Reakties van de antroposofen A. Sandhaus en H. Verbrugh, op het artikel 'Kosmisch' racisme door Jan Willem de Groot


A.T. Sandhaus1)

De wankele bodem van een beschuldiging

Onder de titel 'Kosmisch' racisme probeert Jan Willem de Groot in Skript 18/2 1996 aannemelijk te maken dat de antroposofie racistische elementen zou bevatten, door aan deze ondertussen modieus geworden beschuldiging een schijnbaar historische onderbouw te geven. Gezien de ernst van de aantijging en de wetenschappelijke pretentie van het artikel, mag men eisen stellen aan zijn conclusies. Deze blijken geen serieuze basis te hebben.

1. J.W. de Groot baseert een oordeel over Rudolf Steiner en de antroposofie uitsluitend op secundaire literatuur, kranten- en tijdschriftenartikelen. Blijkens eigen literatuuropgave heeft hij geen enkel boek van R. Steiner geraadpleegd.

2. De schrijver benut zijn ariosofie-studie om en passant een mening te geven over antroposofie. Zijn artikel is dan ook eigenlijk een afvalprodukt van deze studie.

3. Elementen die De Groot zelf toeschrijft aan antroposofie zouden zijns inziens kunnen worden misbruikt. Zonder uitgebreide studie is echter in te zien dat ALLES kan worden misbruikt en dit eenvoudig geen criterium is. Ook Christendom, Islam, Katholicisme, moderne techniek en universitaire studies kunnen via deze redenering als verwerpelijk worden beschreven.

Op deze basis komt J.W. de Groot tot ernstige oordelen, dan wel zware beschuldigingen met betrekking tot antroposofie en de persoon van R. Steiner, uitingen die bovendien beledigend en schadelijk zijn voor mensen die heden ten dage vanuit antroposofie werken.

De Groot is in feite van mening dat Steiners uitspraken over rassen en volken voeding zouden hebben gegeven aan de latere nazi-praktijken, of alsnog aan iets dergelijks zouden kunnen bijdragen. Dit is echter pure speculatie. Omdat er geen materiaal bestaat en evenmin op gebeurtenissen kant worden gewezen waaruit dit blijkt, kan men dergelijke beweringen uitsluitend doen door verbanden te suggereren. Dit is geen nieuw verschijnsel en De Groot stelt zich met zijn artikel helaas in deze traditie.

Wat historisch vast staat, en aan de hand van documenten is aan te tonen, is het omgekeerde van de De Groots suggestie: zowel antroposofie als Vrije School-onderwijs werden in het Derde Rijk verboden, omdat de antroposofische zienswijze met betrekking tot ras en individu niet aansloot bij de toen heersende ideologie.2)

In plaats van een grondige, onvooringenomen aanpak die men in dit kader zou verwachten, treft men bij De Groot iets aan dat niet anders is te karakteriseren dan suggestief knip- en plakwerk. Zo wijdt hij ruim drie van de ongeveer acht pagina's tekst aan een bespreking van Carl Gustav Carus (die De Groot kennelijk in het kader van de ariosofie bestudeerde), omdat R. Steiner diens Denkschrift "meer dan waarschijnlijk" moet hebben gekend en de antroposoof Max Stibbe zijn lesmateriaal aan R. Steiner "moet hebben ontleend." De Groot geeft er geen blijk van dit lesmateriaal zelf onder ogen te hebben gehad.

Na genoemde beschrijving van Carus' gedachtengoed wordt de verbinding naar de antroposofie gelegd met de woorden "Hier wordt duidelijk in welke traditie de antroposofische indeling in dag- en nachtvolken staat," hetgeen wordt geillustreerd met een kindertekening die op een Vrije School schijnt te zijn gemaakt.

Dan vervolgt De Groots bewijsvoering deze weg: Uit het tijdschrift Jonas citeert hij wat de "antroposoof John van Schaik" van Steiner begrepen heeft. Een element daaruit (verbinding tussen jodendom en rationalisme) zou ook te vinden zijn bij het antisemitische denken in Duitsland, waarna de Duitse filosoof Ludwig Klages wordt aangehaald. Vervolgens wordt als feit gepresenteerd een "antroposofische gelijkstelling van de joodse 'reflectie' met de 'spiegelende' maan." Hieruit zou men volgens De Groot kunnen afleiden dat de joden worden gezien als een parasitair volk omdat de maan het licht van de zon weerspiegelt. En deze gedachtengang vindt De Groot weer bij Georg Lomer, die "in contact met de theosofische beweging was gekomen." Waaruit dit contact bestond vermeldt hij niet, slechts een suggestie blijft over. Ondertussen zijn de joden via Lomer en "ook elders in het völkische en antisemitische kamp" al afgeschilderd als "duistere 'Mond-Kreaturen'" hetgeen als "antisemitische 'maanmythologie'" heden ten dage in het werk van de Chileen Miguel Serrano zou voortleven, die weer bevriend was met Hesse en Jung.

