WTO.ZIP NIEUWSBRIEF
 

WTO.ZIP nummer 47 van 11 augustus 2004

 

Redactioneel

Zowel de hitte als het wachten op analyses over een nieuw WTO-akkoord zijn de reden dat deze nieuwsbrief wat langer dan normaal op zich liet wachten. De vakantieplanning zorgt er vervolgens voor dat de volgende editie rond begin oktober zal uitkomen.

Ik zou het erg op prijs stellen van de lezers te vernemen wat ze van de nieuwsbrief vinden. Voldoen de onderwerpen, de inhoud en het niveau aan de behoefte? Wat vinden jullie van aantal en lengte van de artikelen?


vriendelijke groeten, Rob Bleijerveld

 


INHOUD:


A) Uitnodiging voor diskussiedag:
"Grenzen aan de markt - naar een solidaire economie"

Op zondag 19 september wordt de Tweede Dag der Alternatieven georganiseerd die in het teken staat van het formuleren van alternatieven voor het heersende neoliberale economische systeem. Allen die geïnteresseerd zijn in het meedenken en meepraten over een solidaire economie zijn uitgenodigd.

B) Grondwet van de elite

Over de inhoud van de toekomstige Europese grondwet wordt geen openbaar debat gevoerd. Terwijl grondrechten en vrijheden van burgers ambivalent, onvolledig of zonder juridische garanties opgesomd worden, en voor sociale politiek slechts 8 van de 342 pagina's zijn ingeruimd, zijn de maatregelen tot het waarborgen van productie, consumptie en distributiemechanismen van het heersende economisch beleid nauwkeurig geformuleerd.

C) Sociale rechtenloosheid volgens de wet
Flexibele arbeid en bestaansonzekerheid in Europa

Onder invloed van globalisering en regionalisering ontwikkelt zich een flexibele netwerkeconomie waarin de rechten van burgers ondergeschikt zijn gemaakt aan de werking van de vrije markt. De verhoudingen tussen werknemer en werkgever en tussen werknemer en overheid worden gewijzigd. Arbeid is in toenemende mate flexibel en echte bestaanszekerheid is er niet meer. In het verdrag van Lissabon en het voorstel voor een Europese Grondwet is de toegang tot goede sociale en demokratische rechten niet vastgelegd.

D) Een patent idee?

Al meerdere jaren sleept zich binnen de Europese Unie een debat voort over het patenteren van software. De laatste tijd won dit debat veel aan publiciteit, en kreeg het alle kenmerken van een politieke thriller:
Het Europees Parlement aan de kant gezet, kamerdebatten en demonstraties in een aantal Europese landen, de Nederlandse Tweede Kamer roept minister op het matje omdat de Kamer misleid is.

E) Hoger onderwijs in een Noord-Zuid perspectief.
De Wereldbank op de bres voor de privatisering van het onderwijs in het Zuiden

De Wereldbank werd opgericht onder meer om ontwikkeling van de landen in het Zuiden te ondersteunen. Een analyse van de haar rol bij het privatiseren van publieke universiteiten in het Zuiden leert dat het opgebrachte geld in vele gevallen gebruikt wordt om schuldenlasten en schulden ontstaan door fraude af te betalen. Meer over de gevolgen, en over toegankelijkheid van hoger onderwijs.

F) Eerlijke handel in tropische gewassen is mogelijk

De handel in grondstoffen moet weer in het centrum van de discussie over een eerlijke wereldhandel staan. Over een wereldwijd 'partnerschap voor grondstoffen' (UNCTAD), een Europees actieplan voor grondstoffen en NGO's-rapporten. Maar ook een voorstel van landbouwdeskundige Niek Koning voor het tot stand brengen van nieuwe overeenkomsten voor landbouwgrondstoffen.

G) WTO 'eindelijk' weer op gang na Cancún-debacle
Raamakkoord strijdig met ontwikkelingsdoel van Doha Ronde

Na een lang en zwaar onderhandelingsproces stemden de WTO-vertegenwoordigers in Genève in met een tussentijdse raamovereenkomst in het kader van de Doha Ronde. Het bereiken van de overeenkomst wordt door de media gezien als teken dat de WTO na het Cancún-debacle levensvatbaar blijft. Volgens internationale NGO's en activistengroepen zal dit akkoord vooral veel "verlies" opleveren voor de (bevolking in) arme staten en voor duurzame ontwikkeling.


WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp


A) Uitnodiging voor diskussiedag:
"Grenzen aan de markt - naar een solidaire economie"


Op zondag 19 september organiseert de Projectgroep "Voor de Verandering" De Tweede Dag der Alternatieven die geheel in het teken staat van het formuleren van alternatieven voor het heersende neoliberale economische systeem. Allen die geïnteresseerd zijn in het meedenken en meepraten over een solidaire economie zijn uitgenodigd.

In de solidaire economie, ook wel duurzame economie, staat de zorg voor alle levende en toekomstige mensen centraal, met respect voor de natuur. Samenwerking, met aandacht voor ieders eigenheid, levert meer op dan concurrentie en ongebreideld winstbejag. Het gaat om andere waarden dan die van het neoliberale cynisme: duurzaamheid en genoeg'', gelijkwaardigheid en tolerantie, zorg en gastvrijheid. Deze waarden worden nu stelselmatig onderdrukt. Solidaire economie veronderstelt een andere cultuur.

In workshops, discussies en presentaties zullen voorbeelden aan de orde komen van projecten waarin deze solidaire economie tot uitdrukking komt. Een actieve participatie van het publiek staat voorop. Samen onderzoeken we de valkuilen en mogelijkheden van deze andere economie. Gezien het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie zal de dag in het teken staan van alternatieven in een Europees kader.

Inschrijven voor 11 september, door te emailen naar dva2004@globalternatives.nl (vermeld je naam en adres) of door bellen met Kees Hudig of Martijn Pruijser bij XminY Solidariteitsfonds (020-6279661).
Kosten van deelname: 10 Euro, over te maken op postbankrekening 609060 tnv XminY Solidariteitsfonds. Svp duidelijk vermelden: 'deelname DVA2004'.
Korte introductieteksten bij de workshops: zie website.

Ochtendprogramma (onder voorbehoud):
* Een gegarandeerd bestaan - Searchweb/ Sjakuus
* Mediabeleid
* Een ander Europees Landbouwbeleid - Platform AardeBoerConsument
* Criteria van Solidaire Economie - Projectgroep 'Voor de Verandering'
* Zelf geld scheppen - LETS
* Een mondiale politieke consumentenbeweging en nadruk op consuminderen:
gaat dat wel samen? - Omslag/ KIOS
* Militarisering, vredeswerk en economie - Economen voor Vrede/ NEAG
* Hoger Onderwijs
* Publieke voorzieningen en liberalisering

Middag programma (onder voorbehoud):
* De landbouw, een nieuwe drager van de gezondheidszorg! - (Stichting Aarde
* De maatschappelijke onderneming - Vereniging Solidair
* Pensioenen, financiele markten en beleggen
* Flitskapitaal en Tobin Tax
* Het offerblok van Balkenende II - Vrouwenalliantie
* Multinationals en gedragscodes - XminY, ism. Ver. Milieudefensie en SKK
* Patenten op leven in de WTO - Werkgroep globalisering Delft/Den Haag
* Illegale arbeidsmigranten aan de onderkant van de arbeidsmarkt: hoe werken we aan positieverbetering? - St. Landelijk Ongedocumenteerden Steunpunt
* Rollenspel: Export van voedsel uit hongerlanden? - FairFood

(overige organisaties die meewerken:
Stichting Ander Geld; ATTAC-Nederland; CEO; Ithaka; De Rooie Rat; WISE)

Meer informatie: http://www.globalternatives.nl

Datum: zondag 19 september (van 9 tot 17 uur)
Plaats: Utrechts Stedelijk Gymnasium, Homeruslaan 40, Utrecht (plattegrond op website).


WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp


B) Grondwet van de elite
(door Davidoff [1])


De tekst van de toekomstige Europese grondwet is al een jaar bekend, maar over de inhoud ervan wordt geen openbaar debat gevoerd. Ook niet tijdens de Europese verkiezingscampagne.

"Wij keren terug naar Europa", zo luidde het motto van de sociaaldemocratische regeringspartij SPD in Duitsland voor de Europese verkiezingen van 13 juni. Toen in december 2003 de onderhandelingen over de Europese grondwet vastliepen op de posities van de regeringen van Spanje en Polen, ging men er vanuit dat het document voorlopig van tafel was. De Spaanse ministerpresident José María Aznar hield vast aan de stemverdeling voor de Europese Raad die overeengekomen was in Nice, waardoor de ondertekening van de grondwet werd verhinderd. De machtswisseling in Spanje na de bomaanslagen in maart zorgde echter voor een snelle omkeer: "Vier dagen, die Europa veranderden" kopten de meeste Europese kranten na 11 maart. Naar alle waarschijnlijkheid zal de grondwet door de EU leiders op 20 november ondertekend worden in Rome. De 25 lidstaten hebben daarna nog twee jaar de tijd om de tekst door hun parlementen te laten ratificeren en referenda te organiseren. Maar ondanks het feit dat de ontwerptekst voor de grondwet al een jaar openbaar is, heerst er algemene onwetendheid over de inhoud ervan, en ontbreekt het in de lidstaten aan een breed maatschappelijk debat over het thema.

Waarom heeft de EU een grondwet nodig, als nu al meer dan de helft van de wetgeving uit Brussel komt? Een puur economisch project als de EU met meer dan 450 miljoen inwoners kan op de langere duur niet zonder politieke, bestuurlijke en militaire ruggesteun bestaan en haar mondiale dominantie doen gelden. In dit opzicht is de grondwet een 'natuurlijke' stap van de Europese elites in hun drang tot vorming van een eigen hegemoniale macht.

Toen de Franse voorzitter van de Conventie [2], Valéry Giscard d'Estaing, tijdens de Eurotop in Thessaloniki in juni 2003 het ontwerp van de grondwet voorlegde, was het duidelijk dat dit document sterk was beïnvloed door de Irak-oorlog en het gelijktijdig gepubliceerde strategisch document van de Hoge Vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijke Buitenlands en Veiligheidsbeleid, Javier Solana. In dit document [3] wordt gepleit voor militair ingrijpen van Europa buiten de EU, en het laat geen twijfel bestaan over de vraag of de EU een supermacht wil worden. Men kan het zien als een aanvulling op de grondwettekst, die luidt: "De lidstaten verbinden zich ertoe hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren" (Art. I-40/3). In welke andere grondwet is een dergelijke verplichting tot bewapening te vinden? De snelle interventiemacht van de EU, die in 2007 met 80.000 troepen inzetbaar moet zijn, zal naar "missies van strijdkrachten met het oog op crisisbeheersing, met inbegrip van vredesstichting" gestuurd worden. Aangezien de economie van de EU van olie-importen en andere grondstoffen afhankelijk is, zal het niet verrassend zijn, dat deze 'inzet' een vanzelfsprekend middel van de buitenlandse politiek van de EU wordt, om de toegang tot de wereldmarkt en grondstoffen te verzekeren.

Ook het kapitalistische economische model wordt voor de eerste keer juridisch vastgelegd: de definitie van alle politiek terreinen in het derde deel van de grondwettekst, waarin "politiek en functioneren van de EU" is vastgelegd, wordt ondergeschikt gemaakt aan het beginsel van een "open markteconomie met vrije mededinging". Men zou kunnen spreken van een Structureel Aanpassingsprogramma voor de EU, vergelijkbaar met de programma's die 'ontwikkelingslanden' door IMF en Wereldbank krijgen opgelegd. Tot slot wil de Unie in 2010 de 'meest dynamische en concurrerende regio van de wereld worden', zoals tijdens de top in Lissabon in 2000 geproclameerd werd.

Terwijl grondrechten en vrijheden van burgers ambivalent, onvolledig of zonder juridische garanties opgesomd worden, en voor sociale politiek slechts 8 van de 342 pagina's zijn ingeruimd, zijn de maatregelen tot het waarborgen van productie, consumptie en distributiemechanismen van het heersende economisch beleid nauwkeurig geformuleerd. Zo blijft de positie van de Europese Centrale Bank onaangetast, en de artikelen over het monetaire en economische beleid lijken wel persoonlijk gedicteerd door Wim Duisenberg: begrotingsdiscipline en prijsstabiliteit. Fiscaal en arbeidsmarktbeleid blijven vooralsnog nationaal bepaald, 'loondumping', met name in de oostelijke lidstaten, blijft dus aan de orde van de dag. Zelfs doekjes voor het bloeden, zoals een 'Tobintax'[4] zijn na het inwerkingtreden van de grondwet onmogelijk geworden, omdat het vrije verkeer van kapitaal gegarandeerd moet blijven.

