DE WTO.ZIP NIEUWSBRIEF
 

WTO.ZIP nummer 20 van 27 november 2002

ZUIDELIJKE VISIES OP NOORD-ZUID KWESTIES EN ALTERNATIEVEN VANUIT VOLKSBEWEGINGEN;

VAN SYMPTOOMBESTRIJDING NAAR SYSTEMATSCHE AANPAK.

Voordracht tijdens European Social Forum in Florence

Europese Unie en lidstaten, Europees Parlement en zelfs sommige Europese
niet-governementele organisaties [verder: NGO's] en sociale bewegingen
benaderen het probleem van toenemende armoede en economische, sociale en
mileu-crisis in de arme en armste staten (1) op een symptomatische wijze.
Veel van de bepalende factoren voor armoede en crisis betreffen problemen
die door regeringen en de bevolkingen zelf en onderling opgelost moeten
worden. Maar internationaal moet erkend worden, dat er een belangrijke
wisselwerking is met factoren en krachten van buiten. Er moet vastbesloten
aktie ondernomen worden tegen de aantasting van de economieën van die
staten, tegen de grote afhankelijkheid en ondergeschiktheid daarvan aan de
wereldeconomie, tegen aard en wijze van funktioneren van wereldeconomie en
internationale instellingen en tegen beleid en praktijken van economisch en
politieke machtige staten.

1. 'MARKT-TOEGANG' ... OF EFFECTIEVE HANDELSREGELS EN
HANDELSRECHTEN?

Ondanks de toename van de totale wereldhandel is sinds de Uruguay Ronde het
aandeel van arm(st)e staten daarin gedaald. Huidige akkoorden en
voorstellen voor grotere markt-opening in rijke staten voor producten uit
de arm(st)e staten zijn echter beperkt in termijn en reikwijdte. Zo is in
het door het Europese Parlement en enkele NGO's gesteunde EBA-akkoord
(2)(3) vrije import van koffie, bananen en rijst voorlopig uitgesloten en
hanteren EU en VS protectionistische maatregelen, zoals
'beschermingsbepalingen' in geval van snel stijgende importstromen. Tevens
zullen 'sterke' exporteurs uit andere landen door toenemende
handelsliberalisering al voor afloop van de termijnen kunnen gaan
concurreren met de arme staten op dezelfde marktsegmenten.

In de onderhandelingen over het Cotonou-akkoord (opvolger van de
'Lomé'-akkoorden) tussen EU en de 77 ACP-staten (3) zet de EU zwaar in op
handelsliberalisering na 2008 in de Regionale Economische Partnerschap
Akkoorden waar die landen deel van uit (gaan) maken. De hypothetische
voordelen die de ACP-staten tot dan toe kunnen behalen uit EBA (en Cotonou)
zullen verbleken door de te verwachten concurrentie van Europese bedrijven
op hun thuismarkten.
Meer nog, zowel EU als VS stellen in hun voorstellen eisen tav. 'good
governance', investeringsrechten en -garanties, strengere intellectuele
eigendomsrechten, toegang tot aanbestedingsprogramma's van overheden,
privatisering van overheidsinstelling en publieke diensten.

Behalve quota en tarieven zijn er ook andere, meer verborgen barrières tot
de Noordelijke markten - de Technische Handels Barrières (TBT's) -
waaronder Sanitary and Phytosanitary Standards (SPS). Ondanks
rechtvaardiging van het gebruik van deze normen zijn ze een economische en
technische last voor arme/armste staten. Om aan de eisen voor productie en
verpakking (PPM) te voldoen zijn ze gedwongen dure technologie en producten
uit de rijke staten aan te schaffen. Deze en andere beperkingen - die vaak
gebruikt worden ter bescherming van de Noordelijke markten - kosten de arme
staten het dubbele van wat binnenkomt aan 'ontwikkelingshulp'.

Hoewel 'verbeterde markt-toegang' enige (maar niet te overdrijven)
voordelen kan opleveren voor armste staten is het belangrijk, dat
progressieve analytici en vooral 'fair trade' activisten in het Noorden
inzien dat het fundamentele probleem gelegen is in een beperkte
productiecapaciteit, de basis voor export. Het ontbreekt de staten aan
voldoende transport en marketing infrastruktuur, aan benodigde technologie,
productie-input, uitrusting, grond, gebouwen en kredietfaciliteiten voor
'kleine, middelgrote en zelfs grote' producenten.
Het antwoord van Noordelijke overheden en VN-organisaties op dit
fundamentele dilemma is: technische assistentie.

2. 'TECHNISCHE ASSISTENTIE' ..... OF ONAFHANKELIJKE
POLITIEKE RECHTEN?

IMF, Wereldbank, WTO, International Trade Center (ITC) en tot zekere hoogte
zelfs UNCTAD vinden dat het voorzien in 'marktinformatie' en training in
'marktvaardigheden' voldoende zijn om de capaciteit van arm(st)e staten te
vergroten, zodat ze voordeel kunnen behalen uit de liberalisering van de
internationale handel. Dit beantwoordt echter niet aan de elementaire
problemen van die staten.