Uit dit alles zou "duidelijk worden" dat "de antroposofische indeling van de mensheid in dag- en nachtvolkeren en de antroposofische voorstelling van de joden als een volk dat met de maan verbonden is zeer problematisch zijn."

Of Steiner, tenslotte de bron van de antroposofie, het werkelijk zo ziet als De Groot suggereert, komt de lezer niet te weten. Maar dat doet er ook weinig toe voor De Groot, want het probleem ligt volgens hem in een beschouwingswijze "waarin het individu met bovenpersoonlijke krachten wordt verbonden." Daarin schuilt zijns inziens het gevaar dat mensen iet meer als unieke individuen worden waargenomen. In dit verband spreekt hij van een gevaar van ontmenselijking, dat ook in de antroposofie zou schuilen, door het lot van volken en rassen als kosmisch bepaald te zien: "niet de mens telt, maar het principe."

Hier wreekt zich wederom De Groots gemakzucht. Bij een serieus onderzoek zou hem opgevallen zijn dat Steiner de ontwikkeling van het individu in het middelpunt stelt. En wanneer Steiner op juiste wijze beschrijft in welke werkelijkheid de mens leeft, dan geeft hij het individu daarmee de mogelijkheid zich vrijer te maken. Onwetendheid maakt onvrij. Dan blijft de vraag over of Steiner het bij het rechte eind heeft of niet. Dat kan De Groot echter niet beoordelen want hij het het niet (behoorlijk) onderzocht. Een suggestie dat Steiner zijn inzichten zou hebben aangewend om aan te sporen tot mensonwaardige praktijken of dat anderen dat met zijn werk zouden hebben gedaan, mist iedere concrete basis.

Natuurlijk heeft De Groot, net als ieder ander, het recht kritisch te staan tegenover iemands werk. Maar een bonafide historicus zal proberen iemands werk recht te doen en het tenminste zuiver weergeven. Men kan niet eens zeggen dat De Groot geen getrouwe weergave geeft, hij geeft in het geheel geen weergave. Bevangen door zijn eigen vooroordelen stelt hij zich tevreden met krantenartikelen en legt hij suggestieve verbanden.3) Daarmee bewijst hij de lezers van Skript een slechte dienst en berokkent hij antroposofen schade.

Tot slot voor de belangstellende lezer Steiners eigen visie op het propageren van rasidealen: "En zo zien we dat juist in de 19e eeuw een opscheppen, een zich laten voorstaan op ras-, stam- en volkskenmerken en bloedbanden begint, en dat men dit opscheppen als iets idealistisch opvat, terwijl het in waarheid het begin is van een ondergangsverschijnsel onder de mensen, in de mensheid." "Iemand die vandaag nog van het ideaal van rassen, naties en bloedsbanden spreekt, die heeft het over impulsen die tot de ondergang van de mensheid leiden. En als hij in deze zogenaamde idealen gelooft, en daarmee denkt iets vooruitstrevends als ideaal te hebben, dan vergist hij zich vreselijk. Want door niets zal de mensheid meer zijn ondergang tegemoet gaan dan door de verbreiding van ras-, volks- en bloedsidealen." (26 okt. 1917).4)

Historisch blijft nog te onderzoeken hoe men kans ziet de antroposofie na de oorlog te beschuldigen van racisme, terwijl zij tijdens de oorlog werd verboden vanwege het tegenovergestelde.


Jan WillemNaar de reaktie hierop door Jan Willem de Groot

Noten:

1) Arnold Sandhaus is docent eurythmie, toneel en antroposofie. Daarnaast publiceert hij in antroposofische tijdschriften.

2) Het verbieden van de antroposofische vereniging in Duitsland werd als volgt gemotiveerd in een verordening van 1 november 1935: "de Antroposofische Vereniging is internationaal ingesteld en onderhoudt ook nu nog betrekkingen met buitenlandse vrijmetselaars, joden en pacifisten. De op basis van de pedagogie van Steiner opgebouwde (...) antroposofische scholen en gehanteerde onderwijsmethode streven een individualistische op de afzonderlijke mens gerichte opvoeding na, die geen enkele overeenkomst heeft met de nationaal-socialistische principes over opvoeding. Op grond van hun tegenstelling ten opzichte van de ideeen over het volk zoals die door het nationaal-socialisme wordt vertegenwoordigd, bestaat het gevaar dat door verdere activiteiten van de Antroposofische Vereniging de belangen van de nationaal-socialistische staat schade wordt toegebracht. De organisatie moet daarom wegens haar staatsvijandige en staatsgevaarlijke karakter worden opgeheven." Werd ondertekend door R. Heydrich. (Copie in archief van A. Wagner, Rendsburg).