Het Vluchtelingenverdrag van Geneve duikt weliswaar op (Art. II-18), maar het lot van de meer dan 22 miljoen migranten die in de EU wonen blijft overgeleverd aan nationale wetgeving. Zo hebben migranten geen recht op vrij verkeer en vrije vestiging en krijgen ze ook geen stemrecht. Naar ondertekening van de Europese mensenrechtenconventie wordt slechts gestreefd; concrete rechten kunnen niet geldend worden gemaakt. Dat is ook met alle resterende grondrechten van EU-burgers het geval: ze worden door niemand gegarandeerd. Daar komt dan nog het 'subsidiariteitsprincipe' bij, dat regelt dat beleidsmaatregelen op dat bestuursniveau moeten worden genomen waar ze betrekking op hebben. Dat verhindert de vorming van een rechtsstelsel dat lidstaten ertoe dwingt een uniforme regeling op terreinen als onderwijs, gezondheidszorg, pensioen, voedselvoorziening, huisvesting en asiel te waarborgen. Terwijl de grondwet met betrekking tot het buitenlands- en veiligheidsbeleid zeer helder "loyaliteit en wederzijdse solidariteit zonder voorwaarden" voorschrijft, zoekt men tevergeefs naar een dergelijke clausule als het bijvoorbeeld gaat om milieubeleid.

De grondwettekst bevestigt niet alleen het ondemocratisch karakter van de EU omdat er geen grondwetgevende vergadering is geweest. De Commissie behoudt het monopolie op het ontwikkelen van wetgeving - met name op het terrein van de economische politiek - en het Europees Parlement blijft betekenisloos, daar alle belangrijke beslissingen door de Raad van Ministers worden genomen; verder worden de Europese gremia gecentraliseerd, verkleind of wordt de mogelijkheid voor democratische deelname van Europese burgers onmogelijk gemaakt. Stemprocedures met gekwalificeerde meerderheid worden regel, unanimiteits-beslissingen worden
uitzondering, wat het voor de tandem Duitsland-Frankrijk met minder diplomatieke inspanningen mogelijk maakt, de macht naar zich toe te trekken, en het biedt Engeland de mogelijkheid sociale rechten of belastingwetgeving, die niet naar de zin is van de City of London, af te weren.


noten:
[1] Dit artikel werd op 20 juli rondgestuurd via de [EU2004]-maillist van Eurodusnie en is een vertaling/bewerkt van "Grundgesetz und die Elite", door Tom Kuchartz, uit Jungle World nr. 25, van 9 juni 2004. Http://www.jungle-world.com
[2] De Europese Conventie: vergadering van Europarlementariërs, nationale
parlementariërs en vertegenwoordigers van regeringen, die opdracht had
gekregen een ontwerp grondwettekst te schrijven.
[3] "Een veiliger Europa in een betere wereld"
http://ue.eu.int/pressdata/NL/reports/76269.pdf
[4] Tobin tax: een minieme belasting op valuta-transacties, met het doel
het 'flitskapitaal' aan banden te leggen.


WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp


C) Sociale rechtenloosheid volgens de wet
Flexibele arbeid en bestaansonzekerheid in Europa
(door Rob Bleijerveld [1])

Onder invloed van globalisering en regionalisering ontwikkelt zich een flexibele netwerkeconomie waarin - overeenkomstig het neo-liberale dogma - de rechten van burgers ondergeschikt zijn gemaakt aan de werking van de vrije markt. De verhoudingen tussen werknemer en werkgever en tussen werknemer en overheid worden gewijzigd. Arbeid is in toenemende mate flexibel en echte bestaanszekerheid is er niet meer. In akkoorden als het verdrag van Lissabon, maar ook in het voorstel voor een Europese Grondwet is de toegang tot goede sociale en demokratische rechten niet vastgelegd.

Sinds de jaren '80 van de vorige eeuw is er sprake van een toenemende internationalisering van de organisatie van de productie in bedrijven. Het gaat daarbij om twee ontwikkelingen: globalisering en regionalisering. Bij globalisering raken nationale economieën steeds sterker vervlochten met de wereldeconomie en gaan steeds meer bedrijven internationaal opereren. Daarbij wordt de mondiale mobiliteit van het kapitaal op de financiële, krediet- en deviezenmarkten steeds groter. Regionalisering heeft betrekking op (deels politiek gemotiveerde) besluiten van naburige staten tot nauwere economische samenwerking op grond van de toenemende mondiale concurrentie. Dit proces is vergevorderd binnen de drie voornaamste economische blokken: Europa, Amerika, Zuid-Oost Azie.

Bij de Europese Unie neemt het regionaliseringsproces de vorm aan van de vorming en voltooiing van de interne markt. Europese multinationale ondernemingen waren gedwongen om hun internationale strategieën grondig te herzien en om binnen en buiten Europa nieuwe markten aan te boren. Het beleid van de Europese staten en de Unie schept optimale voorwaarden voor winstgevende bedrijfsvestigingen en investeringen, en schept een klimaat van zo laag mogelijke productiekosten [2]. Op de top in Lissabon in 2000 besloten de lidstaten zelfs om Europa tot de meest concurrerende economie in de wereld te maken in het jaar 2010 [3].

Flexibele netwerkeconomie

De door globalisering en regionalisering ingezette 'beweging' leidde de afgelopen decennia tot het ontstaan van de zogenaamde flexibele netwerkeconomie: een productiesysteem met losse, voortdurend wisselende samenwerkingsverbanden van bedrijven en instellingen, die aan elkaar werk uitbesteden. Massaproductie maakt daarbij gedeeltelijk plaats voor flexibele productie, waarin alles waar ook ter wereld gemaakt kan worden en waar met kleine hoeveelheden geproduceerde goederen op korte termijn ingespeeld kan worden op snelle veranderingen in de consumentenvoorkeur.

Wereldwijd vinden er voortdurend reorganisaties bij grote bedrijven plaats gericht op het omzetten van de vaste bedrijfskosten in variabele kosten en - tegelijkertijd - op het zoveel mogelijk verlagen daarvan. Allerlei productiewerk (en diensten) wordt uitbesteed aan toeleveringsbedrijven gevestigd in verschillende landen, waarna assemblagebedrijven de eindproducten in elkaar zetten. In toenemende mate worden grond, machines en fabrieken gehuurd in plaats van gekocht. En juridische constructies als 'franchising' wentelen de financiële risico's van het ondernemen volledig af op juridisch zelfstandige dochterondernemingen.
Grote beursgenoteerde ondernemingen moeten in het aandeelhouders kapitalisme steeds sterk groeiende kwartaalcijfers laten zien, anders kelderen de aandelen. Tegelijkertijd zijn toeleveringsbedrijven steeds meer verwikkeld in een moordende concurrentie om orders en dragen zij de financiële risiko's van schommelingen in de vraag naar producten of het cyclische karakter van sommige productiesystemen (de mode). Door de smalle financiele marges kunnen zij slechts lage lonen uitbetalen en moeten de arbeidsrelaties flexibel zijn. Mensen moeten ontslagen kunnen worden als er even geen werk is en weer aangenomen zodra de orders toenemen.

De veranderende structuren van de ondernemingen en de reorganisatie van de productie leiden zo tot een stelselmatig afbraakproces van sociale rechten en de flexibilisering van de arbeid.

'Zelfstandige zonder personeel'

De moderne economie wil een nieuw type arbeidskracht. De 'oude' industriearbeider had een langlopend contract. Onder druk van de vakbonden, waarin hij (en minder zij) georganiseerd was, bevatte dat een scala aan collectieve afspraken over bijvoorbeeld lonen, arbeidstijden en arbeidsomstandigheden. De 'nieuwe' arbeider beschikt echter meestal niet over zo'n contract. Bij de flexibele onderneming passen geen langlopende afspraken tussen werkgever en werknemer. Dit betekent in het uiterste geval dat de arbeider van vroeger zelf ondernemer wordt, een handelaar in producten als kennis, energie of een bepaalde vaardigheid. Hij, en ook zij, is niet in loondienst, maar gaat een tijdelijke relatie aan met een andere ondernemer die eigenaar is van een productieorganisatie. Van die eigenaar neemt hij opdrachten aan; hij is dus een opdrachtnemer. In concurrentie met anderen moet hij zorgen dat zijn kennisproduct aantrekkelijk is, vers en up-to-date. De opdrachtnemer moet dus levenslang leren, cursussen volgen, steeds nieuwe ervaringen toevoegen aan de mooi opgemaakte cv, voortdurend marktonderzoek doen en sociale contacten leggen (netwerken) om de eigenaren van de flexibele onderneming te vinden. Om dat allemaal mogelijk te maken, is een administratie nodig, helemaal als hij voor meerdere opdrachtgevers tegelijk werkt. De verzekeringen en dergelijke regelt hij zelf. De werknemerspremies worden niet meegerekend in het aan de opdrachtnemer bruto uit te betalen bedrag. Hij is dus een stuk goedkoper dan de werknemers in een traditionele loonverhouding. En daar ging het om.

Een goed voorbeeld is de zzp'er in de bouw en andere sectoren: de zelfstandige zonder personeel. Een bom onder de sociale zekerheid die de basis voor de financiering ervan smaller maakt.

Creatie van bestaansonzekerheid

Er zijn vele vormen van flexibilisering en creatie van bestaansonzekerheid. In zijn algemeenheid is er een toename van onzekere arbeidsplaatsen met tijdelijke arbeidscontracten, uitzendwerk, thuiswerk en 'illegale' arbeid. Andere vormen van flexibilisering zijn onregelmatige werktijden, overwerk zonder recht op toeslagen, deeltijdwerk, seizoensarbeid, en geen of weinig verzekeringen tegen risico's van gevaarlijk en ongezond werk, of bij ziekte, invaliditeit en ouderdom.
Niet alleen wordt er gewerkt aan flexibilisering van de verhouding werkgever-werknemer. Wie werkloos of arbeidsongeschikt of oud is, heeft nu in veel landen al niet of nauwelijks recht op een uitkering. Ook in landen waar dat nog wel het geval is, wordt dat minder. Er worden steeds meer voorwaarden geformuleerd bij het toekennen van een uitkering. Om 'recht' te hebben op een inkomen moet de uitkeringsgerechtigde een contract ondertekenen waarin allerlei verplichtingen staan. Er worden systemen opgezet waarbij je pas recht hebt op een uitkering als je bepaalde tegenprestaties levert in de vorm van bijvoorbeeld vrijwilligerswerk.

Neo-liberaal dogma en 'employability'

De neo-liberale politiek die ten grondslag ligt aan de flexibilisering van de arbeid en aan de creatie van bestaansonzekerheid is inmiddels in verschillende Europese verdragen verankerd. Een ervan is het verdrag van Lissabon 2000 met de doelstelling Europa tot de meest concurrerende kennisekonomie van de wereld te maken. Ieder voorjaar wordt volgens het principe van de zogenaamde 'open coordinatiemethode' [4] de tussenbalans opgemaakt van de in Lissabon uitgezette strategie. Onderwerpen van gesprek zijn dan de invoering van ICT (Informatie en Communicatie Technologie), de bevordering van een gunstig ondernemingsklimaat, de privatisering en eenmaking van de markten. De nadruk ligt echter op de hervorming van de arbeidsmarkten die de kern vormt van de strategie van Lissabon. Centraal in deze hervorming staat het begrip 'employability', de volledige en flexibele inzetbaarheid van werknemers op de arbeidsmarkt die de arbeidsparticipatie van de Europese bevolking moet opdrijven [5].

De verantwoordelijkheid voor haar of zijn inzetbaarheid wordt bij de werknemer zelf gelegd, de overheden beperken zich tot 'ondersteuning'. Geheel in lijn met de ontwerp-grondwet creëert de overheid daartoe 'kansen op rechten'. Alleen een flexibele werknemer die zich kan of wil aanpassen aan de arbeidsmarktontwikkelingen in de nieuwe economie kan die kansen grijpen, en krijgt daarvoor rechten. Om 'recht' te hebben op een baan moet de werknemer zorgen in aanmerking te komen voor de arbeidsmarkt. Zo worden de rechten ondergeschikt gemaakt aan de wetten van de markt. Deze wetten van de markt, daarentegen, worden expliciet vastgelegd in de ontwerp grondwet waar wordt gesproken over "de eerbieding van het beginsel van een open martkeconomie met vrije mededinging." En de Unie draagt er zorg voor "dat de omstandigheden die nodig zijn voor het concurrentievermogen van de industrie van de Unie, aanwezig zijn".

Voorstel voor Europese Grondwet en 'kansen op rechten'

De laatste jaren is herhaaldelijk op straat (en deels in het Europese Parlement [6]) geprotesteerd tegen het verkwanselen van de sociale en demokratische rechten van de Europese burger. In de voorstellen voor zowel het Europese Handvest van Grondrechten als de Europese Grondwet staat het dogma van de vrije markt voorop en zijn de rechten van burgers daaraan ondergeschikt gemaakt [7]. Dit toont bij uitstek de neo-liberale denkwijze van de Europese beleidmakers.

Het Handvest - zoals goedgekeurd in december 2000, tijdens de top van Nice - voorziet wel in individuele rechten zoals vrijheid van meningsuiting, godsdienst enzovoort. Maar verschillende andere rechten worden daarin alleen voorwaardelijk geformuleerd. Bij een deel van het onderwijs, bij de sociale zekerheid en bijstand, bij de gezondheidszorg, bij de toegang tot diensten van algemeen economisch belang en op andere plaatsen wordt de formulering "het recht op" vervangen door "het recht op toegang tot"! De lidstaten en de Europese Unie zijn wel verplicht om toegangsmogelijkheden te formuleren en te stimuleren, en om kansen te creeren voor het uitoefenen van rechten. Wie door omstandigheden niet in staat is deze kansen te benutten heeft echter pech gehad.
De lidstaten zijn niet verplicht iemand te ondersteunen wanneer hij of zij door omstandigheden niet in zijn onderhoud kan voorzien of geen goede huisvesting heeft. Dit is een flinke stap terug ten opzichte van de Nederlandse grondwet, waarin deze verplichting wel staat.

