat dit vooral de ontwikkelingskansen van
de arm(st)e staten zou belemmeren [6]. Naast een paar
kleine winstpunten die arme staten uit de onderhandelingen
konden slepen, wordt vooral de "fear of blame"-factor
door internationale NGO's als doorslaggevend gezien voor
het feit dat het raamwerk uiteindelijk algemeen bindend
werd verklaard.
Raamovereenkomst
De raamovereenkomst bestaat uit een hoofddokument van
drie pagina's en vier bijlagen: Annex A (landbouw, AG),
Annex B (markttoegang voor niet-agrarische produkten,
NAMA), Annex C (Dienstenliberalisering, GATS) en Annex
D (Handels Facilitatie, TF). In het hoofddokument zijn
ondermeer de basisuitgangspunten [7] neergelegd voor (verdere)
onderhandelingen op het gebied van AG, NAMA, Katoen, GATS,
TF, de andere drie Singapore Issues, Special and Differential
Treatment, en Implementation Issues. Over de rest van
het Doha Mandaat- waaronder TRIPs, Geschillenbeslechting,
Regels en Milieu - stelt het akkoord dat de lopende onderhandelingen
door zullen gaan.
1. Landbouw (AG)
In de landbouwdiskussies gaat het om drie 'pilaren':
exportsubsidies, 'domestic' subsidies en markttoegang.
-- exportsubsidies
Bij de eerste pilaar is een belangrijke winstpunt voor
arme staten dat de rijke staten instemden met het verwijderen
van de landbouwexportsubsidies, langlopende exportkredieten,
exportkredietgaranties en een deel van de verzekeringsprogramma's
[8]. Een groot probleem is echter dat er geen 'roadmap'
of ingangsdatum is vastgesteld!
-- 'domestic' subdidies
Bij de onderhandelingen over de tweede pilaar eisten de
VS en de EU in de fase vlak voor de eindbeslissing belangrijke
toezeggingen op waardoor ze een deel hun (bestaande) subsidieprogramma's
veilig kunnen parkeren. Via een overrompelingstaktiek
lukte het om relatief nieuwe voorstellen voor regelingen
voor de 'Blue Box' [9], de 'Green Box' [10] en 'Gevoelige
Producten' in de eindtekst opgenomen te krijgen. Zo kunnen
ze de 'schade' bij pilaar 1 opvangen en mogelijk zelfs
hun subsidieniveaus algeheel opschroeven. Onderwijl was
er weinig vooruitgang in de onderhandelingen over (al
langer op de rol staande) voorstellen van arme staten
voor het weren van goedkope importen, voor 'Speciale Producten'
en 'Speciale Garantie Mechanismen' (SSM).
De arme staten haalden ook bakzeil bij afspraken over
verlaging van de 'de minimis domestic support'. Hierdoor
zullen ze nog minder in staat zijn met geringe subsidies
de binnenlandse productie te sturen. De enige in de tekst
opgenomen uitzondering geldt slechts voor een enkele staat.
Afspraken over maximaal gebruik van de Amber Box (handelsverstorende
subsidies, ofwel: Aggregate Measurement of Support) en
over een algehele verlaging van 'domestic subsidies' lijken
tegemoet te komen aan het Doha-principe van "substantial
reductions in trade-distorting domestic support."
Maar ook hier - net als bij alle andere onderdelen van
het akkoord - zit de "duivel in de details".
Het is niet zeker of het rekenmodel voor de vaststelling
van de verlaging werkelijk zal leiden tot vermindering
van subsidies door rijke staten; het hangt sterk af van
de nog in te vullen parameters voor gebonden/toegestane
en bestaande subsidieniveaus.
