De kritiek van Arnold Sandhaus en Hugo Verbrugh op mijn artikel3) is tweeledig van aard; methodologisch en inhoudelijk. Wat betreft de methodologische kant wijst de heer Verbrugh op mijn weergave van de rol van Christof Wiechert en mw. Jeurissen in de voorgeschiedenis van het debat over (vermeend) racisme in de antroposofie. De heer Verbrugh suggereert dat de weergave van de uitspraken van Wiechert in mijn artikel niet juist zijn. Deze zouden slechts zijn gebaseerd op een vertekende weergave in het persbericht van het Humanistisch Verbond. Zoals de heer Verbrugh echter zelf in Skepter schrijft, 'komen de aangehaalde uitspraken van Wiechert (in de media - JW) inderdaad in het programma voor.' Hij voegt hieraan toe dat 'de context (...) een totaal andere (is) dan in het persbericht gesuggereerd en in de dagbladen gesteld wordt.'4) Op deze context doelt de heer Verbrugh waarschijnlijk wanneer hij spreekt over de 'vertekende weergave' van Wiecherts uitspraken in het persbericht. Over de context van Wiecherts uitspraken kan men uiteraard discussiëren. Dat Wiechert zijn beladen uitspraken (zoals weergegeven in de media en in mijn artikel) daadwerkelijk gedaan heeft en daarmee een heftige discussie ontketende, staat echter buiten kijf.
Het punt van kritiek op mijn bespreking van de rol van mw. Jeurissen is mij niet geheel duidelijk. Ik heb slechts geschreven dat mw. Jeurissen haar brochure gepubliceerd heeft uit verontrusting over het onderricht in het vak 'rassenkunde' op de Vrije School. Mevrouw Jeurissen heeft mij dit ook mondeling medegedeeld. De kwestie of zij al dan niet in een eerder stadium de inhoud van haar brochure in het schoolblad geplaatst kon krijgen -hier refereert de heer Verbrugh waarschijnlijk aan- is hier verder niet van belang.
De vraag of in de antroposofische Flensburger Hefte5) Steiners leer over 'rassen'6) en volken al dan niet kritisch in ogenschouw wordt genomen, is hier een kwestie van perceptie. De bundel Anthroposophie und Rassismus uit deze reeks is samengesteld door verschillende antroposofische auteurs, die elk hun licht over Steiners theorieën over volken en rassen laten schijnen. Zij komen daarbij tot verschillende oordelen. Terwijl Thomas Höfer in zijn opstel Steiner goeddeels tegen zijn critici in bescherming neemt,7) is Bernd Hansen aanzienlijk kritischer, met name ten aanzien van Steiners uitspraken over de Indianen als een 'decadent' ras.8)
De vaststelling van Hugo Verbrugh dat de auteurs van deze bundel tot de conclusie komen dat er bij Steiner geen sprake is van een 'rassenleer' kan ik niet zonder meer delen. De heer Verbrugh doelt hier waarschijnlijk op het gegeven dat de schrijvers van deze bundel steeds op de reïncarnatieleer wijzen, die een rassenleer in orthodoxe (biologische) zin uitsluit (op deze thematiek zal hieronder nog worden teruggekomen). Wat bij lezing van de verschillende opstellen echter opvalt, is de voortdurende worsteling van de auteurs met de vraag hoe de verschillende rassen zich onderling tot elkaar verhouden. Soms lijkt men het spoor geheel bijster te zijn en wordt het uiteindelijke oordeel aan de lezer overgelaten.9)
Volgens de heer Verbrugh is de aanleiding tot mijn artikel niet correct weergegeven. Hij verwijst hierbij naar het artikel van René Zwaap in De Groene Amsterdammer van februari vorig jaar,10) waarin reeds uitvoerig wordt ingegaan op de door mij in mijn artikel aangeduide traditie van volken en rassen. Een traditie, waaruit weer bepaalde beelden en gedachten van de antroposofie stammen. Met dit laatste heeft de heer Verbrugh gelijk. Hij weet echter niet (en kon dit ook niet weten) dat dit artikel voor een belangrijk deel op mijn doctoraalscriptie uit 1994 steunt. Met name de beschrijving van de theosofische leer der 'wortelrassen' is nagenoeg integraal uit mijn scriptie overgenomen (met mijn medeweten overigens).