De lidstaten mogen bovendien naar believen 'toegangsvoorwaarden' formuleren voor het verkrijgen van een uitkering. Ze zijn volledig vrij om het principe "geen recht tenzij" naar eigen goeddunken in te vullen. Zo kan toekenning geweigerd worden op basis van de samenstelling van de huishouding, het arbeidsverleden, etc. Maar ook kan in ruil voor een uitkering het ondertekenen van strenge contracten geëist worden waarin de uitkeringsgerechtigde een bepaald gedrag wordt opgelegd en van hem of haar allerlei tegenprestaties worden verlangd [8].

In verschillende landen [9] wordt al langer aan gewerkt aan het schrappen danwel voorwaardelijk maken van sociale rechten - zoals die in de Europese concept-grondwet zijn geformuleerd. Vaststelling van de Europese grondwet in de nabije toekomst zal de sociale grondrechten van veel Europese burgers definitief een eeuw terugzetten [10]. Een goede reden om de komende referendum-campagne tegen de Europese Grondwet te steunen.


Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking en inkorting van "Van rechten naar kansen op rechten; het neo-liberale project van samenwerking tussen staat en markt in Europa" dat Piet van der Lende van het Comitee Euromarsen op 24 mei 2004 schreef ten behoeve van het Referendum Comitee "Nee tegen de Grondwet". Met dank aan hem en aan Jan Müter van Searchweb.
[2] Daarbij gaat het om verlaging van loonkosten, bezuinigingen op overheidsuitgaven en collectieve verzekeringen en daarmee de vermindering van de belastingdruk. Maar ook om de ontwikkeling van beleid dat leidt tot een arbeidsmarkt met constant flexibel inzetbaar personeel.
Op 26 mei 2004 reageerde de Europese Commissie op een rapport van de World Commission on the Social Dimension of Globalisation van de ILO (februari 2004) en doet daarin verslag van haar "contribution to securing the social benefits of globalisation". Zie: http://trade-info.cec.eu.int/doclib/html/117580.htm
[3] Overeeenkomstig kregen de opstellers van het voorstel voor de Europese Grondwet in 2001 van de regeringsleiders zelfs de opdracht regels op te stellen die de Europese Unie "tot een stabiliserende factor en een lichtbaken in de nieuwe wereldorde" moeten maken...
[4] In februari drongen zes lidstaten, waaronder Nederland, aan op het geven van een nieuwe impuls aan de uitvoering van de Lissabon-agenda. De "Employment Tasforce", een Europese werkgroep olv. van oud-vakbondsleider (...) Kok, deed eerder in dat verband aanbevelingen over de flexibilisering van de arbeidsmarkten. Zie ondermeer: "Balkenende: 'Doorgaan met Lissabon-agenda'", van de RVD van 16 februari 2004. Http://www.minaz.nl/data/1076937189.pdf
[5] Vrij recent zijn dat de eisen tot verlenging van de werkweek en uitstel van de ingangsdatum van pensionering. Niet alleen Europese regeringen en bedrijven wensen een langere werkweek (zonder overeenkomstige vergoeding): het IMF sluit zich aan, nadat de OESO dit al eerder deed. Zie: "IMF: Europa moet langer gaan werken", NRC van 5 augustus 2004.
[6] In december 2003 werd op het laatste moment, nadat alle andere werkgroepen van de Gondwetconventie hun werkzaamheden al bijna afgerond hadden, een werkgroep 'sociaal Europa' ingesteld, uit onvrede over de formulering van de sociale rechten en de positie van de openbare diensten. In de Commissie voor economische en monetaire zaken werd het rapport van de werkgroep over de sociale dimensie echter ingetrokken nadat een reeks amendementen de strekking ervan zouden ontkrachten.
[7] "Het handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zoals eind 2000 vastgesteld, maakt integraal onderdeel uit van de grondwet. Aan de werkingssfeer en reikwijdte zijn zodanige beperkingen opgelegd, dat het Handvest (vooralsnog) geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de EU schept," volgens een bericht op de [EU2004]-maillijst van Eurodusnie van 19 juni 2004, getiteld "Wijzigingen grondwet en uitkomst Europese Raad". Verwezen wordt naar het NRC van die dag en naar http://ue.eu.int/ueDocs/cms_Data/docs/pressData/en/misc/81109.pdf
[8] Steeds meer Nederlandse gemeenten nemen het 'Work First'-model uit het Amerikaanse Winsconsin en het Deense Farum over doordat ze zelf moeten opdraaien voor de kosten van de uitkeringen. Wie in Winconsin in aanmerking wil komen voor bijstand krijgt een baan, stage, gemeenschapstaak of cursus aangeboden. In Farum is de sociale dienst gevestigd op het lokale industrieterrein en er wordt pas een uitkering verstrekt als daar geen werk te vinden is... Zie "Werken voor je bijstand", door Rob Hendriks in Aaneen (ledenblad van Bondgenoten) van augustus 2004.
[9] De nieuwe Duitse Hartz IV-wet voegt de werkeloosheidsuitkering samen met de gemeentelijke bijstanduitkering, onder nog strengere voorwaarden. Een werkeloze krijgt pas een uitkering indien niemand anders uit hetzelfde huishouden een inkomen heeft. En indien eerst het spaargeld en ander eigen vermogen wordt aangesproken, ook dat van eventuele familieleden. De uitkeringshoogte is op het bestaansminimum. Kijk voor meer informatie op de website van Jungle World (bijvoorbeeld: "Kalkulierte Wahnsinn" door Winfried Rust van 7 juli 2004. Http://jungle-world.com/seiten/2004/28/3462.php).
[10] Binnenkort publiceren de Vereniging Bijstandsbond Amsterdam en de Euromarsen tegen werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting een boek getiteld "De sociale rechten in de uitgebreide Europese Unie." Het boek telt 120 bladzijden en is de weerslag van een conferentie die de Euromarsen op 19 en 20 maart 2004 in Brussel organiseerden. In het boek oa analyses van de situatie in Oost-Europese landen. Het boek verschijnt in drie talen (Engels, Frans en Nederlands) en kan worden besteld bij de Bijstandsbond, Da Costakade 158 1053 XC Amsterdam. Telefoon: 06-20367458 of 020-6898806


WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp


D) Een patent idee?
(door Paul Roeland [1])

Al meerdere jaren sleept zich binnen de Europese Unie een debat voort over het patenteren van software. De laatste tijd won dit debat veel aan publiciteit, en kreeg het alle kenmerken van een politieke thriller:
Het Europees Parlement werd aan de kant gezet, in een aantal Europese landen waren er kamerdebatten en demonstraties, overal zijn aktiegroepen maar ook schimmige industrielobby's actief. In Nederland heeft de Tweede Kamer nu zelfs de historische stap gezet de minister op te dragen het stemgedrag van Nederland in de Raad van Ministers te wijzigen, omdat de Kamer misleid is. En, hierna kwamen nog meer uiterst dubieuze zaken over de stemming aan het licht...

De hoogste tijd om alles nog even op een rijtje te zetten, en aan te geven wie waar welke belangen zit te verdedigen. Eerst kort de uitleg van het strijdtoneel.

Wat is een patent? (vrij naar uitleg op softwarepatenten.be)

Een patent (= octrooi) is een vorm van bescherming van een uitvinding die de houder ervan het alleenrecht geeft om die uitvinding uit te baten. Zonder bescherming zou het onmogelijk zijn om veel geld in de ontwikkeling te stoppen. In ruil voor bescherming moet de uitvinding wel gepubliceerd worden, zodat het een inspiratiebron voor anderen is. De uitgangsbasis is dat zowel de uitvinder als de economie baat hebben bij toekenning van het patent. Zo is in de Europese Patent Conventie (EPC) geregeld dat een uitvinding pas patenteerbaar als ze gebruikt kan worden voor industriële doeleinden, ze nieuw is en voldoende inventief is. Computerprogramma's worden expliciet uitgesloten als uitvinding.

Bij de ontwikkeling van software zijn - in tegenstelling tot bij fysieke uitvindingen - geen zware financiële inspanningen en jarenlang onderzoek nodig. Het concept kan je bij wijze van spreken dikwijls op een bierviltje kwijt. De toepassing ervan vereist geen productielijnen, integendeel: een paar degelijke programmeurs kunnen in een beperkte tijd zeer veel verwezenlijken. En, in tegenstelling tot de traditionele uitvinding kan hun "uitvinding" met een druk op de toets gekopieerd worden.
Omdat software zo fundamenteel verschilt van fysische uitvindingen is een octrooi op software geen goed idee. Er zijn al voldoende andere beschermingsvormen voor programma's.

Wat is er mis met softwarepatenten?

Traditioneel wordt software beschermd door het copyright. Het grote verschil tussen een copyright en een patent zit hem in de vage en brede formulering hiervan. Copyright verhindert het direct kopiëren; patenten kunnen echter ook onafhankelijke uitvindingen en ontwikkelingen verhinderen. En omdat software in principe niet over fysieke uitvindingen gaat, komt het in feite neer op het patenteren van ideeën. Volledig in tegenspraak met de huidige wet, is er al door het European Patent Office (EPO) een patent uitgegeven op het gebruik van een zogenaamde "progress bar" (die laat zien hoever een programma is met opslaan of openen van een document). Maar ook op het betalen op Internet via een creditcard, en op zoiets algemeens als "het distribueren van videobestanden over een netwerk". Dat laatste patent gaat dus niet over een bijzonder slimme en vernieuwende manier om video te distribueren! Met een dergelijk patent kan juist de ontwikkeling van andere, slimmere manieren voor jaren geblokkeerd worden. Het bereikt daarmee het tegenovergestelde van de zogenaamde "innovatie" waarvoor de patenten onmisbaar zouden zijn.

Softwarepatenten zijn een directe bedreiging voor ontwikkelaars en gebruikers van Open Source software [2], maar kunnen dus ook gevaarlijke consequenties hebben voor consumenten en kleinere bedrijven. In de VS, maar ook in Europa zijn al genoeg voorbeelden bekend van de groteske gevolgen die de ongelimiteerde patenteerbaarheid tot gevolg heeft: het 'een-klik-winkel'-patent van Amazon, het patent op de 'to-do-list' en de dubbelklik van Microsoft, etcetera.

Waarom wordt er dan toch zoveel druk uitgeoefend om ze gelegaliseerd te krijgen?

De lezers van WTO.ZIP zal het niet verbazen: een deel van de verklaring ligt in de druk die economische globalisering en liberalisatie uitoefent. Softwarepatenten zijn al enkele jaren toegestaan in de VS en Japan. Er wordt vanuit de WIPO [3] en via de TRIPS-onderhandelingen [4] op aangestuurd een overeenkomstig patentregime in alle grote handelsblokken te installeren.

Een ander deel heeft te maken met de veranderde economie. Patenten op software, en andere triviale [5] patenten op businessmethoden [6], worden niet zozeer gebruikt om echte uitvindingen of vernieuwende diensten te beschermen. Heel vaak worden juist de echt vernieuwende zaken niet gepatenteerd, om onder de verplichting van publicatie uit te komen. De verschillende rollen van softwarepatenten:
-- indicatie van de 'innovatieve kracht' van een bedrijf.
Hoe meer patenten per jaar, hoe meer de aandelen van een bedrijf waard worden. Dit wordt nog in de hand gewerkt door het feit dat de verschillende patentbureaus veel te weinig mensen en kennis in huis hebben om de patenten te beoordelen. Het patent wordt dus vrijwel altijd toegekend, en pas weer ontnomen als er rechtszaken over gevoerd gaan worden.
-- 'wisselgeld'.
Door de enorme toename van het aantal vage, triviale en heel breed uitgelegde patenten, is het voor een bedrijf vrijwel onmogelijk iets te ontwikkelen zonder de vermeende patenten van anderen te schenden. Voordat dit op een peperdure rechtszaak uitloopt, kan vaak de patentschending worden 'uitgeruild' tegen de schendingen die het andere bedrijf tegen jouw patenten heeft gemaakt of waarschijnlijk zal gaan maken... zo onstaat een ware patentwedloop.
-- 'onderzee-patent'.
Dit is een patent dat aangevraagd wordt om jarenlang in de kast te liggen, en pas als andere partijen heel veel geld en moeite in een product hebben gestoken, uit de kast wordt getrokken met om deze partijen veel geld uit de zak te kloppen, en/of ze het werken domweg onmogelijk te maken. Veel geruchtmakende patentzaken in de VS worden gevoerd door zogenaamde 'parasitaire bedrijven'. Vaak is er maar 1 persoon in dienst, plus uiteraard een legertje advocaten. Het bedrijf produceert niets, behalve rechtszaken.

Wie zijn eigenlijk de voorstanders van ongelimiteerde patenteerbaarheid?