Een eerste aanname, nl vergroting van het handelsaandeel door de bestaande
productie op te voeren en meer efficiënt te maken, gaat al mank. Lange tijd
is door Wereldbank aangedrongen op het navolgen van dit Comparative
Advantage (4), hetgeen leidde tot overproductie van goederen voor export
naar Noordelijke markten en de daaruit voortkomende verlaging van prijzen.
Daarbij overstijgen de kosten voor import van high-tech diensten en
bewerkte goederen steeds meer de inkomsten uit export van, voornamelijk,
grondstoffen. De arm(st)e staten zijn daarbij extra kwetsbaar voor
veranderingen en manipulatie op de wereldmarkt.

Een structurele benadering is de diversificatie van hun economiën
(goederen- en dienstenproductiecapaciteit) en daarmee van hun potentiële
export. Belangrijk is om tevens karakter en rol van de handel in hun
economiën te veranderen. Met name de handelssectoren in veel Afrikaans
staten zijn erg kwetsbaar voor economische tegenslagen van buitenaf.
Alternatief is niet economische zelfvoorzienendheid, maar omvorming van de
naar buiten toe gerichte (en kleine) handelseconomiën naar nationaal
geintegreerde en effectieve, veelzijdige productie-economiën. Een
toegevoegde strategie - vooral in Afrika - is die van (vergroting van)
regionale handel en andere economische samenwerking tussen staten die
geografisch nabijgelegen zijn en overeenkomstig ontwikkelingsniveau en
-behoeften hebben. Dit komt neer op meer inter-regionale handel en minder
internationale handel.

Staten die een dergelijke regionale handelssamenwerking nastreven zullen
stuiten op nationale, regionale en internationale tegendruk en in hun
strategiën zullen ze rekening moeten houden met ingewikkelde en langdurige
onderhandelingen tussen regeringen en met aanpassingen aan nationale
handels- en ontwikkelingsverhoudingen. Niet alleen de EU, maar ook de
ACP-regeringen zijn verantwoordelijk voor het feit, dat de nadruk in Lomé-
en Cotonou-voorstellen is komen te liggen op grotere toegang tot de
Europese markt. Zij houden nl. vast aan de vermeende garantie voor hun
status quo en zijn terughoudend om nieuwe paden te bewandelen of zelfs om
met gebruik van de voordelen van 'Lomé' of 'Cotonou' een meer
onafhankelijke en passende koers uit te zetten.

Weliswaar erkennen steeds meer regeringen, dat export en productie een
toegevoegde waarde moeten gaan opleveren die vooral gebruikt moet worden
ten behoeve van de nationale werkgelegenheid, maar opklimmen op de ladder
van economische prestatie werpt een nieuw probleem op. Terwijl het doel is
uit de economische categorie van LDC ('Minst Ontwikkelde Landen') te komen
zal een dergelijke ontwikkeling meteen afgestrafd worden met tariefpieken
(op invoer in rijke staten) die soms vele honderden procenten hoger liggen
dan die welke van toepassing zijn op handel tussen de rijke staten
onderling.... Nog nadeliger voor ontwikkeling en diversificatie zijn de
inmense tarieven in de meeste rijke staten die evenredig oplopen met de
mate van verwerking of fabricering van goederen uit de arm(st)e staten.
Deze vorm van protectionisme is een enorme blokkade voor zelfs de meest
eenvoudige industrialisatie aldaar.

Handel-productie strategiën waarmee een duurzame verandering worden beoogd
op lokaal, nationaal en regionaal niveau moeten kunnen steunen op
overheidssteun voor kleine, middelgrote en voor een deel de grotere
producenten. En op een samenwerkingsverband tussen overheid,
semi-overheidsinstanties, openbare instellingen, nationale
kredietinstellingen en lokale gemeenschappen.
Deze ingewikkelde, op planning en onderhandeling gebaseerde economische
strategiën kunnen niet overgelaten worden aan grote nationale of
internationale ondernemingen die de zelfverrijkende propaganda van de markt
uitdragen. Een propaganda die ontkent, dat het 'vrije markt systeem'
sociale ongelijkheid heeft doen ontstaan. Die de inefficiëntie en
verspilling, de milieuschade en sociale kosten van de marktprocessen
negeert of bagatelliseert. En die de ingebouwde instabiliteit en het falen
van de 'markt' onder het vloerkleed veegt.

Propaganda die ook verhult dat zowel de 'oude' als de pas opgekomen
geïndustrialiseerde economiën hun nationale groei en ontwikkeling - en
daarmee hun particuliere ondernemerschap - te danken hebben aan steun en
bescherming van de overheid en aan strategische interventies. De vraag is
of de rijke staten en internationale instellingen bereid zijn om toe te
staan dat de regeringen van de arm(st)e staten een eigen beleid voeren met
de daartoe benodigde middelen, waaronder 'non-actionable subsidies' die nu
voorbehouden zijn aan de meeste rijke staten. Daartoe zijn fundamentele
veranderingen nodig in zowel nationaal beleid als in het
liberaliseringsbeleid van de WTO.