Verder verwijst Hugo Verbrugh in zijn reactie naar allerlei 'troebele literatuur,' waarin verbanden tussen het nationaal-socialisme en de antroposofie (en in brede zin met het occultisme) worden gelegd. Hij impliceert daarbij dat ik me in mijn onderzoek op dergelijke literatuur (waarover zodadelijk) baseer. Dit is natuurlijk niet het geval. In mijn onderzoek baseer ik me niet op het werk van auteurs als Pauwels en Bergier, J.H. Brennan, Trevor Ravenscroft11) en andere fantasten, waarover Peter Burger in Skepter terecht een kritisch artikel heeft geschreven,12) maar op dat van serieuze historici.13)
De heer Sandhaus oefent in zijn reactie op mijn artikel kritiek uit op het gebruik van het bronnenmateriaal. Hij heeft gelijk dat ik verzuimd heb direct naar het werk van Steiner zelf te verwijzen. Steiners veronderstellingen over de joden als een volk, dat door Jahweh vanaf de maan wordt geleid, en zijn gedachten over de Indianen als een Saturnusras zijn terug te vinden in Steiners boek De Volkszielen, een van zijn bekendste, maar ook meest omstreden werken.14) Wat betreft de verbinding jodendom/rationalisme heb ik verwezen naar het artikel van Wolfgang Weirauch in de bundel Anthroposophie und Rassismus; de bron is hier Rudolf Steiners Grundelemente der Esoterik.15) Deze informatie had ik natuurlijk al in mijn eerste artikel moeten geven. Op dit punt is de kritiek van de heer Sandhaus geheel terecht.
De heer Sandhaus schrijft dat ik in mijn artikel heb beweerd dat elementen uit de antroposofie zouden kunnen worden misbruikt. Dit heb ik echter nergens geschreven. Wat ik in mijn opstel duidelijk heb proberen te maken, is het gegeven dat antroposofische classificaties over rassen en volken ook in de Ariosofie en het nationaal-socialisme kunnen worden aangetroffen (zoals de indeling in dag- en nachtvolken en de voorstelling van de joden als een 'maanvolk'). Het zijn juist deze speculaties over rassen en volken die de discussie over de antroposofie steeds weer doet oplaaien17) (dit in tegenstelling tot het christendom en de islam, waarin speculaties over rassen en hun 'kosmisch' lot geheel afwezig zijn).
Ook heb ik niet beweerd dat 'Steiners uitspraken over rassen en volken voeding zouden hebben gegeven aan de latere nazi-praktijken' zoals Arnold Sandhaus schrijft. Zoals ik in de bovenstaande alinea al heb aangegeven, heb ik alleen op enige parallellen gewezen. Een causaal verband heb ik nergens gelegd. Wèl ben ik van mening dat de antroposofische speculaties over het 'kosmische' lot van volken en culturen potentiële gevaren in zich herbergt. Hierin sta ik overigens niet alleen. De discussie in Nederland (en Duitsland) draait juist om deze kwestie.
Het verbod van de Antroposofische Vereniging door de nationaal-socialistische autoriteiten in 1935 wordt vaak genoemd door antroposofen en ook de heer Sandhaus maakt hier melding van. Van antroposofische zijde wordt daarbij vaak de indruk gewekt alsof het hier iets bijzonders betreft. Dit is natuurlijk niet het geval. In de jaren dertig werden in het kader van de Gleichschaltung talloze organisaties verboden die ook maar enigszins de indruk wekten een gevaar voor de nationaal-socialistische alleenheerschappij te zijn. Niet alleen de Antroposofische Vereniging en vele andere maatschappelijke organisaties werden in de jaren dertig verboden, maar ook -en dat is veel minder bekend- talrijke völkische en racistisch-occulte sekten die in de republiek van Weimar actief waren geweest en de Machtübernahme enthousiast hadden begroet. Hier was het vooral Hitler zelf die scherp tegen deze sekten stelling nam en er voor zorgde dat ze werden uitgerangeerd.18)
Als nadere illustratie van deze verboden en ook om het verbod van de Antroposofische Vereniging in Duitsland in een breder historisch perspectief te plaatsen, zal nu kort een van de prominentste 'slachtoffers' van deze politiek worden besproken. Bedoeld is Arthur Dinter. Arthur Dinter (1876-1948) is in de historische literatuur vooral bekend als de schrijver van de antisemitische roman Die Sünde wider das Blut (1918) die een totale oplage van tenminste 200.000 exemplaren bereikte. Daarnaast behoorde Dinter tot de vroege aanhang van de NSDAP, waar hij het in de jaren 1925-1927 tot de eerste Gauleiter van Thüringen bracht. In deze jaren begon Dinter met de verkondiging van een antisemitische reïncarnatieleer in de vorm van een bijzonder Geistchristentum, waarin de joden als een demonische macht werden afgeschilderd die het Duitse volk naar de ondergang leidden. Ondanks zijn principiële antisemitisme werd Dinter wegens zijn eigenzinnige en sektarische optreden in 1927 door Hitler uit de partij gezet. Hierna richtte Dinter zijn eigen Deutsche Volkskirche op, waarin hij zijn aanhang organiseerde. Deze organisatie werd uiteindelijk in 1937 door de autoriteiten verboden, wat voor Dinter het einde van al zijn activiteiten betekende.19)