-- een aantal grote internationale software- maar ook electronicagiganten.
Microsoft is de grootste voorstander uit de VS, Philips, Alcatel en Siemens uit Europa en uit Japan zijn dit Sharp, Sony en Matshushita. Opmerkelijk is dat er vaak verschil zit in de positie van diverse onderdelen van een bedrijf. De software-ontwikkelingstak van IBM is bijvoorbeeld tegenstander, maar de juridisch-financiële tak is juist voorstander.
-- de Europese Commissie.
De argumenten zullen bekend in de oren klinken: 'concurrentiepositie', de vrees dat anders banen naar lagelonenlanden zullen verdwijnen, en het rotsvaste vertrouwen dat 'innovatie' alleen mogelijk is door versterking van het recht op 'intellectueel eigendom'. Het feit dat van de, inmiddels ruim 30.000, illegaal toegekende softwarepatenten in Europa slechts een kleine minderheid is aangevraagd door bedrijven uit datzelfde Europa, en de grote meerderheid door bedrijven uit de VS en Japan, lijkt niet ter zake te doen.
-- de meeste ministers van economische zaken van de EU-lidstaten.
Vooral Ierland, waar de economische groei voor een groot gedeelte bepaald wordt door de vestigingen van buitenlandse multinationals, deed van zich spreken. Maar ook minister Brinkhorst deinsde er niet voor terug meermaals de Kamer te schofferen [7].

En de tegenstanders?

-- vrijwel alle Europese consumentenorganisaties, zoals de Consumentenbond.
-- de meeste verenigingen van midden- en kleinbedrijven, maar ook een behoorlijk aantal grotere bedrijven.
-- de universitaire wereld.

Dit gebeurt aan de ene kant vanuit een klassiek universitaire visie op kennis als iets wat gedeeld moet worden, maar er is ook meer en meer bewijs dat het huidige systeem van patenten contraproductief is. Steeds meer economen, juist in de VS en Japan, spreken zich daarom uit tegen een ongelimiteerde patenteerbaarheid [8].
-- en als laatste de meest activistische groep: een losse associatie van mensen die zich bezig houden met Open Source software.
Zij vrezen dat het onmogelijk zal worden om nog langer programma's en operating systems zoals Linux en BSD te maken, omdat het fysiek en financieel onmogelijk is voor privé-personen om alle patenten op voorhand te onderzoeken.

De taktieken van de voorstanders...

-- de Europese Commissie gebruikt het meest de rethorische hakbijl.
Alle pogingen van het Europees Parlement om beperkingen aan de patenteerbaarheid op te leggen, werden met een doorzichtig 'compromis' van tafel geveegd. Zo kan de huidige eis dat een softwarepatent een 'technisch probleem' moet oplossen heel eenvoudig worden omzeild: je definieert het aantal muisklikken wat nodig is om een artikel te bestellen als 'technisch probleem', en brengt vervolgens het 'een-klik-webshop'-patent aan als oplossing. Ook verving de Commissie het term 'softwarepatent' door het veel ingewikkelder klinkende 'Computer-Implemented Invention'. Newspeak in optima forma.
Daarnaast worden er door de Commissie allerlei zogenaamde beperkingen opgelegd, die bij grondige bestudering echter het patenteren niets in de weg leggen. Dat gaat als volgt: je neemt als bepaling op dat "type uitvinding A is niet te patenteren, tenzij uitzondering B optreedt". Uiteraard is uitzondering B dan lang en ingewikkeld geformuleerd, maar blijkt uiteindelijk altijd waar te zijn...
-- het Europees Patent Office hanteert de taktiek van de voldongen feiten.
Er zijn domweg de afgelopen jaren al 30.000 patenten verleend, die volgens het huidige verdrag illegaal zijn.
-- en Europese lidstaten, gesteund door Commissie en industrielobby verschuilen zich achter internationale verdragen.
Zo verklaarde Minister Brinkhorst dat Nederland niet anders kon doen dan instemmen met patenten op software, omdat het WIPO en de TRIPS-onderhandelingen dat nu eenmaal vereisen. Daarbij taktisch het feit verzwijgend dat de EU bepaald een andere machtspositie in deze gremia inneemt dan, pak hem beet, Trinidad.

... en het verzet ertegen

-- het Europees Parlement en de nationale parlementen kwamen met duidelijke richtlijnen om software, wiskundige principes en algemene "business methods" expliciet te blijven uitsluiten. De laatste en internationaal opzienbarende stap hierin is het Tweede Kamerbesluit van 1 juli jongstleden (zie hieronder).
-- een grote lobby- en actiecampagne is in gang gezet met als voortrekker de 'Foundation for a Free Information Infrastructure' (www.ffii.org). Hierbij tekenden honderdduizenden mensen petities, gingen duizenden de straat op, en wordt geprobeerd de belangenorganisaties van consumenten en midden- en kleinbedrijf erbij te betrekken.
-- een nog onbekende factor zijn de langzaam wijzigende verhoudingen bij internationale handelsoverleggen. Veel landen in wat van oudsher de 'derde wereld' werd genoemd, stellen zich zelfbewuster op. Grote en opkomende industrielanden als China, India en Brazilië zijn verklaarde voorstanders van Open Source. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat ze de regels die de VS, Europa en Japan stellen over zullen nemen, omdat deze uiterst onvoordelig zouden zijn. De drie landen beschikken over meer dan voldoende ontwikkelaars om ook op eigen kracht door te gaan met het maken van software. Gekoppeld met het gemak waarmee via het Internet wereldwijd samengewerkt kan worden, zal het handhaven van de patentregels er niet eenvoudiger op worden.

De soap is nog niet ten einde

Sinds 1997 keurde het European Patent Office in steeds versneld tempo illegale patenten goed op basis van een onderhandse afspraak met de VS en Japan. In 2000 probeerde de Europese Commissie dit te legaliseren. Er was echter onverwacht veel verzet van consumentenorganisaties en software-ontwikkelaars, en het plan ging de ijskast in.

Frits Bolkestein lanceerde in 2002 een nieuw, nog verdergaand voorstel. Het Europees Parlement stemde in september 2003 met royale meerderheid in met een aantal amendementen, die bedoeld zijn om softwarepatenten en triviale patenten onmogelijk te maken. In 2004 werd echter een 'compromis' gepresenteerd, waarin alle amendementen van het Parlement weggehaald zijn.

Er volgde een gedenkwaardige stemming in de Raad van Ministers op 18 mei van dit jaar. Het voorstel werd met een zeer kleine meerderheid aangenomen, er waren nog slechts 10 stemmen tegen nodig om het hele voorstel te blokkeren. Die waren bijvoorbeeld door Nederland (5 stemmen), Polen (8 stemmen) en Duitsland (10 stemmen) eenvoudig op te brengen. In de aanloop werd intense druk uitgeoefend door voorzitter Ierland - wiens voorzitterschap door Microsoft fors gesponsord werd - om het compromis te aanvaarden. Polen, dat zich wilde onthouden van stemming, werd voor het gemak maar bij de voorstanders gerekend. De Duitse minister blijkt pas op de avond voor de stemming haar mening veranderd te hebben, en de Nederlandse, Deense, Hongaarse en Franse ministers stemden voor alhoewel hun nationale parlementen anders gevraagd hadden.

In Nederland werd Brinkhorst op het matje geroepen. Uiteindelijk kwam staatssecretaris van Gennip bekennen dat de minister de Kamer inderdaad vals had voorgelicht. Dit zou gekomen zijn door een "foutje in de tekstverwerker". De Kamer roept de minister op zijn stem te onthouden, zeker nu blijkt dat de stemming van 18 mei allerminst het laatste beslismoment in deze hele kwestie is [8]. Na verschillende weigeringen door Brinkhorst neemt de kamer met overgrote meerderheid (alleen de VVD is tegen) de inmiddels beroemde motie aan die Nederland verplicht zich in de Europese Raad van stemming te onthouden. Twee dagen later vertelt Brinkhorst dat hij niet van plan is zich aan het Kameroordeel te houden [9].

Ook in Denemarken, Duitsland, Letland en Polen onstaat de nodige beroering. De komende maanden zal het onderwerp hier in de parlementen aan de orde komen.

Het Europese Parlement zal waarschijnlijk in september nogmaals over het "compromis" stemmen. Het Parlementsbesluit kan uiteindelijk botweg door de Commissie aan de kant geschoven worden, maar publicitair gezien zou dat geen handige zet zijn.

Het voorstel komt pas in definitieve stemming in de Raad van Ministers als het in alle EU-talen is vertaald (september 2004). Daarna buigt het Europees Parlement zich er weer over. Als het Parlement opnieuw tegen stemt, kan de Raad het voorstel toch doordrukken, maar komt er opnieuw een stemming over.


Kortom, het spel is nog niet uitgespeeld!

Er zijn veel manieren waarop mensen hier in Nederland nog in aktie kunnen komen over dit op het eerste gezicht technische, maar uiteindelijk diep ingrijpende thema. Zoals het ondertekenen door individuen en organisaties van de petitie op petition.eurolinux.org
Een goed beginpunt voor meer aktieinformatie bieden de volgende websites:
http://www.vrijschrift.org/swpat/index.nl.html
http://swpat.ffii.org/

Meer achtergronden over de geschiedenis van patenten kun je onder andere vinden op de website van internetwerkplaats ASCII (Amsterdam Subversive Centre for Informnation Interchange): http://a.scii.nl


Noten:
[1] Paul is verbonden aan de internetwerkplaats ASCII in Amsterdam.
[2] Meer over OpenSource (en GNU/Linux) in "patentering bedreiging voor digitale vrijheden", door Kasper Souren, in Ravage nr 8, van 11 juni 2004
[3] World Intellectual Property Organisation. Meer hierover ondermeer in "WIPO's Patent Agenda doet TRIPs-verdrag verbleken", WTO.ZIP nr 39 van 31 oktober 2003 (http://www.globalinfo.nl/article/articleview/254/) en "HELP - de Chinezen komen (of niet)", WTO.ZIP nr 41 van 9 december 2003 (http://www.stelling.nl/trouble/zip/031209--00(41).htm).
[4] WTO verdrag inzake Intellectueel Eigendomsrecht.
[5] Een patent berust van oudsher op vier onderscheidende criteria, waarvan de definitie echter niet glashelder is. De uitvinding moet nieuw zijn, aan techniek gerelateerd, een duidelijke verbetering ten opzichte van de huidige stand der techniek zijn en economisch nuttig. Het Europees parlement heeft als definitie van "aan techniek gerelateerd" voorgesteld dat een patent betrekking heeft op "het manipuleren van de fysieke natuur en natuurkrachten". Deze definitie, die expliciet patenten op software uitsluit, is door de Commissie naar de prullenbak verwezen. Een patent dat niet aan de voorwaarden voldoet, bijvoorbeeld omdat het voor een redelijk geschoolde ingenieur in het vakgebied een vanzelfsprekende oplossing is, wordt een "triviaal" patent genoemd.
[6] Een "business method" kan van alles zijn om een bepaald (zakelijk of sociaal-economisch) proces beter te laten verlopen. Bijvoorbeeld het betalen via Internet, de brainstormsessie, of het archiveren van email op basis van datum (gepatenteerd in Duitsland).
[7] Brinkman had opdracht om tegen te stemmen, via meerdere moties. Deze waren onder andere door zijn eigen partij ingediend. Daarnaast vertelde hij de kamer dat er een compromis was bereikt tussen Europees Parlement en de Europese Commissie, wat aantoonbaar onjuist was.
[8] Verschillende empirische onderzoeken hebben aangetoond dat patenten in de plaats komen van research, in plaats van het stimuleren van research. Het budget dat aan onderzoek wordt besteed in de VS is afgenomen sinds de invoering van softwarepatenten, terwijl het budget voor juridische afdelingen evenredig is gegroeid. Http://www.researchoninnovation.org/online.htm#sw
[9] Het is nog onduidelijk hoe de verschillende partijen hierop zullen reageren. De SP en Groenlinks hebben zich al duidelijk uitgesproken, maar ook Brinkman's eigen D66 is tegen softwarepatenten.


WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp


E) Hoger onderwijs in een Noord-Zuid perspectief.
De Wereldbank op de bres voor de privatisering van het onderwijs in het Zuiden.
(door Stijn Oosterlynck [1])


De Internationale Bank voor Heropbouw en Ontwikkeling, nu gekend als de Wereldbank (WB), werd vlak na de tweede wereldoorlog opgericht onder meer om ontwikkeling van de landen in het Zuiden te ondersteunen. Volgens Gian Carlo Delgrado-Ramos, een onderzoeker van de Autonome Universiteit van Barcelona die de rol van de Wereldbank in het privatiseren van publieke universiteiten in het Zuiden analyseert [2], gebeurde dit niet zonder een fikse dosis eigenbelang. De economisch en financieel dominante positie van de VS vertaalde zich in haar stevige controle over de Wereldbank (oa. via haar veto-macht). Op die manier kon de VS ervoor zorgen dat een aanzienlijk deel van de private investeringen die in het kader van de WB-programma's gedaan werden tegoed kwamen aan Amerikaanse bedrijven.

Privatiseringsagenda van Wereldbank

Delgrado-Ramos legt uit hoe dit bedrijfsleven via 'working clusters' nauw betrokken is bij de werking van de International Finance Corporation, de arm van de Wereldbank die geld uitleent aan de private sector en technische assistentie en advies geeft over privatiseringen. Uit zijn onderzoek blijkt hoe de privatiseringsagenda van datzelfde bedrijfsleven zich weerspiegelt in de manier waarop de Wereldbank regeringen in het Zuiden onder druk zet om hun openbare universiteiten te privatiseren. Delgrado-Ramos verwijst onder andere naar het rapport "The financing and management of higher education" uit 1998 waarin de WB haar wereldwijde agenda voor onderwijshervormingen uiteenzet [3]. De Wereldbank verbergt daarin haar doelstellingen niet: "the reform agenda of the 90s, and almost certainly extending well into the next century, is oriented to the market rather than to public ownership or to governmental planning and regulation". Concreet betekent dit voor de Wereldbank onder andere inschrijvingsgelden die de volledige kosten van het onderwijs dekken, studentenleningen met rente tegen markttarief, training in ondernemerschap als deel van het curriculum en het verkopen van onderzoek via contracten.