-- markttoegang
Op de valreep waren de rijke staten in staat om een groot
aantal van hun landbouwproducten af te schermen tegen
de (goedkopere) import vanuit arme staten. Door ze onder
te brengen in de categorie "Gevoelige Producten"
zijn ze mogelijk uitgezonderd van een nog af te spreken
algemene tariefsverlaging. Handhaving van de hoge tarieven
dupeert arme staten ernstig omdat daardoor een groot aantal
van hun exportpakket (te) duur blijft. In tegenstelling
daarmee was er een hard gevecht om een geschikte formulering
te vinden voor de categorie "Speciale Producten"
(onderdeel van de Speciale en Gedifferentieerde Behandelingsregeling
voor arme staten). De G33-groep strijdt al jaren tevergeefs
tegen verdere tariefsverlaging voor landbouwproducten
die wezenlijk zijn voor de voedselzekerheid, leefbare
inkomens en ontwikkeling in agrarische gebieden in arme
staten. Het lukte de G33-onderhandelaar weliswaar om een
paar zeer ongunstige formuleringen uit de eindtekst te
weren, maar de paragraaf over "Speciale Producten"
is zwak. Daarmee is ook het gevecht om de uiteindelijke
invulling van deze belangrijke afscherming tegen goedkope
importen uit rijke staten vooruitgeschoven.
De Genève-tekst van 31 juli gaat verder uit van
een algehele tariefsverlaging volgens een gelaagd (geband)
systeem. Hoge tarieven zullen meer verlaagd worden dan
lagere tarieven, waardoor de beschermconstructies voor
de markten van en levensonderhoud in arme staten in belangrijke
mate afgebroken zullen worden. Ondanks de aangehaalde
"flexibiliteit voor gevoelige producten" en
het effect van de Speciale en Gedifferentieerde Behandeling
voor arme staten (niet de armste staten) zal de tariefsverlaging
veel ingrijpender zijn dan die van de Uruguay Ronde (1994).
Diskussie over de invulling van het aantal lagen, de drempelwaarden
en het type van tariefreductie volgen nog. Maar zeker
is dat het gelaagde systeem de negatieve gevolgen van
importliberalisering alleen nog maar zal vergroten. In
de julitekst wordt nergens gerept over (maatregelen tegen)
de onrustbarende toename van 'importgolven', het wegdrukken
van plaatselijke landbouwproductie en de grote moeilijkheden
van boer(inn)en in ontwikkelingsstaten. Te bezien valt
nog in hoeverre maatregelen op het gebied van 'Speciale
Garantie Mechanismen' de ergste problemen kunnen verminderen.
2. Marktoegang voor niet-agrarische producten (NAMA)
Het deel van de raamovereenkomst dat het meest schadelijk
is voor arme staten is de bijlage over NAMA. Voor het
eerst sinds het bestaan van GATT en WTO zullen er tariefformules
van toepassing zijn. Het maakt (de dreiging van) het overspoelen
van de markten van arme staten met goedkope industrieproducten
uit de rijke staten alleen maar groter. Met als mogelijk
gevolg een verdere deindustrialisering (het verdwijnen
van plaatselijke, kleine industrieën en bedrijven
[11]) en toename van werkloosheid en armoede in arme staten.
Tenminste drie tariefmaatregelen in het NAMA raamwerk
zullen ernstige, negatieve gevolgen hebben voor 'ontwikkeling':
de 'non-lineaire' formule, de inperking van flexibiliteit
voor gebonden tarifering en de 'sectorale tariefcomponent'.
-- 'non-lineaire' formule
Deze formule leidt tot scherpe tariefreducties - met name
voor de hogere tarieven - waardoor vooral de beschermconstructies
voor de (ontwikkeling van de) plaatselijke industrieën
in arme staten veel schade oplopen.
-- inperking van flexibiliteit voor gebonden tarifering
Het verplicht alle staten om 95% van hun tarieflijnen
op een bepaald niveau vast te leggen. Volgens de te hanteren
rekenwijze dreigen een aantal van de gebonden tariefniveaus
ver onder het niveau uit te komen van wat nu ingesteld
is. Tevens verliezen de arme staten een 'veiligheidszone'
(gevormd door het niveauverschil tussen gebruikte en in
geval van nood zelf in te stellen gebonden tarieflijnen),
waardoor ze niet meer in staat zullen zijn problemen door
importconcurrentie op te vangen.