Een ander prominent slachtoffer dat hier nog genoemd kan worden, is Lanz von Liebenfels, de grondlegger van de Ariosofie. Na de Anschluss in 1938 kreeg Lanz een publicatieverbod opgelegd. Wat er daarna nog van de Orde der Nieuwe Tempelieren restte, werd in 1942 ontbonden door de gestapo.20) Ook voor Lanz' Ariosofie en Dinters antisemitische Geistchristentum was in het derde rijk geen plaats. Tegen deze achtergrond heeft het verbod van de Antroposofische Vereniging geen bijzondere betekenis.21)
Wat betreft Carus' typologieën van de verschillende menselijke schedels menen Wolfgang Schad en Klaus-Peter Endres dat deze een belangrijke inspiratiebron zijn geweest voor Steiners idee van een Dreigliederung des menschlichen Organismus. In een opstel uit 1917,23) waarin Steiner de gedachte van een Dreigliederung van de mensheid formuleert, gaat hij uit van drie basistypen van menselijke schedels. Hij onderscheidt hier een schedelvorm met geprononceerde middenhersenen, een schedel met een sterke ontwikkeling van het achterste gedeelte van de hersenen en tenslotte een, waarin het voorste gedeelte van de hersenen krachtig ontwikkeld is. Volgens Steiner corresponderen deze schedelvormen met resp. het gele, zwarte en blanke ras. Deze fysiologische verschillen zouden ook gevolgen hebben voor het gedachtenleven van de verschillende menselijke rassen. Het zwarte ras kenmerkt zich door een sterk ontwikkeld drift- en gevoelsleven, de krachtig ontwikkelde middenhersenen van het gele ras bewerkstelligen een innerlijk leven, waarin dromen een belangrijke rol spelen, terwijl het geprononceerde voorste gedeelte van de hersenen van het blanke ras een krachtig intellectueel bewustzijn herbergt. Volgens Schad en Endres komen deze typologieën precies overeen met Carus' Grundzüge einer neuen und wissenschaftlich begründeten Cranioskopie uit 1841. In dit boek formuleert Carus zijn gedachten over de verschillende vormen van de schedels van de Nachtvölker (het zwarte ras), de Dämmerungsvölker (het gele ras en de Indianen) en de Tagvölker (het blanke ras) en de daarmee corresponderende verschillen in het karakter van deze rassen. Zo meent ook Carus dat het zwarte ras een krachtig driftleven kent, het gele door dromen wordt beheerst en het blanke intellectueel het verst is voortgeschreden.24)
Zoals Wolfgang Schad en Klaus-Peter Endres opmerken, ziet Steiner in het Indiaanse ras de 'avondschemering van de mensheid,'25) dat onder invloed van de planeet Saturnus uitsterft. Niet alleen voor Steiner, maar ook voor Carus is het Indiaanse 'schemerras' een stervend ras. Schad en Endres geven een citaat uit Carus' Denkschrift (1849), waaruit deze zienswijze duidelijk blijkt. Carus schrijft hier:
(...) dass mit einer grossen Entschiedenheit diese Stämme (d.w.z. de Indianen) überhaupt allmählich ihrem völligen Erlöschen entgegengehen (...) so darf man auch sagen, dass diese Vergänglichkeit - dieses merkwürdige - ich möchte sagen - Vergehen solcher Dämmerungsvölker vor den Menschen der Tagseite, ebenfalls nur ein Beleg mehr ist, dass ihre Persönlichkeit keine sehr hohe - keine Nachhaltige sei (...) es gibt ein eigenes Gefühl, wenn man (...) sieht, wie ein mächtiges, weitverbreitetes Reich beim Nahen einer Handvoll Abenteurer wie Nebel zerrint und wie eine Wolke sich Auflöst.26)
Met dit laatste doelt Carus op de verovering van de Azteken- en Inca-rijken door de Spanjaarden.27) Carus' veronderstelling van de Indianen als een stervend ras, dat bij de komst van de Europeanen als het ware in damp oplost (door een zwakke innerlijke natuur), vormde volgens Schad en Endres het uitgangspunt voor Steiners eigen uitspraken over de Indianen als een ras in neergang.28) Zoals ik hierboven al aangaf, gaan Wolfgang Schad en Klaus-Peter Endres in hun conclusies ten aanzien van de invloed van Carus op Steiner aanzienlijk verder dan ik. In mijn eigen gevolgtrekkingen ben ik wat dat betreft nog zeer terughoudend geweest.