Het pleidooi van de Wereldbank voor marktgerichte hervormingen is volgens de instelling zelf niet louter ideologisch. Een belangrijke reden voor de privatisering van universiteiten die zij naar voor schuift is het 'feit' dat belastingen in de huidige geglobaliseerde economie steeds makkelijker te ontwijken en moeilijker te innen zijn, en dat de publieke behoeften die door de overheid gelenigd moeten worden toenemen. Volgens Delgrado-Ramos komt de privatisering van de overheidsdiensten in het Zuiden echter neer op de onteigening van de publieke infrastructuur en schatkist van ontwikkelingslanden. Het geld dat de privatiseringen opbrengen wordt immers in vele gevallen gebruikt om schuldenlasten en schulden ontstaan door financiële en privatiseringsfraude af te betalen aan Westerse banken en regeringen en aan internationale instellingen in plaats van het aan te wenden voor de broodnodige binnenlandse investeringen in onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur.

Commercialisering van universitair onderzoek

Een van centrale punten in het rapport is de commercialisering van het universitair onderzoek. De Wereldbank stimuleert dit onder meer via haar Millennium Science Initiative (MSI). MSI is een nieuw programma van de Wereldbank waarbij landen geld kunnen lenen voor het verbeteren van de kwaliteit en efficiëntie van hun wetenschappelijke en technologische capaciteit. Cruciaal in dit programma is volgens Delgrado-Ramos de sterke nadruk die gelegd wordt op samenwerking met de private sector en het opleiden van studenten als 'human resources' voor de privé-sector. MSI-fondsen kunnen enkel gebruikt worden voor het eigenlijke onderzoek, niet voor het financieren van de onderzoeksinfrastructuur. Deze kosten worden liever overgelaten aan de publieke overheden, terwijl privé-bedrijven zich wel de onderzoeksresultaten en het menselijk kapitaal dat geproduceerd wordt met behulp van deze infrastructuur toe-eigenen. Delgrado-Ramos stelt bovendien terecht dat deze commercialisering van onderzoek en ontwikkeling aan universiteiten leidt tot een groeiende kloof tussen de nationale onderzoeks- en ontwikkelingsprioriteiten en de echte noden van de samenleving in ontwikkelingslanden. Het zijn steeds meer Westerse multinationals die bepalen wat onderzocht wordt en die zich de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek toe-eigenen. Dit hypothekeert de ontwikkelingskansen van de landen in het Zuiden.

Primaat van de 'onderwijsconsument'

Een andere belangrijke aspect van de vermarktingsagenda van de Wereldbank die Delgrado-Ramos waarneemt in het rapport [3] is de verschuiving van het primaat van de onderwijsinstellingen naar het primaat van de 'onderwijsconsument'. Daarmee willen ze de "overdreven macht van het professoraat" openbreken. Delgrado-Ramos wijst hier op een belangrijke dimensie van de neoliberale privatiseringscampagne. Het personeel van publieke onderwijsinstellingen heeft door de jaren heen haar eigen unieke expertise en procedures ontwikkeld om de onderzoeksprioriteiten op te stellen en de kwaliteit van het onderzoek te beoordelen en dit buiten de markt om (oa. peer review of het beoordelen van onderzoek door collega wetenschappers). Men dus kan verwachten dat zij zich zullen verzetten tegen een onderwerping van hun activiteiten aan de markt. In die markt is het immers de consument, in casu studenten of private bedrijven, en niet het onderzoekspersoneel die bepaalt wat de prioriteiten en criteria voor beoordeling van de kwaliteit van onderzoek zijn. De vermarkting van wetenschappelijk onderzoek leidt zo tot het ondermijnen van potentiële haarden van verzet tegen de privatisering van het onderwijs en de vernietiging van kennis over hoe onderwijs- en onderzoeksinstellingen op niet-marktgerichte basis georganiseerd kan worden. Op die manier wordt een andere dan een neoliberale wereld minder 'denkbaar' en dus minder mogelijk gemaakt.

"Landen Assistentie Strategieën"

De privatiseringsagenda van de Wereldbank wordt verder verspreid via de "Landen Assistentie Strategieën" (Country Assistance Strategy). In deze strategie-documenten zet de Wereldbank haar beleidsprioriteiten uit voor een specifiek land dat geld leent van de Bank. Delgrado-Ramos geeft Mexico als voorbeeld. In de Landen Assistentie Strategie 2002-2006 voor Mexico schrijft de Wereldbank Mexico een 'nieuwe onderwijscultuur' voor waar niet zozeer het leerproces maar de uiteindelijke resultaten, gemeten in gestandaardiseerde nationale tests, belangrijk zijn. Op aanraden van de Wereldbank besliste de Mexicaanse regering begin 2004 extra publieke budgetten te verdelen over de universiteiten op basis van hun scores op een standaardtest. In realiteit wordt het budget teruggeschroefd en vervangen door private leningen aan strenge voorwaarden en donaties. De gevolgen zijn volgens Delgrado-Ramos navenant. De toegang tot publieke universiteiten wordt steeds moeilijker. Het enige alternatief zijn de privé-universiteiten, maar die zijn erg duur. Terwijl het aantal studenten aan privé-universiteiten in Latijns Amerika de voorbije vijftien jaar meer dan verdubbelde, daalde de proportie van de bevolking die hoger onderwijs geniet zorgwekkend.

Delgrado-Ramos linkt deze ontwikkelingen aan de behoeften van de mondiale arbeidsmarkt. De uitbreiding van de groep Latijns-Amerikanen die enkel laag en middelbaar geschoold zijn, is nodig om voldoende getrainde werkers te hebben die de machines van de multinationale ondernemeningen in de maquilas [4] kunnen bedienen. De migratie van de hoogst opgeleiden naar het Westen, veroorzaakt door het gebrek aan financiële middelen en andere vormen van ondersteuning voor publieke universiteiten in Latijns Amerika, wordt zelfs aangemoedigd. Volgens de Mexicaanse regering is dit geen 'brain drain', maar de export van "Mexicaanse ambassadeurs". Tegelijkertijd is er ook een migratiestroom van ongeschoolde werkkrachten naar het Westen. Die ongeschoolde arbeid ondermijnt de lonen en arbeidsvoorwaarden van de laaggeschoolden in het Westen.

Delgrado-Ramos merkt heel terecht op dat de commercialisering van het hoger onderwijs in het Zuiden en de invloed die daarvan uitgaat op het aantal en de soort studenten, de onderwijsprogramma's en procedures en het soort onderzoek en ontwikkeling, naadloos aansluit bij de GATS. De GATS is het onderdeel van de Wereldhandelsorganisatie dat gericht is op het liberaliseren van de handel in diensten, inclusief onderwijsdiensten. Het creëren van een wereldwijde markt in onderwijsdiensten, vereist in de eerste plaats dat onderwijs verhandeld kan worden [5]. Het is net deze omvorming van hoger onderwijs in het Zuiden tot een marktgoed dat de Wereldbank nastreeft. Zoals de analyse van Delgrado-Ramos aantoont doet de Wereldbank dit door de macht in de onderwijssector te verschuiven van de aanbieder - de onderwijsinstelling en het onderwijzend personeel - naar de onderwijsafnemer, en door die afnemer te dwingen onderwijs steeds meer te zien in economische, eerder dan breder humanistische, termen.

Noord en Zuid

Dat het Zuiden een belangrijke markt is voor hoger onderwijsdiensten wordt aangetoond door de volgende cijfers. In 1950 waren er wereldwijd 6,5 miljoen studenten geregistreerd, vandaag zijn dat er 100 miljoen [6]. Een steeds groter deel daarvan zijn studenten uit de Derde Wereld. Toch profiteert het Zuiden daar niet echt van. De bloeiende internationale handel in hoger onderwijs is immers grotendeels eenrichtingsverkeer. Weinig studenten van ontwikkelde landen gaan in het Zuiden studeren. Het overgrote deel van de topuniversiteiten in de wereld ligt dan ook in het Noorden. Voor universiteiten in het Noorden zijn studenten uit het Zuiden een steeds belangrijker bron van inkomsten, vooral in die landen waar de overheidssubsidies teruggeschroefd worden en waar de universiteiten feller moeten concurreren voor private financiële middelen. Studenten uit de Derde Wereld betalen ongeveer 14,500$ per jaar om aan die universiteiten te mogen studeren. Dit is meer dan drie keer zoveel dan binnenlandse - of in het geval van Europa, Europese - studenten die dezelfde opleiding volgen. Voor hen dekken de overheidssubsidies een deel van het inschrijvingsgeld.

Het is bijzonder moeilijk voor universiteiten in ontwikkelingslanden om op te klimmen tot een topinstelling. Rangschikken van universiteiten gebeurt immers dikwijls op basis van criteria die meer aandacht besteden aan onderzoek dan aan onderwijs. Alhoewel onderwijs geven een minstens even belangrijke taak van universiteiten is, bouwen universiteiten zich dus vooral een reputatie op met hun onderzoek. Dit is een ongunstige situatie voor universiteiten in ontwikkelingslanden die steeds minder (publieke) middelen krijgen om op onderzoeksgebied de concurrentie aan te gaan met instellingen in het Noorden en daardoor ook dikwijls hun beste wetenschappers zien vertrekken. Wel zouden ze studenten uit het Noorden kunnen aantrekken met hun onderwijs, onder andere doordat de inschrijvingsgelden in het Zuiden een stuk lager liggen. Toch slagen ze daar niet goed in, mede doordat die studenten dankzij overheidssubsidies veel minder dan de volledige inschrijvingsgelden betalen in universiteiten in hun eigen land.

Internationaal herverdelend belastingssysteem

Zoals Delgrado-Ramos overtuigend aantoont vormen meer private investeringen geen oplossing voor de hoger onderwijsproblemen in de ontwikkelingslanden, omdat de fondsen niet ten goede komen aan het publieke nationale belang, maar vooral aan de belangen van de multinationale ondernemingen. De enige effectieve en sociaal rechtvaardige oplossing is dan ook de universiteiten in het Zuiden van een degelijke publieke financiering voorzien. Het argument van de Wereldbank dat de globalisering het ontwikkelingslanden steeds moeilijker maakt belastingen te innen is geen 'natuurfeit', maar juist het resultaat van politieke beslissingen om de financiële markten te dereguleren en liberaliseren, om belastingsparadijzen te gedogen en de manifeste politieke onwil om een internationale fiscaliteit uit te bouwen die de huidige grootschalige fiscale dumping tegengaat. De beste manier om tegen deze desastreuze trend in te gaan is radicaal te kiezen voor het uitbouwen van een internationaal herverdelend belastingssysteem, waarbij de invoering van de Tobintaks een eerste stap zou kunnen zijn. Over een internationaal rechtvaardige fiscaliteit lezen we echter zelden iets bij 'ontwikkelings'-instellingen zoals de Wereldbank [7].


Noten:
[1] Stijn is verbonden aan ATTAC Vlaanderen en is te bereiken via: stijn.oost@attac.be
[2] "World Bank and the privatization of public university: a South-North analysis", door Gian Carlo Delgrado-Ramos (2004). Deze paper is gebaseerd op het boek "Imperialism and World Bank" dat Gian Carlo Delgrado-Ramos samen met John Saxe-Fernandez schreef en dat recent uitkwam bij Editorial Popular Spain.
[3] "The financing and management of higher education: a status report on worldwide reforms", door Johnstone D. Bruce van de State University of New York at Buffalo, in opdracht van de Wereldbank (1998).
[4] Gedereguleerde zones, waar belasting- en arbeidswetten uit het gastland niet van toepassing zijn.
[5] Volgens Delgrado brengt de commercialisering wereldwijd al 365 miljard dollar op (door het veilen van cursussen, trainingen etc.) en dit bedrag zal naar verwachting enorm toenemen zodra hoger onderwijs onder het GATS (General Agreement on Trade in Services) aangemerkt zal worden als goed ('commodity').
[6] "Fair trade university education?", door John Tiffin, Guardian Weekly, 28 mei 2004.
[7] Meer informatie over internationale fiscale rechtvaardigheid is te vinden op de website van Tax Justice Network: http://www.taxjustice.net/e/about/index.php


WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp


F) Eerlijke handel in tropische gewassen is mogelijk
(door Chris Peeters)

De handel in grondstoffen moet volgens velen weer in het centrum van de discussie over een eerlijke wereldhandel staan. Op UNCTAD XI riepen deelnemers op om de 'samenzwering van de stilte' rond de grondstoffencrisis te verbreken en besloten is dat UNCTAD een wereldwijd 'partnerschap voor grondstoffen' [1] zal opzetten. De EU beloofde in december 2003 om een Europees actieplan voor grondstoffen op te stellen. En de NGO's IATP en OXFAM publiceerden rapporten over het onderwerp.
Hier volgt een inleiding op het probleem en een voorstel van landbouwdeskundige Niek Koning [2] voor het tot stand brengen van nieuwe overeenkomsten voor landbouwgrondstoffen (verder: GO).