3) Opmerkelijk is de suggestie die uitgaat van de opmaak van pagina's 72 en 73 waarbij onder nazistisch propagandamateriaal een Vrije schoolkindertekening is geplaatst met daarnaast een foto van Hitler, volgens de tekst "Hitler met drie blonde Friese kinderen." Van de foto zijn de drie Friese kinderen echter afgeknipt, waardoor Hitler nu blij lachend naar de kindertekening kijkt. De redactie heeft mij ondertussen verzekerd dat dit "louter toevalligheid" is. De vraag blijft waarom de Friese kinderen dan werden weggeknipt.

4) Die spirituellen Hintergruende der ausseren Welt, Gesamtausgabe 177.


Jan willemNaar de reaktie hierop door Jan Willem de Groot

H.S. Verbrugh5)

Een historisch-methodologische discussie

In de eerste maanden van 1996 werd in een aantal Nederlandse dag- en weekbladen een heftig debat gevoerd over vermeend racistische tendenzen in het werk van Rudolf Steiner en de antroposofie.6) Naar aanleiding hiervan publiceerde Jan Willem de Groot een artikel over 'één aspect van Steiners rassenleer, waaraan in de recente commotie nog geen aandacht was besteed, namelijk aan de traditie, waaruit bepaalde beelden en gedachten van de antroposofie over volken en rassen stammen.' Dit artikel vertoont enkele methodologische en inhoudelijke gebreken die correctie behoeven.

Ten eerste gebruikt De Groot de eerst in aanmerking komende informatie-bron onvolledig en selectief waar hij verwijst naar de aanleiding voor zijn artikel, namelijk "de uitspraken die de vice-voorzitter van de Antroposofische Vereniging C. Wiechert deed in het radioprogramma...". Het waren echter niet Wiecherts uitspraken in het radioprogramma, maar de vertekende weergave ervan in een persbericht van het Humanistisch Verbond die de aandacht vestigden op vermeende racistische gedachten in de antroposofie. Wat Wiechert werkelijk gezegd heeft, is in de genoemde bladen niet correct weergegeven, laat staan adequaat becommentarieerd.7)

Ten tweede is zijn samenvatting van de rol van mevrouw Jeurissen in de voorgeschiedenis in de Vrije School De Berkel slechts één versie. Zowel Wiechert zelf in het bedoelde radioprogramma als andere betrokkenen geven een andere versie.8)

Ten derde klopt de verwijzing naar de Flensburger Hefte niet. In dit tijdschrift wordt niet "Steiners rassenleer kritisch onder de loep genomen"; er wordt nu juist ter discussie gesteld òf men kan spreken van een 'rassenleer' van Steiner, en dat is volgens de auteurs van dit tijdschrift niet het geval. Men gaat alleen kritisch op sommige discutabele uitspraken van Steiner over dit onderwerp, die er onbetwistbaar zijn, in. Dáár gebeurt dat echter, anders dan in het artikel van De Groot, uitdrukkelijk tegen de achtergrond van de geest van die tijd, waarin over begrippen als 'ras' en 'volk' fundamenteel anders werd geoordeeld dan nu, en in de context van Steiners werk als geheel.

Tenslotte is zelfs de aanleiding tot De Groots artikel niet correct door hem weergegeven. In literatuurverwijzing nummer drie (welk artikel overigens gevolgd werd door ruim een dozijn kritische reacties) bij zijn artikel wordt de door hem bedoelde traditie over volken en rassen namelijk uitvoerig besproken.

Ook inhoudelijk verdient De Groots benadering kritiek. Ten eerste bestaat er geen 'antroposofische rassenleer'. Er bestaat eigenlijk zelfs geen 'antroposofische leer' als zodanig, en voor zover het 'antroposofie' genoemde systeem weliswaar geen 'leer' is, maar wèl samenhang vertoont, is het niet het werk van Steiner alleen. Nota bene in de door De Groot aangehaalde Flensburger Hefte wordt dit afdoende gedocumenteerd.

Ten tweede kan men niet spreken van 'de (bedoeld is: de enige, of althans de dominante) traditie' waaruit de door De Groot bedoelde ideeën en gedachten zouden stammen. Voor zover Steiner vanuit tradities werkte, waren dat die van de moderne natuurwetenschap, het werk van Goethe als natuuronderzoeker, de filosofische traditie van de vrijheid van o.a. Erasmus, Schelling en Nietzsche, de autonomie van het individu van het Duitse idealisme van Fichte en anderen, de evolutie-theorieën, de theosofie, de filosofie van karma en reïncarnatie (door Steiner concreter en meer in lijn met de westerse denktrant dan in de theosofie verder ontwikkeld) en de christelijke traditie.

