Tekening, op Vrije School De Berkel te Zutphen gemaakt
Wiechert wond er in het interview geen doekjes om. Geconfronteerd met Steiners
uitspraak, waarin de ontwikkelingsfase van het "zwarte ras" met die van een kind tot
zeven jaar vergeleken wordt, meende Wiechert: "Zonder discriminerend te zijn; je ziet het
bijvoorbeeld op het gebied van de vitaliteit, dat is in het zwarte ras een geweldige
meerwaarde. Kijk maar naar Ajax, om maar wat te zeggen. Ik heb niks tegen Ajax hoor,
maar je ziet dat daar vitaliteitsoverschotten zijn die jij en ik niet bij de hand hebben."1)
Ook Steiners veronderstelling dat het verdwijnen van de Indianen een "kosmische" noodzakelijkheid was, achtte Wiechert "geen beladen uitspraak." Wiechert zei hierover:
"Toen de Europeanen zich met de negers gingen bemoeien, is dat volk niet te gronde
gegaan. Integendeel. Dat volk werd almaar groter en assimileerde zich met de westerse
beschaving. En als je dan daartegenover ziet wat er bij Wounded Knee is gebeurd met de
Indianen, dat is toch een onvoorstelbare tragedie. Daar zie je dat er echt iets uitgeblust
werd. Onvoorstelbaar... Dus uit die waarneming is de gedachte aannemelijk."2)
De uitspraken van Wiechert bleven niet zonder echo in de media3) en ook in de
gelederen van de Antroposofische Vereniging laaide de discussie hoog op. Op zaterdag 30
september belegde de vereniging een buitengewone algemene ledenvergadering, waar een
grote meerderheid van de leden het bestuur, dat zich van Wiechert gedistantieerd had, in
zijn optreden steunde. Besloten werd een werkgroep op te richten, die Steiners uitspraken
over rassen zou onderzoeken.4) Met dit laatste volgen de Nederlandse antroposofen het voorbeeld van een groep progressieve Duitse antroposofen, die zich rond de
Flensburger Hefte hebben verzameld. In deze antroposofische
tijdschriftenreeks verschijnen afleveringen, waarin Steiners rassenleer kritisch wordt
onderzocht.5)
De commotie in de Antroposofische Vereniging over Steiners rassenleer dateert niet van
vandaag of gisteren. In februari 1995 was de antroposofie al opspraak geraakt door een
artikel in de Volkskrant, waarin verslag werd gedaan van de ervaringen van Angelique
Oprinsen, moeder van een dochter op de -antroposofische- Vrije School De Berkel in
Zutphen. Van dochter Juliette kreeg Oprinsen het schoolschrift "Rassenkunde" onder ogen
met daarin stereotypen over het "zwarte ras" en de "gele medemens." Volgens de tekst in
Juliette haar schrift "hebben negers een ritmisch gevoel" en "dikke lippen," terwijl
Aziaten hun emoties achter "de altijd blijvende glimlach verbergen."6)
Juliette had in haar schrift ook de door de leraar opgegeven ontwikkelingsfasen van
de verschillende rassen opgeschreven, waarvan de pigmentatie aan de delen van een
etmaal is gerelateerd; zo behoort het zwarte ras bij de nacht, het gele bij de ochtend en
het blanke bij de dag. Toen Oprinsen hierover bij de schoolleiding van De Berkel aan de
bel trok, kreeg ze geen bevredigend antwoord. Van ouders van andere leerlingen van De
Berkel kreeg ze evenmin steun. Op een ouderavond kreeg ze antwoorden van de volgende
strekking: "Als jij Rudolf Steiner zou begrijpen zou je zijn gedachten over 'rassen' wel
onderschrijven. Uit het feit dat je zijn gedachten niet onderschrijft blijkt dat jij Steiner niet
hebt begrepen."7)
In de recente commotie over Steiners rassen is aan één aspect nog geen
aandacht besteed, namelijk aan de traditie, waaruit bepaalde gedachten van de
antroposofie over volken en rassen stammen. In dit artikel zal deze overlevering worden
gereconstrueerd. Het gaat hier om een traditie die de antroposofen zelf goeddeels
onbekend is. Inzicht in de historische achtergrond van de antroposofische rassenleer is ook
om die reden van bijzondere betekenis.
De uitspraken van de vice-voorzitter van de Antroposofische Vereniging C.
Wiechert in het radioprogramma Het voordeel van de twijfel van de
Humanistische Omroepstichting van 19 februari 1996 over de omstreden rassenleer
van Rudolf Steiner hebben de aandacht gevestigd op racistische gedachten in de
antroposofie. In dit artikel zal worden onderzocht in welke traditie de antroposofische
rassenleer staat, waarbij de aandacht met name zal worden gericht op de
antroposofische indeling in "dag-" en "nacht-volken" en op de plaats van de joden in Steiners leer.