De landen die afhankelijk zijn van grondstoffenexport [3] hebben hun handelspositie de laatste decennia drastisch zien verslechteren. Tussen 1980 en 2002 was de daling van de prijzen van 12 belangrijke tropische grondstoffen 50 tot 86%, een prijsval erger dan in de jaren dertig van de 20e eeuw. Destijds waren grondstoffen-overeenkomsten aanleiding voor felle discussies. Keynes voorzag in een organisatie voor het controleren van de grondstoffenhandel in zijn schets voor de na-oorlogse ekonomische instituties. Maar de VS blokkeerden elke beperking van de vrijhandel (toen al!).
In 1964 werd UNCTAD opgericht. Vanaf het begin pleitten de pas gedekoloniseerde landen binnen deze VN-organisatie voor internationale grondstoffencontrole die hun exportopbrengsten zou stabiliseren. Maar in de meeste gevallen verzetten de Westerse landen zich hiertegen. De EU, bijvoorbeeld, blokkeerde een vernieuwde suikerovereenkomst doordat ze weigerde haar suikerdumping op te geven.
In de jaren tachtig verminderde (in het algemene liberaliseringsklimaat) de steun voor de GO nog meer. De cacao-overeenkomst ging ten onder doordat - onder druk van OECD-landen - exportquota werden afgeschaft, hetgeen leidde tot te grote buffervooraden. De koffie-overeenkomst ging ten onder aan ruzies over quota-herverdeling.
Omdat duidelijk wordt dat de bestaande liberale handelspolitiek echter faalt bij het oplossen van de grondstoffencrisis krijgen steeds meer regeringen opnieuw belangstelling voor GO.

Overproductie

Om de grondstoffencrisis aan te pakken is een helder inzicht in de problemen met betrekking tot grondstoffen nodig. Vele rapporten geven er drie aan:

- prijsinstabiliteit op korte termijn.
Wisselende productie-omstandigheden van veel grondstoffen veroorzaken vaak sterke prijswisselingen. Misoogsten leiden tot achtereenvolgens prijsstijgingen, een toename van investeringen, overproductie en prijsval, en tenslotte, deinvestering.

- vermindering van de relatieve prijs van grondstoffen ten opzichte van industrieproducten op lange termijn.
Een aantal factoren leidt tot een chronische neiging tot overproductie die de prijzen continu onder druk zet: de enorme productiviteitsstijging in de landbouw in de laatste eeuw, de betrekkelijk geringe consumptiestijging bij lagere prijzen, de Westerse productiegerelateerde steun aan boeren en exportdumping, het afdwingen door Wereldbank en IMF van grotere export van grondstoffen door landen met betalingsbalansproblemen, en importbelemmeringen door het Noorden. Studies tonen dat het afschaffen van subsidies niet afdoende is om overproductie te voorkomen; daarvoor is aanbodmanagement noodzakelijk.

- steeds grotere macht van de handelaren in en verwerkers van grondstoffen.
De handel en verwerking van grondstoffen is door reeksen fusies in handen gekomen van steeds minder bedrijven. Het grote aantal kleine producenten in veel landen [4] stelt de verwerkers in staat lage inkoopprijzen af te dwingen. Onderzoek toont een steeds groter verschil aan tussen de prijs die grondstofproducenten krijgen en wat de consument uiteindelijk betaalt [5].

Mislukkingen

Andere problemen kunnen leiden tot het mislukken van grondstoffen-overeenkomsten. Door de werkwijze van grondstoffenbureaus in ontwikkelingslanden komen de opbrengsten van exportcontroles niet terecht bij de kleine, arme producenten, maar gaan ze op aan de kosten van en corruptie bij het controleapparaat van overheden. Verder wordt de integratie van nieuwe productielanden in GO belemmerd door quotasystemen die de aangesloten producenten bevoordelen. Tenslotte is er de ondermijning door het zogenaamde 'free rider'-gedrag: als niet alle landen meedoen kunnen exporteurs hun overproductie tegen een lagere prijs dumpen op markten in niet-deelnemende landen. Die krijgen dan grondstoffen goedkoper dan landen die wel deelnemen.
Zonder productiecontrole zijn exportquota ontoereikend bij chronische overproductie; buffersystemen zijn dan onbetaalbaar. Tot nu toe zijn GO mislukt, omdat de ontwikkelingslanden niet genoeg macht opbouwden om het onderliggende systeem van afspraken werkelijk te veranderen.

Voorstel van Niek Koning

Koning met de zijnen schetsen een grondstoffenovereenkomst die deze problemen voorkomt. De hoofdlijnen:

1. de regeringen van ontwikkelingslanden scheppen een nieuw "Fonds voor eerlijke handel", kiezen een aantal sleutelgrondstoffen uit en stellen de gewenste bandbreedte voor de prijs van deze grondstoffen vast.

2. Het fonds wordt (aan)gevuld met de opbrengst van belasting die deelnemende landen opleggen aan de export van grondstoffen waarvoor een prijsondersteuningsbeleid geldt. De fondsgelden worden gebruikt om voorraden en deel van de huidige productie op te kopen, zódanig dat de wereldprijs stijgt en dat boeren er ondanks de belasting op vooruit gaan. Alle opgekochte grondstoffen worden vernietigd op een buffervoorraad na. De marktpartijen die verdere prijsstijgingen verwachten, zullen zelf voorraden gaan aanleggen. Het Fonds verleent producenten productiequota en koopt die quota in de opvolgende jaren geleidelijkaan op, opdat de productie stap voor stap vermindert, en de prijs blijft stijgen - evenals de inkomens van de producenten. Zo wordt de productie - in plaats van exporten of voorraden - direct gereguleerd.

3. Zodra de wereldmarktprijs binnen de afgesproken bandbreedte terechtkomt, verlaagt het fonds de belasting zodat wereldmarktprijs en de prijs die de boer krijgt dichter bij elkaar komen. Het fonds beperkt zijn marktinterventie tot het managen van de buffervoorraad om prijsfluctuaties te beperken. Boeren kunnen nu in eigen land quota kopen en verkopen. (Overheidsgeregulering blijft mogelijk, bijvoorbeeld om te voorkomen dat een product uit een bepaalde regio verdwijnt). De individuele quota past het fonds voortdurend aan om de prijs binnen de afgesproken bandbreedte te houden. Het fonds koopt (volgens vooraf overeengekomen regels) quota op in landen met lage quotaprijzen en verkoopt ze in landen met hoge quotaprijzen [6].

Voordelen

Het grote voordeel van dit systeem is dat het zichzelf betaalt en niet afhankelijk is van de medewerking van de ontwikkelde landen. Dat vergroot de macht van ontwikkelingslanden in het internationale handelssysteem. Verder maakt het internationaal verhandelen van quota 'free rider'-gedrag onaantrekkelijk en voorkomt het starheid van het systeem doordat aanpassing aan nieuwe productieverhoudingen mogelijk wordt. Landen behouden ook hun onafhankelijkheid: zij bepalen de manier waarop quota binnen hun grenzen mogen worden verhandeld. En de voordelen van hogere wereldmarktprijzen vallen toe aan de producenten.

Koning geeft aan dat zijn model maar één mogelijkheid is. OXFAM wil dat UNCTAD de beste methoden op een rij zet. Volgens OXFAM moeten de grondstoffen-overeenkomsten aangevuld worden met ondersteuningsmaatregelen. Gedacht wordt aan een compensatiefonds voor getroffen boeren voor de periode tot de prijzen door interventie zijn hersteld [7]. Maar ook aan een diversificatiefonds voor landen die getroffen worden door quotaverlies en meer algemeen om de afhankelijkheid van landen van grondstoffenexport te verminderen. En natuurlijk moeten de rijke landen stoppen met export beneden de kostprijs en moeten ze hun markten onbeperkt openstellen.

Verzet

Het is te verwachten dat de rijke landen zich tegen zulke voorstellen zullen verzetten (of zullen proberen hun eigen exporten van de afgesproken grondstoffen te vergroten zonder aan het systeem deel te nemen). De ontwikkelingslanden moeten daarom tegenmacht opbouwen, door:
- samen met NGO's en sympathiserende landen een 'Coalitie voor eerlijke handel', op te richten;
- voor iedere grondstof (door een 'task force') afspraken vast te laten leggen met de voornaamste handels- en verwerkingsbedrijven, en door te werken aan het opzetten van producenten- en consumentenboycots. Op die manier kan het oligopolistische karakter van veel sectoren van een nadeel in een voordeel veranderen;
- hun medewerking aan regels voor intellectueel eigendom, terrorismebestrijding en andere zaken die de rijke landen belangrijker vinden dan ontwikkeling, afhankelijk te maken van de medewerking van het Noorden aan grondstoffenovereenkomsten.


Bronnen:
- "Commodities Trade, Poverty Alleviation and Sustainable Development", door T. Lines, UNCTAD, 15 juni 2004, http://www.agricultures-durables-solidaires.org/documents%20PFADS.htm
- "The Commodities Challenge; Towards an EU Action Plan", door OXFAM, januari 2004, http://www.oxfam.org.uk/what_we_do/issues/trade/downloads/eu_commodities.pdf
- "Fair trade in tropical crops is possible; international commodity agreements revisited", door N. Koning, M. Calo en R. Jongeneel, juni 2004, http://www.tradeobservatory.org/library.cfm?refID=31530
- "Report on the meeting of eminent persons on commodity issues", door UNCTAD, september 2003, http://www.unctad.org/en/docs//tb50d11_en.pdf
- "UNCTAD XI: Challenging the Commodity Crisis", door S. Murphy van het IATP, juni 2004, http://www.tradeobservatory.org/library.cfm?refid=31507

Noten:
[1] Zonder die prijsdaling zouden de ontwikkelingslanden in 2002 $ 243 mld meer inkomsten hebben gehad, ofwel 5 keer hun jaarlijkse hulpbudget.
[2] Hij is verbonden aan de Universiteit van Wageningen.
[3] In het WTO-jargon 'Commodity Dependant Developing Countries' - CDDC's - genoemd: landen waar minstens 20% van de export bestaat uit hoogstens 3 gondstoffen; vooral landen in Sub-Sahara Afrika.
[4] Om de machtsverhoudingen aan te geven: de grootste koffie-inkoper koopt jaarlijks 15 miljoen balen koffie, de gemiddelde producent verkoopt 15 balen. Zes handelshuizen controleren nu de helft van de handel in groene koffiebonen; twee bedrijven hebben de helft van de markt voor geroosterde koffiebonen in handen.
[5] Tussen 1986 en 2001 steeg de winkelprijs van koffie in Engeland met bijna een derde! Het IATP pleit er daarom voor dat UNCTAD opnieuw het marktaandeel van multinationale grondstoffenbedrijven in beeld brengt. OXFAM bepleit actie tegen excessieve marktconcentratie; per slot van rekening voert de EU in tal van sectoren een mededingingsbeleid.
[6] Zo bewerkstelligt het fonds een geleidelijke verschuiving van minder naar meer efficiënte producenten. Immers, in een land met een groot verschil tussen productieprijs en wereldmarktprijs zullen quota gewild en dus duur zijn, bij een klein verschil zijn ze goedkoop.
[7] De 'eminente personen' (zie bronnen) pleiten voor een algemeen systeem dat gemakkelijk implementeerbaar is, gebaseerd op bekende regels (die automatisch in werking treden in situaties waar ze van toepassing zijn), zonder politieke voorwaarden, en dat snel geld uitkeert rechtstreeks aan producent en consument.


WTO---zzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiiiipppppppppppppppppppppp


G) WTO 'eindelijk' weer op gang na Cancún-debacle
Raamwerkakkoord strijdig met ontwikkelingsdoel van Doha Ronde
(door Rob Bleijerveld [1])

Na een lang en zwaar onderhandelingsproces stemden de 147 WTO-vertegenwoordigers in Genève in de nacht van 31 juli in met een tussentijdse raamovereenkomst in het kader van de Doha Ontwikkelings Ronde. Tegelijkertijd besloten ze tot het houden van een ministersconferentie in Hong Kong in december 2005 en verschoven ze de sluitdatum van de Ronde naar een onbepaalde datum.
Het bereiken van de raamovereenkomst - met daarin de grove uitgangspunten voor verdere onderhandelingen op een aantal WTO-deelgebieden - wordt door sommigen gezien als teken dat de organisatie na de mislukking van de Cancún-top levensvatbaar blijft. De massamedia juigen het bereiken van het akkoord over het algemeen toe en benadrukken de positieve uitwerking van de afspraken over het terugdringen van exportsubsidies door de rijke staten. Internationale NGO's en activistengroepen daarentegen geven aan dat dit akkoord vooral veel "verlies" op zal leveren voor de (bevolking in) arme staten en voor duurzame ontwikkeling. Het onderhandelingsproces werd gestuurd door de VS en EU, en de arme staten zijn door politieke druk, tijdsdruk en de angst om verantwoordelijk gehouden te worden voor het (algeheel) falen van de WTO ertoe gebracht in te stemmen met de door hen sterk bekritiseerde verdragstekst.


Dit raamakkoord is bedoeld om een kader te bieden aan de vervolgonderhandelingen in de Doha Ronde. De handelsministers Lamy (EU) en Zoellick (VS) - die allebei dit najaar aftreden - hamerden sinds de mislukking van de Cancún-top (september 2003) op het belang hiervan. Ze wilden er zeker van zijn dat het WTO-proces niet verder zou stagneren.