-- 'sectorale tariefcomponent'
Dit stelt naar verwachting op korte termijn de nulstelling
van alle tarieven in 7 sectoren verplicht. Dit zal verdere
schade toebrengen aan de positie en mogelijkheden van
de plaatselijke industrie in arme staten indien het sectoren
betreft die belangrijk zijn voor hun binnenlandse productie.
Door een felle strijd tijdens de onderhandelingen in
Genève is in de NAMA-bijlage vastgelegd dat nader
overlegd zal moeten worden over de preciese invulling
van al deze maatregelen. Dan zal de vraag of de eigen
industrie en bedrijven in arme staten zullen kunnen overleven,
beantwoord worden. Maar omdat de bijlage als geheel gebaseerd
is op de Derbez-tekst uit Cancún zal het een 'up-hill'-gevecht
zijn voor de arme staten.
Over de gevolgen voor duurzaamheid en milieu liet Friends
of the Earth International zich op 30 juli uit [12]. Het
NAMA-voorstel is volgens de organisatie "onrechtvaardig
en schadelijk voor duurzame ontwikkeling" omdat de
arme staten "de mogelijkheid dreigen te verliezen
om op basis van nationaal beleid hun milieu te beschermen
en hun ontwikkeling te bevorderen." Door verdere
deindustrialisering en toename van werkloosheid en armoede
zullen ze steeds afhankelijker worden van niet-duurzame
en gevaarlijke export van natuurlijke hulpbronnen. De
NAMA-tekst van 30 juli ontziet geen enkele natuurlijke
hulpbron van gedeeltelijke of algehele liberalisering
[13].
3. Katoen
Een andere negatieve uitkomst voor ontwikkeling was de
ontknoping in de Katoen Kwestie. Het lukte de vier West-Afrikaanse
initiatiefnemers en hun ondersteuners (Afrika Groep en
ACP-staten) niet om een aparte status te verkrijgen voor
dit thema. Met name door druk van de VS werd het ondergebracht
bij de landbouwonderhandelingen. Weliswaaar met de aantekening
dat het daar als apart onderwerp behandeld zal worden,
met een eigen set aan maatregelen en agenda. De belangrijkste
eis, nl de beëindiging van alle vormen van katoensubsidie
vanaf de datum van uitvoering van de Doha resultaten haalde
het niet.
De andere eisen vonden in afgezwakte vorm en in mooie
- maar verhullende of weinig concrete - bewoordingen ingang
in de landbouwbijlage en hoofdtekst. Nergens is echter
een effectieve afspraak neergelegd over Speciale en Gedifferentieerde
Behandeling, en het is maar de vraag of de zaak in leven
gehouden kan blijven worden via een nog in te stellen
subcommissie.
4. Diensten (GATS)
Bijlage en hoofdtekst stellen mei 2005 als uiterste datum
voor het aanpassen en 'verbeteren' van hun aanbod voor
te liberaliseren sectoren in alle WTO-lidstaten. Staten
die nog niets hebben ingeleverd, moeten dat zo snel mogelijk
doen. De lidstaten moeten daarbij streven naar een hoog
niveau van liberalisering, naar verhoging van bestaande
niveaus en mogen geen enkele sector uitsluiten van liberalisering
! Daarbij moeten deze maatregelen vooral betrekking hebben
op sectoren en supplymodes overeenkomstig de exportbelangen
van ontwikkelingsstaten, zoals mode 4 [14]. Ook moeten
beperkingen die niet essentieel zijn voor handel ('non-trade-concerns')
opgeheven worden. Dat betreft binnenlandse wetgeving,
reguleringen en subsidieprgramma's ('domestic regulation')
[15].