Aansluitend is de aangeboden oplossing van 'technische assistentie' aan de
armste staten niet alleen volledig onvoldoende danwel niet waar om gevraagd
is, het past eenvoudigweg niet, gezien inhoud en intentie. De belofte van
technische steun en 'deskundigheidsbevordering' door internationale
instellingen - en gebruikt en gesteund door rijke staten - is een standaard
middel om kritiek van de arm(st)e staten op hun positie te ontkrachten en
om ze een beleid te laten accepteren waar ze tegen zijn. Afrikaanse staten
hebben bijvoorbeeld in veel gevallen hun onderhandelingskansen onbenut
gelaten in ruil voor vroegtijdige acceptatie van technische assistentie,
terwijl deze acceptatie pas zou moeten hebben plaatsvinden nadat een goed
en concreet onderhandelingsresultaat is bereikt over alle belangrijke zaken.

Inzicht verschaffen in de ingewikkelde WTO-akkoorden wordt door de WTO zelf
gedaan, met enige ondersteuning door ITC en UNCTAD, zodat er geen kritische
visie en alternatieven worden ontwikkeld. Het 'helpt' regeringen om de
juridische voorwaarden te 'begrijpen' en toe te passen. Met het
langverwachte Integrated Framework waarin alle belangrijke internationale
instellingen samenwerken om technische assistentie te verlenen is het niet
anders: het is allemaal gebaseerd op de aanname dat wat de arm(st)e staten
nodig hebben 'integratie in de wereldeconomie' is. Toch is het juist het
karakter van die wereldeconomie en integratievoorwaarden die het grootste
probleem vormt.

3. "FINANCIËLE HULP" AlS BELEIDSMIDDEL .... OF ALS
MENSELIJKE VERPLICHTING?

Net als de 'technische' variant kan ook de financiële assistentie niet
voorzien in de behoeften van arm(st)e staten. Vaak verkeerd begrepen of
toegepast, in elk geval altijd voorwaardelijk verleend, gecontroleerd en
sturend. Daarbij is de Overzeese Ontwikkelinghulp in absolute termen sinds
begin '90 drastisch afgenomen.

De in VN-verband afgesproken bijdragen aan arme staten (0,7% van BNP) en
armste staten (0,15% van BNP) worden bij lange na niet gehaald, ook niet na
de speciale VN-top in Monterrey ('Financing for Development'). Deze 0,7% is
al - zeker gezien de groeiende inkomensverschillen tussen arme en rijke
staten - aan de lage kant.

Hoewel na onderzoek en veel kritiek de beruchte 'gebonden hulp' (5)
afgeschaft is en vervangen door meer subtiele methoden, vloeit nog steeds
een groot deel van de 'overzeese hulp' naar de economiën van en
ondernemingen uit de rijke staten in de vorm van Export Garantie Kredieten
en Investerings Garantie Regelingen. Afgezien van kwantitatieve problemen
is er ook sprake van buitensporige vertragingen, burocratische en
technische hindernissen die door donors als de EU worden aangebracht. Onder
het kopje 'technische voorwaarden' worden er naast de redelijke eisen van
verantwoording en verslaglegging over de besteding van de hulp ook eisen
gesteld die liggen op het gebied van nationale politiek en economisch beleid.

Hulp wordt zelden geheel belangeloos ter beschikking gesteld. Het is een
indirekt ingezet taktisch middel dat uiteindelijk voordeliger is voor donor
dan voor ontvanger. Hulp is een weerslag van ongelijke machtsverhoudingen
en politieke afhankelijkheid. Het is alleen te rechtvaardigen indien het
ingezet wordt als korte-termijn maatregel om bepaalde doelen te bereiken en
om de hulprelatie zó te wijzigen dat de noodzaak ervan verdwijnt. Zelfs
door supporters van de arm(st)e staten wordt hulp vaak gezien als een
lange-termijn kwestie en als vanzelfsprekend 'goed'. Maar ook de
neoliberale stelling dat 'handel beter is dan hulp' is niet effectief en
wordt gebruikt voor promotie van de agenda's van rijke staten.

Financiële overdracht van rijk naar arm moet in feite gezien worden als de
herdistributie of teruggave van de eeuwenlange en voortdurende stroom van
rijkdommen en hulpbronnen die van Zuid naar Noord gaat. Het zou zowel een
morele menselijke verplichting moeten zijn aan het verarmde deel van de
wereldbevolking, als een strategie waarin verantwoordelijkheid genomen
wordt voor de mensheid in een in toenemende mate instabiele, maar onderling
afhankelijke wereld.

4. "INVESTERINGSSTROMEN" .... ECONOMISCHE WINST,
OF SYSTEMATISCHE GEVAREN?

Zelfs onder progressieve analytici, NGO's, Europarlementariërs en binnen
UNCTAD wordt aangenomen dat de crises in arm(st)e staten voor een
belangrijk deel te wijten is aan gebrek aan buitenlandse investeringen en
dat het effect van die investeringen positief is ondanks het winststreven
van de investeerders.