Maar ook tijdens de onderhandelingen voor dit akkoord was er - net als tijdens de WTO-toppen in Seattle, Doha en Cancún - sprake van een ondemokratisch besluitvormingspoces en van machtsmisbruik door een aantal rijke staten in samenwerking met de WTO-leiding. Zo werden de ontwerpteksten niet eerder dan de 16e juli door de WTO-leiding aangeleverd, terwijl de uiterste sluitdatum gesteld was op de 31e. Daardoor was er zeer weinig tijd voor delegaties om ze te bestuderen en om ruggespraak te houden met hun regeringen. De beschouwingen en onderhandelingen over deze conceptteksten begonnen op de 27e en zouden op de 29e (uiterlijk de 30e) beëindigd worden [2]. Toch werd de eerste herziene ontwerptekst pas in de ochtend van de 30e gepresenteerd, waarna de informele vergadering van de Heads of Delegations zich daarover boog ondanks - wederom - gebrek aan voldoende tijd voor bestudering en ruggespraak. Het eindontwerp voor de verdragstekst kwam vervolgens in de middag van de 31e uit en er was toen nog slechts een (lange) nacht om een besluit te nemen.

Vooral de delegaties van arme staten met weinig personeel en nauwelijks of geen toegang tot de informele (en Greenroom-) zittingen waren hierbij in het nadeel. Door de afwezigheid van de ministers van de meeste arme staten [3] konden de delegaties evenmin op zo'n korte termijn politieke beslissingen nemen ten aanzien van proces en inhoud. Dit was belangrijk, omdat de WTO-leiding een aantal sterk bekritiseerde teksten en bijlagen aanleverde als enig onderhandelingsmateriaal (zoals de beruchte "Derbez-tekst" over NAMA [4], daterend van de Cancún-top). Verder konden leden van NGO's nu niet in contact treden met WTO-gedelegeerden, in tegenstelling tot bij de Cancún-bijeenkomst; het was hen niet toegestaan het terrein waar de onderhandelingen plaatsvonden te betreden of om de formele openings- en afsluitingsbijeenkomsten bij te wonen.

Gijzeling door VS en EU

Gedurende de eerste vier (geagendeeerde) onderhandelingsdagen gijzelden de VS en EU de WTO. Op 27 en 28 juli vonden de ministers van de grootste landbouwproducenten [5] - Australië, India, Brazilië, EU en VS - namelijk onderdak in de VS-ambassade in Genève. Op uitnodiging van Lamy en Zoellick werkten ze samen een onderlinge overeenkomst uit op het gebied van landbouw. De andere WTO-leden konden niets anders doen dan wachten op een overeenkomst van deze zogenaamde "Five Interested Parties". Dit omdat landbouw een belangrijk breekpunt is en vijf belangrijke spelers niet beschikbaar waren voor algemene onderhandelingen. Het beklag van zowel ontwikkelingsstaten als ontwikkelde staten over hun uitsluiting bij deze gesprekken had echter geen effect.
Aansluitend op het FIP-overleg belegden de Lamy en Zoellick een mini-top waarvoor ze 28 andere handelsministers uitnodigden. Op deze besloten bijeenkomst werden de overige voorstellen voor het akkoord voorgekookt.

Door hun niet-inschikkelijke houding voorafgaand aan de 27e juli en door het FIP-overleg bepaalden de VS en EU in feite de inhoud van het uiteindelijke WTO-akkoord. Belangrijk in dit verband is dat de uitkomst voor "landbouw" maatgevend was voor de standpunten van veel staten ten aanzien van andere thema's (vooral: marktoegang voor niet-agrarische producten, en liberalisering van diensten). Verder werd al langere tijd door de WTO, bepaalde staten en de media benadrukt dat de rol van de WTO zonder raamakkoord uitgespeeld zou zijn en dat dit vooral de ontwikkelingskansen van de arm(st)e staten zou belemmeren [6]. Naast een paar kleine winstpunten die arme staten uit de onderhandelingen konden slepen, wordt vooral de "fear of blame"-factor door internationale NGO's als doorslaggevend gezien voor het feit dat het raamwerk uiteindelijk algemeen bindend werd verklaard.

Raamovereenkomst

De raamovereenkomst bestaat uit een hoofddokument van drie pagina's en vier bijlagen: Annex A (landbouw, AG), Annex B (markttoegang voor niet-agrarische produkten, NAMA), Annex C (Dienstenliberalisering, GATS) en Annex D (Handels Facilitatie, TF). In het hoofddokument zijn ondermeer de basisuitgangspunten [7] neergelegd voor (verdere) onderhandelingen op het gebied van AG, NAMA, Katoen, GATS, TF, de andere drie Singapore Issues, Special and Differential Treatment, en Implementation Issues. Over de rest van het Doha Mandaat- waaronder TRIPs, Geschillenbeslechting, Regels en Milieu - stelt het akkoord dat de lopende onderhandelingen door zullen gaan.


1. Landbouw (AG)

In de landbouwdiskussies gaat het om drie 'pilaren': exportsubsidies, 'domestic' subsidies en markttoegang.

-- exportsubsidies
Bij de eerste pilaar is een belangrijke winstpunt voor arme staten dat de rijke staten instemden met het verwijderen van de landbouwexportsubsidies, langlopende exportkredieten, exportkredietgaranties en een deel van de verzekeringsprogramma's [8]. Een groot probleem is echter dat er geen 'roadmap' of ingangsdatum is vastgesteld!

-- 'domestic' subdidies
Bij de onderhandelingen over de tweede pilaar eisten de VS en de EU in de fase vlak voor de eindbeslissing belangrijke toezeggingen op waardoor ze een deel hun (bestaande) subsidieprogramma's veilig kunnen parkeren. Via een overrompelingstaktiek lukte het om relatief nieuwe voorstellen voor regelingen voor de 'Blue Box' [9], de 'Green Box' [10] en 'Gevoelige Producten' in de eindtekst opgenomen te krijgen. Zo kunnen ze de 'schade' bij pilaar 1 opvangen en mogelijk zelfs hun subsidieniveaus algeheel opschroeven. Onderwijl was er weinig vooruitgang in de onderhandelingen over (al langer op de rol staande) voorstellen van arme staten voor het weren van goedkope importen, voor 'Speciale Producten' en 'Speciale Garantie Mechanismen' (SSM).

De arme staten haalden ook bakzeil bij afspraken over verlaging van de 'de minimis domestic support'. Hierdoor zullen ze nog minder in staat zijn met geringe subsidies de binnenlandse productie te sturen. De enige in de tekst opgenomen uitzondering geldt slechts voor een enkele staat. Afspraken over maximaal gebruik van de Amber Box (handelsverstorende subsidies, ofwel: Aggregate Measurement of Support) en over een algehele verlaging van 'domestic subsidies' lijken tegemoet te komen aan het Doha-principe van "substantial reductions in trade-distorting domestic support." Maar ook hier - net als bij alle andere onderdelen van het akkoord - zit de "duivel in de details". Het is niet zeker of het rekenmodel voor de vaststelling van de verlaging werkelijk zal leiden tot vermindering van subsidies door rijke staten; het hangt sterk af van de nog in te vullen parameters voor gebonden/toegestane en bestaande subsidieniveaus.

-- markttoegang
Op de valreep waren de rijke staten in staat om een groot aantal van hun landbouwproducten af te schermen tegen de (goedkopere) import vanuit arme staten. Door ze onder te brengen in de categorie "Gevoelige Producten" zijn ze mogelijk uitgezonderd van een nog af te spreken algemene tariefsverlaging. Handhaving van de hoge tarieven dupeert arme staten ernstig omdat daardoor een groot aantal van hun exportpakket (te) duur blijft. In tegenstelling daarmee was er een hard gevecht om een geschikte formulering te vinden voor de categorie "Speciale Producten" (onderdeel van de Speciale en Gedifferentieerde Behandelingsregeling voor arme staten). De G33-groep strijdt al jaren tevergeefs tegen verdere tariefsverlaging voor landbouwproducten die wezenlijk zijn voor de voedselzekerheid, leefbare inkomens en ontwikkeling in agrarische gebieden in arme staten. Het lukte de G33-onderhandelaar weliswaar om een paar zeer ongunstige formuleringen uit de eindtekst te weren, maar de paragraaf over "Speciale Producten" is zwak. Daarmee is ook het gevecht om de uiteindelijke invulling van deze belangrijke afscherming tegen goedkope importen uit rijke staten vooruitgeschoven.

De Genève-tekst van 31 juli gaat verder uit van een algehele tariefsverlaging volgens een gelaagd (geband) systeem. Hoge tarieven zullen meer verlaagd worden dan lagere tarieven, waardoor de beschermconstructies voor de markten van en levensonderhoud in arme staten in belangrijke mate afgebroken zullen worden. Ondanks de aangehaalde "flexibiliteit voor gevoelige producten" en het effect van de Speciale en Gedifferentieerde Behandeling voor arme staten (niet de armste staten) zal de tariefsverlaging veel ingrijpender zijn dan die van de Uruguay Ronde (1994). Diskussie over de invulling van het aantal lagen, de drempelwaarden en het type van tariefreductie volgen nog. Maar zeker is dat het gelaagde systeem de negatieve gevolgen van importliberalisering alleen nog maar zal vergroten. In de julitekst wordt nergens gerept over (maatregelen tegen) de onrustbarende toename van 'importgolven', het wegdrukken van plaatselijke landbouwproductie en de grote moeilijkheden van boer(inn)en in ontwikkelingsstaten. Te bezien valt nog in hoeverre maatregelen op het gebied van 'Speciale Garantie Mechanismen' de ergste problemen kunnen verminderen.


2. Marktoegang voor niet-agrarische producten (NAMA)

Het deel van de raamovereenkomst dat het meest schadelijk is voor arme staten is de bijlage over NAMA. Voor het eerst sinds het bestaan van GATT en WTO zullen er tariefformules van toepassing zijn. Het maakt (de dreiging van) het overspoelen van de markten van arme staten met goedkope industrieproducten uit de rijke staten alleen maar groter. Met als mogelijk gevolg een verdere deindustrialisering (het verdwijnen van plaatselijke, kleine industrieën en bedrijven [11]) en toename van werkloosheid en armoede in arme staten. Tenminste drie tariefmaatregelen in het NAMA raamwerk zullen ernstige, negatieve gevolgen hebben voor 'ontwikkeling': de 'non-lineaire' formule, de inperking van flexibiliteit voor gebonden tarifering en de 'sectorale tariefcomponent'.

-- 'non-lineaire' formule
Deze formule leidt tot scherpe tariefreducties - met name voor de hogere tarieven - waardoor vooral de beschermconstructies voor de (ontwikkeling van de) plaatselijke industrieën in arme staten veel schade oplopen.

-- inperking van flexibiliteit voor gebonden tarifering
Het verplicht alle staten om 95% van hun tarieflijnen op een bepaald niveau vast te leggen. Volgens de te hanteren rekenwijze dreigen een aantal van de gebonden tariefniveaus ver onder het niveau uit te komen van wat nu ingesteld is. Tevens verliezen de arme staten een 'veiligheidszone' (gevormd door het niveauverschil tussen gebruikte en in geval van nood zelf in te stellen gebonden tarieflijnen), waardoor ze niet meer in staat zullen zijn problemen door importconcurrentie op te vangen.

-- 'sectorale tariefcomponent'
Dit stelt naar verwachting op korte termijn de nulstelling van alle tarieven in 7 sectoren verplicht. Dit zal verdere schade toebrengen aan de positie en mogelijkheden van de plaatselijke industrie in arme staten indien het sectoren betreft die belangrijk zijn voor hun binnenlandse productie.

Door een felle strijd tijdens de onderhandelingen in Genève is in de NAMA-bijlage vastgelegd dat nader overlegd zal moeten worden over de preciese invulling van al deze maatregelen. Dan zal de vraag of de eigen industrie en bedrijven in arme staten zullen kunnen overleven, beantwoord worden. Maar omdat de bijlage als geheel gebaseerd is op de Derbez-tekst uit Cancún zal het een 'up-hill'-gevecht zijn voor de arme staten.

Over de gevolgen voor duurzaamheid en milieu liet Friends of the Earth International zich op 30 juli uit [12]. Het NAMA-voorstel is volgens de organisatie "onrechtvaardig en schadelijk voor duurzame ontwikkeling" omdat de arme staten "de mogelijkheid dreigen te verliezen om op basis van nationaal beleid hun milieu te beschermen en hun ontwikkeling te bevorderen." Door verdere deindustrialisering en toename van werkloosheid en armoede zullen ze steeds afhankelijker worden van niet-duurzame en gevaarlijke export van natuurlijke hulpbronnen. De NAMA-tekst van 30 juli ontziet geen enkele natuurlijke hulpbron van gedeeltelijke of algehele liberalisering [13].


3. Katoen

Een andere negatieve uitkomst voor ontwikkeling was de ontknoping in de Katoen Kwestie. Het lukte de vier West-Afrikaanse initiatiefnemers en hun ondersteuners (Afrika Groep en ACP-staten) niet om een aparte status te verkrijgen voor dit thema. Met name door druk van de VS werd het ondergebracht bij de landbouwonderhandelingen. Weliswaaar met de aantekening dat het daar als apart onderwerp behandeld zal worden, met een eigen set aan maatregelen en agenda. De belangrijkste eis, nl de beëindiging van alle vormen van katoensubsidie vanaf de datum van uitvoering van de Doha resultaten haalde het niet.
De andere eisen vonden in afgezwakte vorm en in mooie - maar verhullende of weinig concrete - bewoordingen ingang in de landbouwbijlage en hoofdtekst. Nergens is echter een effectieve afspraak neergelegd over Speciale en Gedifferentieerde Behandeling, en het is maar de vraag of de zaak in leven gehouden kan blijven worden via een nog in te stellen subcommissie.