Naar verluidt is het voorstel voor de sluitdatum vlak
voor het begin van de laatste vergadering van Heads of
Delegations door de VS en EU gelanceerd, zodat er geen
tijd was voor een uitgebreide diskussie. Toch waren er
ernstige bezwaren tegen de extra druk die de sluitdatum
oplevert en zijn er vragen gesteld bij de wijze waarop
het tot stand kwam en in hoeverre dit een geschikte maatregel
is. In dit verband is het schrijnend, dat de nieuwe sluitdata
voor zaken die van belang zijn voor ontwikkeling - zoals
die voor Speciale en Gedifferentieerde Behandeling en
Implemenatie (van oude WTO-beloften) - tot na mei 2005
doorgeschoven zijn.
Volgens Friends of the Earth zetten de resultaten voor
diensten de arme staten enorm onder druk. Ze moeten alle
dienstensectoren openen, en het bedreigt hun souvereiniteit
en middelen om hun basisvoorzieningen te reguleren overeenkomstig
de beleidsdoelen voor sociaal beheer en ontwikkeling.
Tevens negeert het de herhaaldelijke oproepen van maatschappelijke
organisaties om publieke basisvoorzieningen uit te sluiten
van de GATS-onderhandelingen.
5.Handels Facilitatie (TF)
De arme staten behaalden een groot succes door het buiten
de onderhandelingen van de Doha Ronde houden van drie
van de Singapore Issues: Direkte Buitendse Investeringen,
Concurrentiebeleid en Transparantie in Overheidsaankopen
[16]. Door hun aanhoudende terughoudendheid ten aanzien
van Handels Facilitatie werd het besluit om over TF onderhandelingen
te beginnen ingekaderd door afspraken over modaliteiten
waarin veel van hun bezwaren opgenomen zijn. Zo zijn er
afspraken gemaakt betreffende de kosten van de maatregelen,
de noodzakelijke ondersteuning voor de uitvoering ervan
en de benodigde infrastructuur. De Minst Ontwikkelde Staten
hoeven in dit verband aan minder hoge eisen te voldoen.
6. 'Ontwikkelings Kwesties' (SDT/IMP)
Op het vlak van Speciale en Gedifferentieerde Behandeling
(SDT) en Implemenatie Kwesties (IMP) is weinig bereikt
ondanks het hoofdthema van de Doha Ontwikkelings Ronde.
Er zijn geen concrete afspraken gemaakt voor versterking
of vernieuwing van SDT-maatregelen of voor het oplossen
van specifieke problemen bij de uitvoering van WTO-akkoorden
[17]. In de 'Genève-tekst' worden slechts de diverse
sluitdata over consultaties en rapportages opgewaardeerd
(omdat ze al lang verlopen zijn).
Belangrijk met het oog op SDT-vervolgonderhandelingen
is dat een aantal arme staten uit verschillende regio's
vlak voor 'Genève' een gezamenlijk standpunt ingenomen
hebben over een aantal punten, zoals een nieuw classificeringssysteem
van arme staten en de positie van kleine kwetsbare economieën
[18].
Toen in 2001 de Doha onderhandelingen gelanceerd werden
was er veel retoriek over de noodzaak om de belangen van
ontwikkelingsstaten voorop te stellen. De resolutie over
SDT en IMP stond daarbij centraal en de uitwerking ervan
zou de test zijn om te zien hoe serieus 'ontwikkeling'
zou worden genomen in het Doha Work Programme.
Het is dan ook zeer teleurstellend dat in de uitkomsten
van Genève de negatieve aspecten de positieve veruit
overtreffen. Daarmee blijft de ontwikkelingsbelofte retoriek.
Sterker nog: sommige nieuwe besluiten, zoals over NAMA,
zijn ronduit bedreigend voor de ontwikkelingsperspectieven
van arme staten.
Noten:
[1] Dit artikel is voornamelijk gebaseerd op "Preliminary
comments on the WTO's Geneva july decision" door
Martin Khor, Third World Network, van 4 augustus 2004.