Maar dit is erg twijfelachtig. Belastinggeld van Europese burgers vloeit
bijvoorbeeld via hulpprogramma's voornamelijk terug als winst naar de
Europese investeerders. Het hoge rendement voor die investeringen betekent
tegelijkertijd hoge kosten voor de 'ontvangende' staten. In de 90-er jaren
liberaliseerden 27 van de 48 LDC's het kapitaalverkeer op last van IMF en
Wereldbank. Overschrijving van winsten naar het buitenland werden
gevrijwaard van belastingheffing om nòg grotere investeringsstromen te
kunnen aantrekken, hetgeen alleen bleek te werken bij staten met grote
olie- en minerale grondstoffenvoorraden.
Aantrekking van investeringen door andere staten kan alleen door onderlinge
concurrentie en aanbod van financiële voordelen, afbraak van sociale
rechten en milieubescherming, een 'race-to-the-bottom'.

Het WTO-akkoord inzake Handels Gerelateerde Investerings Maatregelen
(TRIMs) ontneemt de burgers uit de arm(st)e staten de mogelijkheid om van
hun regering te eisen dat investeringsregelingen niet leiden tot misbruik
en dat ze tenminste enig voordeel opleveren voor de ontwikkeling van
economie en bevolking. Dit verdrag verbiedt ondermeer begunstiging van
lokale bedrijven, herinvestering van een deel van de winst, overdracht van
managementsvaardigheden, technologie en arbeidstraining. Staten die toch
dergelijke eisen stellen aan investeerders kunnen rekenen op veroordeling
tot het betalen van schadevergoedingen.

De Europese Unie is een groot voorstander en voorvechter van een nieuw
WTO-investeringsverdrag waarin rechten en vrijheden van investeerders
uitgebreid worden. Ook oefent de EU druk uit om de zogenaamde
overheidsaanbestedingen toegankelijk te maken voor internationale
ondernemingen, waarmee weer een mechanisme uit handen wordt geslagen van
regeringen om nationale ondernemingen en sectoren te versterken.

Het is gevaarlijk voor arm(st)e staten om in grote mate afhankelijk te zijn
van de internationale kapitaalstromen in hun gevecht tegen armoede. De
sterk gedereguleerde kapitaalmarkten, het gebrek aan voldoende controle op
transacties, de technologie en de onderlinge interactie tussen enerzijds de
vermeende 'productieve' fusies en bedrijfsovernames en anderzijds
beurshandel, portfolie-investeringen en speculatieve valutahandel hebben
uitbuiting en destabilisering tot gevolg. Een van de manieren voor zwakke
staten om elders (en dan vooral in eigen staat) financiële en andere
ontwikkelingshulpbronnen aan te boren is door de netto-uitstroom van geld
af te remmen of zelfs stop te zetten.

5. "SCHULDEN VERLICHTING .... OF KWIJTSCHELDING ....
OF AFWIJZING ERVAN?

Dertig van de 49 arm(st)e staten zijn zogenaamde Zwaar Schuldverplichte
Arme Landen (HIPC's). Hun financiële situatie is onhoudbaar; ondanks de
relatief hoge schuldafdracht zijn de schulden de afgelopen tien jaar
verdriedubbeld. Er wordt meer aan de schulden afbetaald dan dat er
geïnvesteerd wordt in onderwijs en gezondheidszorg - voorwaarden voor
ontwikkeling en armoedebestrijding. Toch zitten er aan het ogenschijnlijk
genereuze aanbod van de Europese Commissie om bij 40 ACP-staten in totaal
54 miljoen dollar aan schulden kwijt te schelden wat haken en ogen.

Met dit soort voorstellen wordt een politiek effect beoogd, zonder dat de
ontvangers er daadwerkelijk veel mee opschieten. De werkelijke hoogte van
de sommen geld in kwestie is geringer dan wordt beweerd. Met allerlei
termen als 'verzachting', 'afschrijving' en 'schrappen' wordt de situatie
rooskleuriger voorgesteld dan die is. En hoewel het EC-aanbod enige
verlichting betekent voor afbetaling van bepaalde multilaterale
EC-programma's blijven de bilaterale schulden met de EU-lidstaten en de
enorme schulden bij banken en Internationale Financiële Instellingen
(IFI's) gehandhaafd. Europese NGO's en progressieve analytici moeten druk
uitoefenen op hun regeringen om de bilaterale schulden kwijt te schelden en
om binnen IMF en Wereldbank hun macht te gebruiken zodat alle multilaterale
schulden weggestreept worden.