4. Diensten (GATS)

Bijlage en hoofdtekst stellen mei 2005 als uiterste datum voor het aanpassen en 'verbeteren' van hun aanbod voor te liberaliseren sectoren in alle WTO-lidstaten. Staten die nog niets hebben ingeleverd, moeten dat zo snel mogelijk doen. De lidstaten moeten daarbij streven naar een hoog niveau van liberalisering, naar verhoging van bestaande niveaus en mogen geen enkele sector uitsluiten van liberalisering ! Daarbij moeten deze maatregelen vooral betrekking hebben op sectoren en supplymodes overeenkomstig de exportbelangen van ontwikkelingsstaten, zoals mode 4 [14]. Ook moeten beperkingen die niet essentieel zijn voor handel ('non-trade-concerns') opgeheven worden. Dat betreft binnenlandse wetgeving, reguleringen en subsidieprgramma's ('domestic regulation') [15].
Naar verluidt is het voorstel voor de sluitdatum vlak voor het begin van de laatste vergadering van Heads of Delegations door de VS en EU gelanceerd, zodat er geen tijd was voor een uitgebreide diskussie. Toch waren er ernstige bezwaren tegen de extra druk die de sluitdatum oplevert en zijn er vragen gesteld bij de wijze waarop het tot stand kwam en in hoeverre dit een geschikte maatregel is. In dit verband is het schrijnend, dat de nieuwe sluitdata voor zaken die van belang zijn voor ontwikkeling - zoals die voor Speciale en Gedifferentieerde Behandeling en Implemenatie (van oude WTO-beloften) - tot na mei 2005 doorgeschoven zijn.

Volgens Friends of the Earth zetten de resultaten voor diensten de arme staten enorm onder druk. Ze moeten alle dienstensectoren openen, en het bedreigt hun souvereiniteit en middelen om hun basisvoorzieningen te reguleren overeenkomstig de beleidsdoelen voor sociaal beheer en ontwikkeling. Tevens negeert het de herhaaldelijke oproepen van maatschappelijke organisaties om publieke basisvoorzieningen uit te sluiten van de GATS-onderhandelingen.


5.Handels Facilitatie (TF)

De arme staten behaalden een groot succes door het buiten de onderhandelingen van de Doha Ronde houden van drie van de Singapore Issues: Direkte Buitendse Investeringen, Concurrentiebeleid en Transparantie in Overheidsaankopen [16]. Door hun aanhoudende terughoudendheid ten aanzien van Handels Facilitatie werd het besluit om over TF onderhandelingen te beginnen ingekaderd door afspraken over modaliteiten waarin veel van hun bezwaren opgenomen zijn. Zo zijn er afspraken gemaakt betreffende de kosten van de maatregelen, de noodzakelijke ondersteuning voor de uitvoering ervan en de benodigde infrastructuur. De Minst Ontwikkelde Staten hoeven in dit verband aan minder hoge eisen te voldoen.

6. 'Ontwikkelings Kwesties' (SDT/IMP)

Op het vlak van Speciale en Gedifferentieerde Behandeling (SDT) en Implemenatie Kwesties (IMP) is weinig bereikt ondanks het hoofdthema van de Doha Ontwikkelings Ronde. Er zijn geen concrete afspraken gemaakt voor versterking of vernieuwing van SDT-maatregelen of voor het oplossen van specifieke problemen bij de uitvoering van WTO-akkoorden [17]. In de 'Genève-tekst' worden slechts de diverse sluitdata over consultaties en rapportages opgewaardeerd (omdat ze al lang verlopen zijn).
Belangrijk met het oog op SDT-vervolgonderhandelingen is dat een aantal arme staten uit verschillende regio's vlak voor 'Genève' een gezamenlijk standpunt ingenomen hebben over een aantal punten, zoals een nieuw classificeringssysteem van arme staten en de positie van kleine kwetsbare economieën [18].

Toen in 2001 de Doha onderhandelingen gelanceerd werden was er veel retoriek over de noodzaak om de belangen van ontwikkelingsstaten voorop te stellen. De resolutie over SDT en IMP stond daarbij centraal en de uitwerking ervan zou de test zijn om te zien hoe serieus 'ontwikkeling' zou worden genomen in het Doha Work Programme.
Het is dan ook zeer teleurstellend dat in de uitkomsten van Genève de negatieve aspecten de positieve veruit overtreffen. Daarmee blijft de ontwikkelingsbelofte retoriek. Sterker nog: sommige nieuwe besluiten, zoals over NAMA, zijn ronduit bedreigend voor de ontwikkelingsperspectieven van arme staten.


Noten:
[1] Dit artikel is voornamelijk gebaseerd op "Preliminary comments on the WTO's Geneva july decision" door Martin Khor, Third World Network, van 4 augustus 2004.
[2] Hiervoor had de WTO-leiding een aantal informele (= niet-genotuleerde) onderhandelingssessies gearrangeerd, die plaatsvonden na het schorsen van de voorafgaande zitting van de vergadering van de Algemene Raad. Parallel daaraan waren er diverse zogenaamde Greenroom-bijeenkomsten waar de echte "koppen met spijkers" werden geslagen en waarvan vele arme staten uitgesloten waren. De Algemene Raad zette haar zitting weer voort in de nacht van de 30e augustus om uiteindelijk op de 31e een beslissing te nemen over het raamwerk.
[3] De WTO-leiding had van te voren aangekondigd dat de onderhandelingen gevoerd zouden worden door de WTO-ambassadeurs (delegatiehoofden) en dat het niet wenselijk en nodig was dat er ministers aan zouden deelnemen. Toch waren de ministers van bijna alle rijke staten (in Genève) aanwezig... ("Preliminary comments on the WTO's Geneva july decision" door Martin Khor, Third World Network, van 4 augustus 2004).
[4] NAMA: markttoegang voor niet-agrarische producten. Voortdurend - en al sinds de Cancún-top - spraken de ACP-staten en de G90-groep zich uit tegen deze Derbez-tekst. Het feit dat hun eigen voorstellen niet ter tafel zijn gebracht is een bewijs van de minachting voor de positie van deze staten van de kant van de WTO-leiding.
De enige concessie die de rijke staten in dit verband in Genève deden was de vage toezegging dat er na juli over sommige aspecten uit de NAMA-bijlage nog onderhandeld zal worden ("Preliminary comments on the WTO's Geneva july decision" door Martin Khor, Third World Network, van 4 augustus 2004).
[5] Respectievelijk: de voorzitter van de GRAIN-coalitie, twee belangrijke leden van de G20-coalitie, en de twee grootste ontregelaars van de wereldhandel in landbouwproducten. Japan werd geweerd door de VS; Canada door EU en VS samen; en India was er op voorspraak van Brazilië ("Poor nations flex trade muscles" door Peter Wilson, The Australian van 2 augustus 2004). Kenia, een van de belangrijkste woordvoerders van de Afrikaanse coalitie was niet uitgenodigd. Volgens internatiuonale NGO's zou de EU een deel van de ontwikkelingshulp voor dat land hebben ingetrokken vanwege de zeer kritisch houding van Kenia in de aanloop naar de juli-besprekingen ("WTO accord: faulty frame, rude reality" door Devinder Sharma, 2 augustus 2004.
Http://www.thehindubusinessline.com/2004/08/05/stories/2004080500211000.htm).
[6] World Development Movement: "Door media, sommige regeringen en campagnevoerders is zoveel nadruk gelegd op het landbouwthema dat andere voor ontwikkelingsstaten belangrijke onderwerpen gemarginaliseerd of genegeerd zijn - waaronder de noodzaak om de balans te herstellen ten aanzien van de WTO-regels en om liberalisering terug te draaien." ("New deal exposes flaws of trade (offs) system", persbericht WDM van 2 augustus 2004.
Volgens Mark Weisbrot van het Centre for Economics and Policy Research was het concentreren op landbouwsubsidies een slimme PR- en onderhandelingstaktiek van de rijke staten. De bewoording is vaag, de 'loopholes' zijn groot en het leverde hen veel winst op op andere gebieden. Zelfs het algeheel afschaffen van subsidies (AG en NAMA) zal slechts een zeer gering effect hebben op de (economieën van) ontwikkelingsstaten, uitzonderingen daargelaten. ("No boost for development in World Trade Negotiatitons," CEPR).
[7] Dat zijn principes, basisgrafieken voor verlaging van tarieflijnen, etc. ook wel samengevat als 'modaliteiten'. Lori Wallach van Global Trade Watch is skeptisch over dit akkoord. Volgens haar is er zeker geen sprake van een 'doorbraak' zoals veelal beweerd wordt. "Uit dit raamwerkdocument moeten nog modaliteiten gesmeed (...) en overeengekomen worden alvorens de eigenlijke onderhandelingen over specifieke producten en sectoren kunnen beginnen." ("Public Citizen condemns process, outcome of Geneva WTO framework talks," persbericht Public Citizen, van 2 augustus 2004.
[8] Exportkredieten, exportkredietgaranties en verzekeringsprogramma's met een looptijd van minder dan 180 dagen zullen slechts worden beperkt ("disciplined"). Andere beperkingen zijn er ondermeer ten aanzien van 'State Trading Enterprises' en bepaalde typen van voedselhulp.
[9] De 'Blue Box' heeft betrekking op gedeeltelijk ontkoppelde betalingen onder productie-beperkende programma's. De aangepaste Blue Box-regeling wordt gezien als extra bescherming voor de Farm Bill-subsidies van de VS, en zelfs als omweg ('loophole') om het uiteindelijke niveau aan 'domestic' subsidies te handhaven of zelfs te verhogen (zoals ook na de Uruguay Round gebeurde)! Een dreigende impasse in de juli-onderhandelingen werd voorkomen door een vage toevoeging dat er nog over nieuwe criteria voor direkte betalingen (aan producenten) onderhandeld zal worden... Daarnaast is het afgesproken plafond van 5% voor VS en EU geen probleem.
[10] De EU nam eerder al maatregelen om het grootste deel van de Blue Box-subsidies veilig te stellen door ze over te hevelen naar de 'Green Box'. Ook de VS heeft daar het grootste deel van haar subsidies nu geparkeerd. Hoewel deze 'Box' te boek staat als niet (of slechts minimaal) handelsverstorend wordt in toenemende mate erkend dat de betreffende subsidies wel degelijk verstorend werken. Het stelt boerenbedrijven die in normale omstandigheden te weinig inkomsten krijgen namelijk in staat voort te bestaan. De raamovereenkomst van Genève stelt geen maximum vast zodat verhoging van domestic subsidies niet uitgesloten is! Daarbij is de referentie aan een evaluatie van de optredende verstoringen niet voorzien van harde afspraken over uitvoering en timing.
[11] Dit de-industrialisatie proces vond al plaats in Africa, Latijnsamerika en de Carriben door de liberaliseringsmaatregelen onder de structurele aanpassingsprogramma's het IMF.
[12] "WTO deal threatens environment, development: Europe and US demand high price for empty concessions," door Friends of the Earth International, 30 juli 2004.
[13] Meer hierover in: "Why NAMA threatens development and environment" op http://www.foei.org/publications/pdfs/NAMAenvironmentFINAL.pdf
[14] Meer over de sectoren en modes op http://www.gatswatch.org
[15] "OMC: Coup de force des pays riches," door Raoul Marc Jennar van OXFAM/URFIG.
[16] De formulering in de raamwerktekst houdt de mogelijkheid open voor diskussies (niet: onderhandelingen) in nieuw aan te sturen studiegroepen vqan de WTO. Ook - en dat is zeker niet denkbeeldig - kunnen ze na afsluiting van de Doha Ronde weer als onderhandelingsobject op de agenda van de WTO verschijnen.
[17] Dat laatste is over het algemeen te wijten aan het niet-nakomen door rijke staten van veel eerder gedane beloften om arme staten te ontzien bij handel en handelsmaatregelen. 'Implementatei' en SDT waren belangrijke thema's tijdens de ministersconferenties van Seattle en Doha, maar hun belang is door beleid van voornamelijk EU en VS gemarginaliseerd.
[18] Meer over de SDT- en Implementatie-uitkomsten, zie: "Work on development sees limited progress at WTO" door ICTSD, in Bridges Weekly Trade News Digest vol. 8 nr. 27, van 3 augustus 2004.


-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Nieuwsbrief over ontwikkelingen rondom Wereld Handels Organisatie WTO en de Europese Unie. Het is een initiatief van de Werkgroep Globalisering Delft-Den Haag. Aan dit bulletin hebben meegewerkt: Paul Roeland, Renate Ebner, Davidoff, Rob Bleijerveld, Chris Peeters, en Stijn Oosterlynck. Nieuwsbrief WTO.ZIP (en meer over globalisering) is ook te vinden op:http://www.globalinfo.nl en op http://www.indymedia.nl

Voor een gratis email-abonnement en voor het sturen van mededelingen, copy of reacties: onyva@xs4all.nl

 

------------------------