Wolfgang Schad en Klaus-Peter Endres wijzen in hun artikel op het gegeven dat Steiners ideeën over volken en rassen op veel plaatsen door eigentijdse vooroordelen gekleurd zijn. Schad en Endres menen echter dat Steiner zich met de introductie van een nieuw 'spiritueel' rassenbegrip van zijn tijd heeft losgemaakt. Zij wijzen hierbij op het door Steiner aangebrachte onderscheid tussen 'geistige Individualität' en 'Gattungswesen',29) waarbij de eerste voor het hogere spirituele 'ik' van de mens staat en de laatste voor de verschillende menselijke rassen. De antroposofische gedachte is nu dat dit spirituele 'ik' zich telkens in een ander ras incarneert. De voorstelling hierbij is die van een 'pelgrimstocht'; het 'ik' verplaatst zich van ras tot ras om uiteindelijk bij zijn 'hogere' lotsbestemming uit te komen (een veronderstelling die de Duitse historicus Helmut Zander treffend typeert als 'Der Weltgeist auf dem Weg durch die Rassengeschichte').30) Hier doelt Steiner ook op wanneer hij in de door Arnold Sandhaus geciteerde passage spreekt van de noodzaak zich los te maken van de 'volks- en bloedsidealen.' Deze vormen immers een belemmering voor de evolutie van het spirituele 'ik.' In Steiners visie is het ras dan ook een 'Hülle,' dat het 'ik' kan aan- en uittrekken31) (de voorstelling van het menselijk lichaam als een 'Hülle' is overigens een typisch gnostische gedachte).
Deze op het eerste gezicht belangwekkende gedachte is bij nader inzien minstens zo problematisch als Steiners receptie van Carus. Wat Hugo Verbrugh en Arnold Sandhaus niet in hun bijdragen vermelden, is het gegeven dat de opgang van het spirituele 'ik' zich voor Steiner in een duidelijke hiërarchie van rassen voltrekt, waarin het 'Arische' ras het verst gevorderd is. Voor Steiner is het blanke ras 'die eigentliche Kulturrasse'32) en daarmee het ras van de toekomst; 'Die weisse Rasse ist die zukünftige, die am Geiste schaffende Rasse.'33) Het uitsterven van het blanke ras zou volgens Steiner dan ook negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van de mensheid hebben; 'Denn es ist tatsächlich so, dass, je mehr die blonden Rassen aussterben, desto mehr auch die instinktive Weisheit der Menschen stirbt. Die Menschen werden dümmer.'34) Hier wordt duidelijk hoe Steiner ook in zijn spirituele rassenleer geheel bevangen is door eigentijdse vooroordelen over de superioriteit van het Arische ras. Gedachten over het Ariërdom als het idealistische ras bij uitstek dat in de geschiedenis van de mensheid een bijzondere cultuurmissie te vervullen had, waren wijd verbreid rond de eeuwwisseling.35)
Tegenover het blanke ras van de toekomst staan de gekleurde rassen van het verleden. In Steiners visie zijn het niet alleen de Indianen als 'het ras van de duistere Saturnus,36) dat onder invloed van deze planeet langzaam begint uit te sterven, maar ook het Maleise ras.37) Deze rassen zijn aan het einde van hun kosmische cyclus gekomen; de ego's verlaten de Maleise en Indiaanse 'omhulsels' om vervolgens in het Ariërdom te incarneren, het ras van de toekomst. Zoals de antroposofische leerkracht Hans Peter van Manen het in 1985 bondig uitdrukte, heeft het blanke ras hier inderdaad een 'rassenuitwissende werking':
Het kan inderdaad als een voordeel of een voorrecht van het blanke ras beschouwd worden dat deze rassen-uitwissende werking primair van de Europese volken uitgaat.38)
Hier krijgt de antroposofie trekken van een 'occult cultuurimperialisme,' waarin de dominantie van het blanke ras een onafwendbaar gegeven lijkt te zijn.39) Het is juist deze problematiek van rijzende en dalende rassen, waarmee de auteurs van de Flensburger Hefte zo worstelen. Wolfgang Weirauch verzucht hier:
Eines der grössten Probleme im Zusammenhang der sog. Rassenfrage und der anthroposophischen Geisteswissenschaft ist das der höhersteigenden und niedergehenden, in Dekadenz geratenden Rassen.40)