Ook de unilaterale schuldenverlichting door een enkele Europese lidstaat
dient een politiek doel. Naar buiten toe wordt een beeld geschetst van de
'kosten' die gemaakt worden door de betreffende lidstaatregering, maar in
verhouding gaat het om relatief kleine bedragen welke voor een arme staat
wel degelijk groot zijn. Verder zijn de leningen in de loop der jaren al
lang in een veelvoud terugbetaald door de debiteuren en zullen banken en
andere financiële instellingen hooguit wat toekomstige winsten mislopen.
De echte kosten worden gedragen door de verarmde wereldbevolking en niets
minder dan snelle, totale en onvoorwaardelijke kwijtschelding is acceptabel
en hiervoor is ondersteuning nodig van parlementariërs en organisaties uit
Europa.

Ook moeten de voorwaarden aan het HIPC-schuldenverminderingsprogramma van
tafel. De Europese Commissie, Overheidsbanken, VN, de IFI's maar zelf het
Europese Parlement en NEPAD (6) verbinden schuldvermindering aan
voortzetting van de Structurele Aanpassings Programma's van IMF en
Wereldbank, terwijl deze SAP's juist een grote rol speelden in de
aantasting van de economiën van arme staten.
De SAP's dienden als hefboom om de externe financiële afhankelijkheid en
onderschikking aan externe beleidscontrole te handhaven en te versterken.

Een andere kwalijke voorwaarde is dat schuldvermindering verbonden wordt
aan de richtlijnen uit het nieuwe Armoede Reductie Strategie Programma
(PRSP's) van IMF en Wereldbank. De nationale consultatieprocessen waaruit
een ontwerp voor de PRSP's moet voortkomen blijken niet zo breed en zo open
als voorgespiegeld. Maar belangrijker is, dat met de PRSP's de controle
door IMF en Wereldbank wordt uitgebreid van macro-economisch en
gerelateerde economisch beleid naar alle aspecten van het nationale
sociaal-economische en het sociale beleid van staten die wanhopig
schuldvermindering nastreven.

Meer elementair moet de 'mythe van de schuldverplichting' van Zuid aan
Noord aan de kaak worden gesteld. Tenslotte is er juist door de eeuwen heen
een netto-stroom van goederen en kapitaal van Zuid naar Noord gegaan. En
daarnaast hebben de Zuidelijke staten veel schade geleden door de enorme
sociale en milieukosten die dit met zich meebracht. Europarlementariërs
moeten tenminste beseffen dat er maar één - radikaal, maar legitiem -
standpunt is, namelijk een gezamelijk en resoluut afwijzen van deze
afhankelijkheid door getroffen regeringen en burgers samen. En
campagneleiders van Europese NGO's zouden hieraan hun actieve steun moeten
verlenen indien daarnaar gevraagd.

6. "ARMOEDE VERLICHTING" OF "REDUCTIE" ..... OF ELIMINATIE!

Elke discussie over de toenemende kloof tussen de meest en de minst
'ontwikkelde' staten, elk ontwikkelingsinitiatief als antwoord daarop moet
uitgaan van een kritische benadering van de volgende kwesties:

Doelen inhoud van goedbedoelde, prijzenswaardige en door velen gesteunde
initiatieven als de Millennium Development Goals van de VN moeten kritisch
beschouwd worden. Indien doel en daarmee inhoud niet leiden tot effectieve
eliminatie van armoede, maar tot armoede-verlichting of armoede-reductie,
wat schieten de armen in de wereld daarmee op de komende 15, 30 of 100 jaar?

Een strukturele aanpak van armoede in arme staten moet uitgaan van de
situatie waarin de rurale bevolking leeft. Landbouw is de bron van hun
levensonderhoud, zekerheid, dorpsstabiliteit en cultureel behoud.
Essentieel is hier het steunen van de ontwikkeling van kleine en
middelgrote productie-eenheden met de benodigde diensten, grond,
watervoorzieningen en kredieten. Toch zal dit - ondanks de steun van
Europarlementariërs hiervoor - geen fundamentele verandering opleveren
zolang de IMF/ Wereldbank-politiek van 'markt', 'particulier
ondernemerschap', commercialisering van landgebruik en privatisering van
watervoorzieningen gehandhaafd blijft.

Subsidiëring van de landbouw in de rijke staten en daarmee het dumpen van
voedsel onder de productieprijs schaadt de economie van heel arme tot
minder arme staten. Een belangrijke hindernis voor de ontwikkeling van
kleinschalige landbouwproductie aldaar, die concurrentie op de markten van
de rijke staten onmogelijk maakt en zelfs de export naar markten van derde
staten erg bemoeilijkt. Dit is iets waar Europarlementariërs en andere
bezorgde mensen in Europa zich druk over zouden moeten maken.

De Wereldbank-oplossing is 'stimulering' van het vergroten en
diversificeren van 'cash crop' exporten, maar de verdiende extra
buitenlandse valuta mogen niet gebruikt worden voor ontwikkeling maar
moeten besteed worden aan schuldafdracht. Hetzelfde advies (verbouw van
hoogwaardige, laag-volume gespecialiseerde gewassen voor de Noordelijke
markten) krijgen vele regeringen, zodat de toegenomen onderlinge
concurrentie meteen de prijzen doet dalen. Weer een vorm van subsidiëring
door het Zuiden van de Noordelijke consumptiepatronen en levensstandaard.
Prijsopdrijving voor water en grond door aggressieve ondernemers die een
graantje mee willen pikken tast rol en status aan van vele boerinnen en
drukt de vrouwelijke voedselproductie weg.