Steiner zelf is echter niet de geestelijke vader van de classificatie van de mensheid volgens de delen van een etmaal. Zij stamt oorspronkelijk van de laat-romantische filosoof en professor in de anatomie Carl Gustav Carus (1789-1869), die bij de viering van Goethe's honderdste geboortedag in 1849 een "Denkschrift" met deze indeling presenteerde. Dat Steiner dit geschrift van Carus moet hebben gekend, is meer dan waarschijnlijk. Ten eerste was Carus in de negentiende eeuw in Duitsland een invloedrijk romantisch filosoof.9) Daarnaast was Steiner, voordat hij na de eeuwwisseling aan een carrière als occultist begon en via de theosofie bij zijn eigen Antroposofische Vereniging uitkwam, in de jaren negentig zeven jaar werkzaam aan het Goethe-Schiller-archief in Weimar.10) In deze jaren zal hij zeker het bovengenoemde essay onder ogen hebben gekregen, dat Carus in 1849 bij de viering van Goethe's honderdste geboortedag had uitgegeven.
De inhoud van Carus' brochure, waaraan Steiner de indeling in dag- en nacht-volken heeft ontleend, kan men alleen maar als racistisch bestempelen. Carus' opstel heeft als titel Über ungleiche Befähigung der verschiedenen Menscheitstämme für höhere geistige Entwickelung.11) In dit geschrift ontwerpt hij een antropologie, die zich op de stand van de zon jegens de aarde baseert. De lichtval van de zon op de aarde veroorzaakt een "dag," een "nacht" en een "schemering." Carus meent dat deze drie fundamentele "Lichtzustände"12) van beslissende invloed zijn op het functioneren van de verschillende menselijke rassen. Op grond van dag, nacht en schemering onderscheidt Carus "Tag-," "Nacht-" en "Dämmerungsvölker," welke laatste weer worden onderverdeeld in oosterse en westerse schemerings-volken. De nacht-volkeren, welke "dem Lichtmangel - der Nacht des Planeten entsprechen" zijn volgens Carus de donkergekleurde bewoners van Afrika, de westerse en oosterse schemerings-volken respectievelijk de Indianen en de Aziaten. Het dag-volk daarentegen wordt gevormd door het Kaukasische, dat wil zeggen blanke Arische ras.13)
De onderverdeling van de mensheid volgens de verschillende lichtfasen correspondeert volgens Carus met de vorm van de schedels van de verschillende rassen. Geheel in overeenstemming met de verschillende negentiende-eeuwse rassentheorieën, waarin de Ariërs op grond van hun langwerpige schedels -de zogenaamde dolichocefale schedel- een grotere herseninhoud werd toegeschreven, meent ook Carus dat de schedel van de Arische dag-volkeren de ideale vorm heeft; hij is regelmatig van opbouw en structuur en heeft de grootste herseninhoud. De schedels van de nacht- en schemerings- volkeren zijn daarentegen van een veel mindere kwaliteit; de vervormingen die hier geconstateerd kunnen worden, hebben een negatieve invloed op zowel vorm, inhoud en structuur van de hersenen. Vooral de schedel van de dag- en nacht-volken vertoont grote verschillen. Volgens Carus is deze bij de laastsen "am meisten thierähnlich," terwijl die bij de dag-volken "am reinmenschlichsten" is.14)
Corresponderend met de grote fysiologische verschillen tussen de drie delen van de mensheid vertonen ook hun beschavingen grote onderlinge afwijkingen. De nacht-volken beschikken in de visie van Carus nauwelijks over cultuur; in hun primitieve samenlevingen ontbreken kunst en literatuur geheel. De cultuur van de verschillende schermings-volken is van een hoger niveau, wat vooral geldt voor de Aziatische volken. De Aziatische cultuur is volgens Carus echter een statische cultuur, die geen enkele ontwikkeling kent.15) In vergelijking met de nacht- en schemerings-volken bevindt de cultuur van het Arische dag-volk zich op eenzame hoogte. Hier domineren het "spirituelle Princip" en de "geistige Kraft," wat tot uitdrukking komt in de "reine Schönheit" van de Arische fysiologie. De cultuur van de Arische dag-volkeren wordt bepaald door het principe van individualiteit en kenmerkt zich dan ook door een rijke veelzijdigheid.16) Met dit laatste bevindt Carus zich geheel in overeenstemming met de verschillende rassentheorieën van zijn tijd, waarin het Ariërdom tot de schepper van alle cultuur werd gebombardeerd.17)
Fundamenteel voor de ontwikkeling van de verschillende culturen zijn telkens de drie lichtfasen van dag, nacht en schemering. Het is de mate van "Sonnenerleuchtung" die het spirituele niveau van een ras bepaalt en waarvan de fysieke verschijningsvorm een directe weerspiegeling is. In het systeem van Carus vormen de blonde Ariërs dan ook het eigenlijk zonneras, die als "Blüthe der Menschheit"18) de hoogste trede van de spirituele ladder bezetten.