De opmerking van de heer Verbrugh dat volgens Steiner het onderscheid tussen mensen op basis van ras een zaak van het verleden is, is in strijd met de inhoud van Steiners theorieën, waarin de kosmisch-hiërarchische ontwikkeling van volken en rassen een centrale rol speelt. Bernd Hansen van de Flensburger Hefte merkt hier dan ook terecht op:
Die oft betonte Aussage Rudolf Steiners 'Rassen haben ab jetzt keine Bedeutung mehr oder verlieren an Bedeutung' wird durch den Satz 'Die weisse Rasse ist die zukünfige, die am Geiste schaffende Rasse' relativiert. Auch stehen die pauschalen, öfter herablassenden und teilweise unbegreiflichen Äusserungen über Japaner, Franzosen, Malaien, Schwarze und Indianer im Widerspruch zu dieser Äusserung.41)
Steiners leer over volken en rassen is geen orthodoxe (biologische) rassenleer, waarin een onverbrekelijke eenheid tussen lichaam en geest wordt gepostuleerd. De reïncarnatiegedachte sluit dit uit. Zoals ik in mijn vorige artikel al heb aangegeven, is bij Steiner sprake van een 'metafysische' of 'kosmische' rassenleer. Een leer met 'stijgende' en 'dalende' rassen, waarin het blanke ras de hoogste trede van de spiritueel- evolutionaire ladder bezet.
Tenslotte nog enige opmerkingen over het antroposofische vrijheidsbegrip en de methodologie van de antroposofie. Hugo Verbrugh karakteriseert de antroposofie als een 'antropologie van de vrijheid.' Arnold Sandhaus stelt dat Steiner de ontwikkeling van het individu in het middelpunt stelt. Wat de kritische beschouwer van de antroposofie echter onmiddelijk opvalt, is het 'totaliserende' karakter van deze leer. Dit blijkt duidelijk uit de antroposofische visie op de ontwikkeling van de mensheid. In de antroposofie worden hele volken en culturen van de empirie geabstraheerd en tot onderdeel van een allesomvattend metafysisch systeem gemaakt, waarin elk volk of ras een vaste plaats heeft (de antroposofie is in dit opzicht een typisch 'modernistische' cultuurfilosofie - en wel in bijzondere mate; het postmodernisme is haar dan ook geheel vreemd). Daarnaast is het lot van ieder volk of ras 'kosmisch' (of 'karmisch') bepaald; de ontwikkeling voltrekt zich hier volgens onwrikbare metafysische wetmatigheden, waarop het desbetreffende ras (laat staan het individu) geen enkele invloed heeft. Dit blijkt op navrante wijze uit Steiners veronderstellingen over het collectieve uitsterven van hele volken en culturen, een proces, dat 'metafysisch' gedetermineerd is. Te midden van al dit metafysische geweld is de rol van het individu slechts van ondergeschikte betekenis.
De antroposofie presenteert zich graag als een 'wetenschap.' Zij meent dat haar uitspraken over 'kosmische wetmatigheden' en de invloed van deze 'wetten' op het functioneren van hele volken en culturen een objectieve basis hebben. De antroposofen zelf spreken hier van een specifieke antroposofische 'geesteswetenschap', een methode, waarmee objectief inzicht in de (bovenzinnelijke) 'geesteswereld' zou kunnen worden verkregen (voor antroposofen een vaststaand gegeven). Op deze wijze zou ook het metafysische lot van volken en rassen 'objectief' kunnen worden bepaald. De pretentie van de antroposofie een 'wetenschap' te zijn, is natuurlijk onzinnig. De grandiose kosmologische veronderstellingen van de antroposofie over de ontwikkeling van de mensheid in de richting van een 'hogere' bestemming (het teleologische aspect van de antroposofie) en de rol van de verschillende rassen daarin kunnen op geen enkele wijze worden geverifieerd of gefalsifieerd. De antroposofie is een typisch voorbeeld van een speculatieve metafysica en daarmee een geloof.42) Een geloof, waarin aan de hand van allerlei 'kosmische' stereotypen volken en culturen worden geclassificeerd. Het zijn juist deze metafysische classificaties die in de antroposofie tot gevaarlijke deformaties kunnen leiden.