Het meest schadelijke van de Wereldbank-interventie is de toenemende
ontmanteling van voedselproductie door de armen en het expliciete advies
aan regeringen om in plaats daarvan goedkoop voedsel te importeren
.... geproduceerd door grootschalige landbouwconcerns in de meest
geïndustrialiseerde staten! Eens temeer een vorm van overdracht van de
rijkdom van Zuid naar Noord. Het zet de externe betalingsbalans van arme
staten verder onder druk, tast de voedselzekerheid van de armen verder aan
en vergroot de voedselafhankelijkheid van de staten. De situatie is enorm
verergerd sinds de Uruguay Ronde; de rijke staten zijn daarenboven hun daar
gemaakte beloften voor compensatie niet nagekomen en hebben in de huidige
WTO-landbouwonderhandelingen alleen oog voor hun eigen belangen.
Voor NGO-analytici en activisten in de geïndustrialiseerde economieën
destemeer reden om aan te dringen bij hun regeringen om de oproep van de
Afrika Groep te steunen die zegt dat de uitgangspunten van het
landbouwakkoord gebaseerd moeten worden op de noodzaak van en het recht op
voedselzekerheid voor alle mensen en staten.

7. "WERK EN SOCIALE ONTWIKKELING" ...... EN MENSENRECHTEN

Het is nodig om vragen te stellen bij de voorstellen voor de aanpak van
specifieke, grote sociale problemen in rurale en urbane gebieden, zoals
bijvoorbeeld neergelegd in de Millennium Development Goals.

Maatregelen als onderwijs- en gezondheidszorgprogramma's voor vrouwen en
meisjes zijn zowel een ontwikkelingsnoodzaak voor staten als een
fundamenteel mensenrecht voor de bevolking. De Wereldbank echter ziet dit
soort diensten als een 'verbetering van het menselijke kapitaal' die
bijdraagt aan het aantrekken van en het productiever maken van buitenlandse
investeringen. Evenzo is het standpunt van de EU in de WTO over
'verbetering van arbeidsomstandigheden' niet gericht op verbetering van
arbeidsrechten, hoewel het Europarlement expliciet oproept tot volledige
erkenning en toepassing van alle ILO-overeenkomsten. De machtigste staten
in de WTO houden daarenboven vast aan het TRIMs-akkoord (7) hetgeen
regeringen verhindert om arbeidsrechten en de voorwaarden in buitenlandse
investeringsakkoorden te verbeteren.

Sinds de IMF/Wereldbank-bemoeienis in de economieën van ex-kolonies zijn de
positieve gevolgen van verbetering van de sociale basisvoorzieningen in de
eerste jaren na de onafhankelijkheid teniet gedaan en zelfs ondermijnd.
Macro-economische diktaten en 'kostendekkendheidsbeginsel' hebben de
toegang tot basisvoorzieningen als gezondheidszorg en onderwijs dramatisch
verslechterd, met name voor vrouwen en meisjes.

Net nu de Wereldbank schoorvoetend erkent dat commercialisering en
privatisering onder het oude IMF/Wereldbank-beleid verkeerd was en
(schijnbaar) haar beleid wijzigt, treden nieuwe bedreigingen aan de dag
door de dwingende bepalingen in de GATS (8) om diensten te openen voor
multinationale ondernemingen. Ook de publieke diensten komen hierdoor onder
grote druk te staan en bezorgde burgerorganisaties moeten hun regeringen
aanklagen voor de steun die ze geven aan dienstenliberalisering en
privatisering in WTO-verband, niet alleen in arme staten.

Evenzo stelt het TRIPs-akkoord (9) de patentrechten van gigantische
farmaceutische bedrijven boven de gezondheidsbehoeften van de miljoenen
armen die leiden en sterven aan te voorkomen ziekten. De EU is voor een
systeem van prijsniveau's voor medicijnen gerelateerd aan het
ontwikkelingsniveau van en de mate van gezondheidszorgcrisis in een staat.
Het moet echter niet gaan om deze marktgerichte 'opoffering' door de
farmaceutische industrie, maar om erkenning van het recht op import uit
andere arme staten of het recht om in eigen staat een patent te negeren
zonder bang te hoeven zijn voor openlijke of verdekte akties daartegen.

Daarmee hangt samen de vergroting door TRIPs van de 'onderwijs-achterstand'
en de gapende technologische kloof tussen arme en rijke staten. Toenemende
commercialisering en toeëigening van technologie en wetenschap verslechtert
de toegang van arme staten tot de bronnen van menselijke kennis ondanks de
mogelijkheden van de veelgeprezen ICT. Technologische vooruitgang is altijd
gebaseerd op bestaande, geleende kennis en vaardigheden maar wordt in deze
zogenaamde liberale en 'open' globale markteconomie juist geclaimd en
beschermd.