Ten derde vermeldt De Groot ten onrechte niets over de context binnen welke Steiner omtrent rassen en volkeren spreekt. Dat doet hij namelijk overal en altijd vanuit het gezichtspunt dat het onderscheid tussen mensen op basis van ras en andere niet wezenlijke menselijke eigenschappen een zaak van het verleden is. De gelijkheid van alle mensen ongeacht ras is een hoeksteen van het antroposofisch mensbeeld. Zowel in de Flensburger Hefte als in de radiotekst van Wiechert wordt dit met nadruk vermeld en gedocumenteerd. Dat dit in een persbericht en de uitsluitend daarop gebaseerde persberichten en commentaren systematisch verzwegen wordt, is een betreurenswaardig aspect van de wijze waarop sommige media met dit thema omgaan; van een consciëntieuze historicus verwacht men dat hij de oorspronkelijke bronnen - en zeker die welke hij aanhaalt - consulteert alvorens tot een oordeel te komen.

Ten vierde debiteert De Groot een pure speculatie waar hij in de historische achtergrond van Steiners ideeën over rassen Carl Gustav Carus een centrale rol laat spelen, want nergens in de registers op het werk van Steiner komt de naam van Carus voor.

Tenslotte missen de verwijzingen naar associaties tussen de antroposofen en Hitler en het nazisme elke grond. Zulke associaties duiken soms op in allerlei troebele literatuur. Telkens worden ze door serieuze auteurs weerlegd.9) Wie zijn literatuur kent, legt deze onzin terzijde en is navenant voorzichtiger in zijn oordeelsvorming dan De Groot, die domweg concludeert: "Hier wordt duidelijk in welke traditie de antroposofische indeling ... staat".

De door De Groot beoogde reconstructie van de historische achtergrond van de vermeende antroposofische rassenleer blijkt dus niet te deugen. Blijft de vraag hoe het komt dat De Groot, werkend in een universitair instituut, tot deze inadequate werkwijze komt. Ik waag een veronderstelling. Antroposofie is een 'antropologie van de vrijheid'.10) De menselijke vrijheid, 'het normatieve sleutelidee van de moderne westerse cultuur' wordt daarin mèt de daarbij behorende verantwoordelijkheid van de mens dóórdacht en uitgewerkt tot in zijn uiterst denkbare consequentie. In de meest concrete zin is de mens - tegelijk ieder individueel mens en 'de' mens als zodanig - daadwerkelijk verantwoordelijk voor de toekomst (de slotzin van De Groot "niet de mens telt, maar het principe" is de meest radicale omkering van de antroposofie die men kan bedenken).

Men kan zich echter voorstellen dat dit essentiële beroep van de antroposofie op de vrijheid van de mens in vele mensen die zich door dit idee aangesproken voelen, allerlei onbestemde gevoelens oproept. De twijfels en onzekerheid die daaruit kunnen ontstaan, kunnen dan gemakkelijk in omgestulpte vorm geprojecteerd worden op een autoriteit buiten de persoon zelf. Zo ontstaat het imago van Steiner als een goeroe die alles weet, op alle vragen antwoord heeft, nimmer iets onjuists gezegd heeft en zo voort, en zo ontstaat het imago van de antroposofische beweging als een verzameling Steiner-napraters.

In een curieus imitatie-mechanisme doen sommige critici van de antroposofie nu exact hetzelfde. Ze pakken die passages bij Steiner die tegemoet komen aan hun eigen vooroordeel, negeren de context en de rest van de antroposofie, verklaren deze passages als maatgevend voor de hele antroposofie en verketteren vervolgens deze passages even absoluut als sommige antroposofen andere passages als ultieme waarheid verklaren. "Slechts gelijk kan door gelijk gekend worden", zegt Steiner. Het artikel van Jan Willem de Groot geeft steun aan deze uitspraak.


Jan WillemNaar de reaktie hierop door Jan Willem de Groot

Noten:

5) Hugo Verbrugh is arts en universitair hoofddocent aan de Vakgroep Filosofie, Ethiek en Geschiedenis van de Geneeskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

6) Een overzicht van ruim honderd hierover verschenen teksten (artikelen, ingezonden brieven e.a.) kan bij de auteur van dit artikel worden opgevraagd.

7) Zie H.S. Verbrugh, 'Racisme en Antroposofie,' Skepter 9 nr. 2, juni 1996, 38-39.

8) Zie bijv. Hanny Polwijk, Gelders Dagblad van 21 maart 1996, 7.

9) Zie bijv. Peter Burger: 'Hitler en het Occulte', Skepter 9 nr. 2, juni 1996, alwaar verdere literatuurverwijzingen.

10) Zie H.S. Verbrugh: Nawoord bij Rudolf Steiner 'Geesteswetenschap en geneeskunde', Zeist 1996, 367-411.


top Naar bovenzijde
home Naar Nederlandse home page
English Home page

E-mail: simpos@zonnet.nl