[2] Hiervoor had de WTO-leiding een aantal informele (=
niet-genotuleerde) onderhandelingssessies gearrangeerd,
die plaatsvonden na het schorsen van de voorafgaande zitting
van de vergadering van de Algemene Raad. Parallel daaraan
waren er diverse zogenaamde Greenroom-bijeenkomsten waar
de echte "koppen met spijkers" werden geslagen
en waarvan vele arme staten uitgesloten waren. De Algemene
Raad zette haar zitting weer voort in de nacht van de
30e augustus om uiteindelijk op de 31e een beslissing
te nemen over het raamwerk.
[3] De WTO-leiding had van te voren aangekondigd dat de
onderhandelingen gevoerd zouden worden door de WTO-ambassadeurs
(delegatiehoofden) en dat het niet wenselijk en nodig
was dat er ministers aan zouden deelnemen. Toch waren
de ministers van bijna alle rijke staten (in Genève)
aanwezig... ("Preliminary comments on the WTO's Geneva
july decision" door Martin Khor, Third World Network,
van 4 augustus 2004).
[4] NAMA: markttoegang voor niet-agrarische producten.
Voortdurend - en al sinds de Cancún-top - spraken
de ACP-staten en de G90-groep zich uit tegen deze Derbez-tekst.
Het feit dat hun eigen voorstellen niet ter tafel zijn
gebracht is een bewijs van de minachting voor de positie
van deze staten van de kant van de WTO-leiding.
De enige concessie die de rijke staten in dit verband
in Genève deden was de vage toezegging dat er na
juli over sommige aspecten uit de NAMA-bijlage nog onderhandeld
zal worden ("Preliminary comments on the WTO's Geneva
july decision" door Martin Khor, Third World Network,
van 4 augustus 2004).
[5] Respectievelijk: de voorzitter van de GRAIN-coalitie,
twee belangrijke leden van de G20-coalitie, en de twee
grootste ontregelaars van de wereldhandel in landbouwproducten.
Japan werd geweerd door de VS; Canada door EU en VS samen;
en India was er op voorspraak van Brazilië ("Poor
nations flex trade muscles" door Peter Wilson, The
Australian van 2 augustus 2004). Kenia, een van de belangrijkste
woordvoerders van de Afrikaanse coalitie was niet uitgenodigd.
Volgens internatiuonale NGO's zou de EU een deel van de
ontwikkelingshulp voor dat land hebben ingetrokken vanwege
de zeer kritisch houding van Kenia in de aanloop naar
de juli-besprekingen ("WTO accord: faulty frame,
rude reality" door Devinder Sharma, 2 augustus 2004.
Http://www.thehindubusinessline.com/2004/08/05/stories/2004080500211000.htm).
[6] World Development Movement: "Door media, sommige
regeringen en campagnevoerders is zoveel nadruk gelegd
op het landbouwthema dat andere voor ontwikkelingsstaten
belangrijke onderwerpen gemarginaliseerd of genegeerd
zijn - waaronder de noodzaak om de balans te herstellen
ten aanzien van de WTO-regels en om liberalisering terug
te draaien." ("New deal exposes flaws of trade
(offs) system", persbericht WDM van 2 augustus 2004.
Volgens Mark Weisbrot van het Centre for Economics and
Policy Research was het concentreren op landbouwsubsidies
een slimme PR- en onderhandelingstaktiek van de rijke
staten. De bewoording is vaag, de 'loopholes' zijn groot
en het leverde hen veel winst op op andere gebieden. Zelfs
het algeheel afschaffen van subsidies (AG en NAMA) zal
slechts een zeer gering effect hebben op de (economieën
van) ontwikkelingsstaten, uitzonderingen daargelaten.
("No boost for development in World Trade Negotiatitons,"
CEPR).
[7] Dat zijn principes, basisgrafieken voor verlaging
van tarieflijnen, etc. ook wel samengevat als 'modaliteiten'.