8. "GOED BESTUUR" ..... OF ECHTE DEMOKRATIE EN MENSENRECHTEN?

Naast economische voorwaarden voor liberalisering van handel en
investeringen, commercialisering van diensten en veralgemeniseerde
privatisering worden door de EU en andere machtige staten politieke eisen
gesteld. Deze schijnbaar legitieme eisen van 'goed bestuur' en respect voor
mensenrechten en demokratie in hulpontvangende staten worden gedeeld door
Europarlement en vele goedbedoelende Europese NGO's, ook waar het de armste
staten betreft. Een motie in het Europarlement merkt heel terecht op dat
institutionele deskundigheidsbevordering, handhaving van de wet en afleggen
van rekenschap in het geval van de armste staten zou moeten leiden tot
'versterking van hun autonomie'. Toch zou het werkelijke doel moeten zijn
de betreffende bevolking en regeringen in staat te stellen hun nationale
politieke en mensenrechten te heroveren op externe instellingen en
buitenlandse regeringen.

Echter, de huidige interpretatie van 'goed bestuur' omvat niet slechts
wettelijke en technische kwalificeringen van transparantie en
betrouwbaarheid. Verondersteld wordt dat 'betrouwbaarheid' en 'gezond
regeringsbeleid' ook strak monetair-fiscaal beleid, reductie van
overheidsuitgaven, overheidsverantwoordelijkheden en zelfs de rol van de
overheid omvat. En daarnaast economische en financiële steunmaatregelen
voor de particuliere sector en de verplichting om een 'markteconomie' te
creëren. Juist deze neo-liberale economische voorschriften van
IMF/Wereldbank waren het die bijgedroegen aan economische teruggang en
sociale crises in de staten die onder hun toezicht staan en stonden.

Noordelijke regeringen richten zich vaak uitsluitend op specifieke
regeringskwesties in deze staten waar het het falen van en het
machtsmisbruik door de politieke/regerende elites betreft. Deze en andere
interne factoren zoals de algemene zwakke of door actieve onderdrukking
verzwakte onafhankelijke civil society vragen zeker urgente aandacht en
maatregelen. VS en EU wijten het machtsmisbruik aan de elites (hetgeen op
zich terecht is) en aan de politieke zwakte van de volkeren in Afrika die
echter slachtoffer zijn van zowel machtsmisbruik door hun regeringen als
van buitenlands ingrijpen. VS en EU erkennen niet dat zij zelf een
bepalende rol spelen waar het gaat om samenwerking met regiems vanwege hun
eigen geo-politieke of geo-economische belangen.

Evenzo negeren IMF en Wereldbank de rol van buitenlandse regeringen,
transnationale ondernemingen, banken en van hun eigen instituties waar het
gaat om het stimuleren van en oogluikend toestaan van corruptie.
EU-lidstaten eisen (direkt of via IMF/WB) snelle en zo volledig mogelijke
privatisering van overheidsbedrijven en publieke voorzieningen in arme
staten. De resulterende toegenomen spanningen tussen publieke en
particuliere belangen, de verstrengeling van politieke
verantwoordelijkheden en externe economische belangen en de zakenaspiraties
in regeringskringen zorgt voor een sterkere corruptie en machtsmisbruik in
de overheidssector dan voorheen het geval was.

Voorstellen van buitenaf zoals die van 'goed bestuur' hebben in veel van
deze staten al regeringscrises, verzwakking en, in feite, de
de-legitimering van regeringsmacht veroorzaakt. De ideologische
bevooroordeeldheid van IMF/WB tegen de rol van de staat hebben hen
decennialang blind gemaakt voor de noodzaak van die rol en voor de te
rechtvaardigen doelen en zelfs resultaten van overheidsgestuurde
ontwikkeling. Hierdoor was er evenmin gelegenheid om toegepast beleid te
ontwikkelen daar waar er zwaktes en fouten optraden. In hun ijver hebben
deze internationale 'social engineers' van het buitenland afhankelijke
regeringen gecreëerd die steeds minder op hadden met en rekening hielden
met de eigen bevolking en in de loop van dit proces echte demokratie
ondermijnden.

Veel van deze bovenstaande waarnemingen zijn ook van toepassing op de
stelling dat vrede en veiligheid in deze staten een onmisbare voorwaarde is
voor het effectief bestrijden van armoede. Deze stelling - op zich niet
foutief - is oppervlakkig omdat er niet ingegaan wordt op de complexe
wisselwerking van interne en externe factoren die leiden tot sociale
spanningen, conflicten, burger- en interstatelijke oorlogen, het voorkomen
van war-lords en zelfs 'ineengestorte' staten. De motie in het
Europarlement die oproept tot een stop op legale en illegale wapenverkopen
aan de armste staten is correct. Heel bruikbaar is ook de opmerking dat
"gewapende conflicten veroorzaakt kunnen worden door economische
ongelijkheid en belangenverschillen op lokaal, regionaal en internationaal
niveau. Daarom moet conflictpreventie zódanig gedefinieerd worden dat
gezocht kan worden naar deze structurele oorzaken." Sociale spanningen en
conflicten zijn zowel gevolg als oorzaak van/voor economische crises.

9. "MARGINALISATIE" OF "INTEGRATIE" ..... OF EVENREDIGE DEELNAME IN EEN ANDER MAAR DUURZAAM GLOBAAL SYSTEEM?

In de voorgaande analyse over voorstellen tot bestrijding van armoede en de
toenemende ongelijkheid in de wereld kwamen de vele internationale factoren
en krachten aan de orde die direkt bijdragen aan deze problemen en die
oplossingen in de weg staan. De rol van IMF, Wereldbank en WTO is al
besproken evenals de invloed van EU en VS op het beleid van deze instituties.

De EU is een drijvende kracht achter de WTO-akkoorden die een wettelijk
kader creëren voor het openen en doordringen van alle economieën en
economische sectoren door transnationale ondernemingen. Een kader waarin
een kleine minderheid extreem rijk is en een overgrote meerderheid straatarm.
Ook is de EU de drijvende kracht achter een nieuwe
WTO-onderhandelingsronde, waarbij de herhaalde eisen genegeerd worden van
de meerderheid van 'ontwikkelingslanden' voor 'herziening, herstel en
hervorming' van WTO en haar akkoorden. Evenzo genegeerd is de afwijzing van
de wereldwijde civil society van een nieuwe ronde en hun gevecht voor een
andere agenda voor het internationale systeem. De Europese regeringen en
Commissie gebruiken elke mogelijke politieke taktiek om het verzet van arme
staten te verzwakken.

EU en VS hebben de beschikking over alle benodigde vaardigheden, politieke
invloed, en menselijke en financiële middelen om in een 'brede' ronde hun
economische belangen te behartigen. De armste staten daarentegen zijn niet
in staat om nog zo'n enorm inspannend onderhandelingsproces te doorlopen,
vooral omdat ze nog worstelen met de gevolgen van de vorige rondes.
Ze hebben onvoldoende onderlinge cohesie en taktische alianties kunnen
smeden om de verenigde Europese macht te weerstaan en om in te gaan tegen
de politieke invloed die de EU kan uitoefenen door hun economische en
financiële afhankelijkheid van het Cotonou 'partnerschap'. Bovenal hebben
de arme en de armste staten geen behoefte aan uitbreiding van de
gedereguleerde marktglobalisering die wereldwijd leidt tot grotere armoede
en sociale polarisatie, instabiliteit, onzekerheid en conflicten.

Het overduidelijke falen van de geliberaliseerde globale economie om de
beloofde voordelen te leveren aan de hele wereld kan niet worden
toegeschreven aan gebrek aan voldoende handel en investeringen in zwakke
economieën en de beweerde noodzaak tot 'een meer volledige integratie' in
het globale systeem. Integendeel, het probleem is dat die staten juist
gedwongen worden te 'integreren' door de ingrijpende en plotselinge wijze
waarop hun nationale handels-, productie- en dienstensectoren geopend worden.
Voor Afrikaanse staten betekent dit ook een nòg grotere gerichtheid van hun
handel en productie op de wereldmarkt waar het zogenaamde 'level playing
field' de sterkere spelers bevoordeelt. Het gaat dus niet louter om
'integratie', maar eerder om karakter en voorwaarden van hun deelname.

Het is uiteindelijk de basis, de systematische logica van de huidige
dominante 'vrije markt' en 'vrijhandel', die afgewezen moet worden zodat er
ruimte komt voor meer gebalanceerde, evenredige en duurzame alternatieven.
De rol van analytici en activisten uit Zuid en Noord is het samen steunen
van de armen en onderdrukten ten behoeve van het welzijn van alle mensen op
deze aarde.


vertaald en samengevat door Rob Bleijerveld
origineel te vinden op http://www.tni.org
(november 2002)

Noten:
(1) de zg. ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen.
(2)'Everything But Arms'-akkoord, vergelijkbaar met de African
Growth and Opportunities Act (AGOA), een tariefregeling voor
import uit Afrikaans staten op de Noordamerikaanse markt.
(3) ex-koloniën van EU-lidstaten in Afrika en Pacifische en
Caribische regio's.
(4)'Evenredig Voordeel', aanname uit de neoliberale economische
theorie gebaseerd op arbeidsdeling tussen staten, waarbij een
staat moet produceren waarin het goed is (voor een arme staat
zijn dat meestal onbewerkte grondstoffen). Zie ook: 'Free
Trade History, Theory and Ideology' uit Citizen's Guide to
Trade, Environment and Sustainablity, van FOEI
<http://www.foei.org/trade/activistguide/ideology.htm#theory>
(5)'hulpgelden' moesten besteed worden in de 'donorstaten'.
(6) New Partnership for Africa's Development.
(7) Trade Related Investment Measures
(8) General Agreement on Trade in Services
(9) Agreement on Trade Related Intellectual Property Rights


WTO---zzzzzzzzzzzzzzzzziiiiiiiiiiiiiiiiiiippppppppppppppppppppppp