Lori Wallach van Global Trade Watch is skeptisch over
dit akkoord. Volgens haar is er zeker geen sprake van
een 'doorbraak' zoals veelal beweerd wordt. "Uit
dit raamwerkdocument moeten nog modaliteiten gesmeed (...)
en overeengekomen worden alvorens de eigenlijke onderhandelingen
over specifieke producten en sectoren kunnen beginnen."
("Public Citizen condemns process, outcome of Geneva
WTO framework talks," persbericht Public Citizen,
van 2 augustus 2004.
[8] Exportkredieten, exportkredietgaranties en verzekeringsprogramma's
met een looptijd van minder dan 180 dagen zullen slechts
worden beperkt ("disciplined"). Andere beperkingen
zijn er ondermeer ten aanzien van 'State Trading Enterprises'
en bepaalde typen van voedselhulp.
[9] De 'Blue Box' heeft betrekking op gedeeltelijk ontkoppelde
betalingen onder productie-beperkende programma's. De
aangepaste Blue Box-regeling wordt gezien als extra bescherming
voor de Farm Bill-subsidies van de VS, en zelfs als omweg
('loophole') om het uiteindelijke niveau aan 'domestic'
subsidies te handhaven of zelfs te verhogen (zoals ook
na de Uruguay Round gebeurde)! Een dreigende impasse in
de juli-onderhandelingen werd voorkomen door een vage
toevoeging dat er nog over nieuwe criteria voor direkte
betalingen (aan producenten) onderhandeld zal worden...
Daarnaast is het afgesproken plafond van 5% voor VS en
EU geen probleem.
[10] De EU nam eerder al maatregelen om het grootste deel
van de Blue Box-subsidies veilig te stellen door ze over
te hevelen naar de 'Green Box'. Ook de VS heeft daar het
grootste deel van haar subsidies nu geparkeerd. Hoewel
deze 'Box' te boek staat als niet (of slechts minimaal)
handelsverstorend wordt in toenemende mate erkend dat
de betreffende subsidies wel degelijk verstorend werken.
Het stelt boerenbedrijven die in normale omstandigheden
te weinig inkomsten krijgen namelijk in staat voort te
bestaan. De raamovereenkomst van Genève stelt geen
maximum vast zodat verhoging van domestic subsidies niet
uitgesloten is! Daarbij is de referentie aan een evaluatie
van de optredende verstoringen niet voorzien van harde
afspraken over uitvoering en timing.
[11] Dit de-industrialisatie proces vond al plaats in
Africa, Latijnsamerika en de Carriben door de liberaliseringsmaatregelen
onder de structurele aanpassingsprogramma's het IMF.
[12] "WTO deal threatens environment, development:
Europe and US demand high price for empty concessions,"
door Friends of the Earth International, 30 juli 2004.
[13] Meer hierover in: "Why NAMA threatens development
and environment" op http://www.foei.org/publications/pdfs/NAMAenvironmentFINAL.pdf
[14] Meer over de sectoren en modes op http://www.gatswatch.org
[15] "OMC: Coup de force des pays riches," door
Raoul Marc Jennar van OXFAM/URFIG.
[16] De formulering in de raamwerktekst houdt de mogelijkheid
open voor diskussies (niet: onderhandelingen) in nieuw
aan te sturen studiegroepen vqan de WTO. Ook - en dat
is zeker niet denkbeeldig - kunnen ze na afsluiting van
de Doha Ronde weer als onderhandelingsobject op de agenda
van de WTO verschijnen.
[17] Dat laatste is over het algemeen te wijten aan het
niet-nakomen door rijke staten van veel eerder gedane
beloften om arme staten te ontzien bij handel en handelsmaatregelen.
'Implementatei' en SDT waren belangrijke thema's tijdens
de ministersconferenties van Seattle en Doha, maar hun
belang is door beleid van voornamelijk EU en VS gemarginaliseerd.
[18] Meer over de SDT- en Implementatie-uitkomsten, zie:
"Work on development sees limited progress at WTO"
door ICTSD, in Bridges Weekly Trade News Digest vol. 8
nr. 27, van 3 augustus 2004.