De verbinding van de Ariër als schepper van alle cultuur met de zon als symbool van hogere spiritualiteit zou aan het einde van de negentiende eeuw een grote verbreiding kennen. De associatie van de Ariër met de zon kon daarbij direct aansluiting vinden bij een ander aspect van de zonnecultus en wel het oude Germaanse zonnewendefeest. Dit feest mocht zich rond de eeuwwisseling in het kader van het opkomende "nieuw-heidendom" in Duitsland in een grote populariteit verheugen. Verbonden met het "Arische zonnemotief" waren de zogenaamde Arische kleuren, goud -of geel- en blauw, die een grote verbreiding in het völkische en antisemitische kamp kenden. Het goud stond symbool voor de Ariër zijn blonde haren, die zich in het licht van de zon weerspiegelden, terwijl het blauw voor de kleur van zijn ogen stond, die weer een afspiegeling waren van het blauw van de hemel.19)
De traditie van Carus' manicheïsche antropologie bereikte een voorlopig
hoogtepunt in de zogenaamde Ariosofie, een apocalyptische rassenleer die vanaf de
eeuwwisseling in Oostenrijk en Duitsland tot ontwikkeling kwam. De Ariosofie is als stroming onverbrekelijk verbonden met de persoon van de Oostenrijker Jörg Lanz von Liebenfels (1874-1954), een voormalige priester van de Orde der Cisterciënzers, die
in 1899 uittrad en zijn eigen Orde der Nieuwe Tempelieren oprichtte. Tegen de achtergrond van het nationaliteitenconflict in de Donaumonarchie verkondigde Lanz in zijn tijdschrift Ostara een complexe gnostische rassenleer, waarin de Ariërs
als een transcendentaal "lichtras" en de niet-Ariërs als een demonisch "materieras"
werden opgevoerd. In dit tijdschrift, waarvan met zekerheid kan worden aangenomen dat
het tot de lectuur van de jonge Adolf Hitler in Wenen behoorde,20) verwoordde Lanz de tegenstelling tussen de blonde Ariërs en de niet-Arische "Dunkelrassen" op de
volgende wijze: "Weg von den Söhnen der Dunkelheit, hin zur Sonne, Licht, Luft,
denn wir sind die Sonnenkinder, die Söhne des Lichts."21) Het is dan ook niet vreemd dat Lanz op dit punt naar Carus' indeling in dag- en nacht-volken verwijst: 'Carus
hat daher verständnisvoll die Menschen in Tag- und Nachtmenschen eingeteilt."22)
Onder Lanz' volgelingen kon men dezelfde racistische dichotomie aantreffen. Zo
formuleerde Herbert Reichstein, in de jaren twintig in Duitsland een van Lanz' meest
fanatieke volgelingen,23) de tegenstelling Arisch-niet-Arisch in de volgende dualistische bewoordingen: "Je heller die Haut und das Haar, desto feiner empfindend is die Seele -
desto sonniger. Je tiefer die Seele der Erde und der Nacht, desto dunkler die Haut (...) Je
blauer das Auge, desto göttlicher, je dunkler, desto tierischer."24)
De manicheïsche beeldentaal van Carus en de Ariosofie vond na 1933 een direct voortzetting in het nationaal-socialisme. Hier waren het vooral de joden, die met de nacht werden geïdentificeerd, terwijl de Ariërs met de zon in verbinding werden gebracht. Op de antisemitische karikatuur [uit Der Stürmer] zien we deze thematiek verbeeld door een met de zon overgoten Arisch paar, waartegenover de jood als "Kreatur der Nacht" wordt geplaatst.25)
De associatie van het blonde Arische dag-volk met de zon blijkt ook uit de
afbeelding uit een nummer van de Illustrierte Beobachter uit 1937. Op de foto
zien we Hitler met drie blonde Friese kinderen. Het onderschrift bij de foto luidt: "Ein
Bild voll Sonnenschein und Freude."26)
Hier wordt duidelijk in welke traditie de antroposofische indeling in dag- en nacht- volkeren staat. Hoe sterk de beeldentaal van deze traditie doorwerkt, blijkt op pregnante wijze uit de tekening, die Juliette Oprinsen in haar schrift Rassenkunde had gemaakt bij de door de leraar opgegeven indeling van de mensheid volgens de delen van een etmaal. Op de afbeelding zien we een lachende zon, die de twee blonde zonnekinderen begroet. In tegenstelling tot de centrale plaats, die de zonnekinderen op de tekening innemen, zien we rechts in de marge een zwart jongetje, dat als vertegenwoordiger van het nacht-volk door de zon verdreven wordt en in de duisternis verdwijnt. Deze tekening zou zonder moeite een plaats in Carus' Denkschrift of Lanz' Ostara hebben gevonden.
De verbinding jodendom-rationalisme die hier door de antroposofie gelegd wordt, kenmerkte eveneens het antisemitische denken in Duitsland. De veronderstelling van de joden als een "volk zonder wortels," dat met zijn intellectuele reflectie de vertrouwde levenspatronen vernietigt en op deze wijze de wegbereider van de moderniteit wordt, was wijd verbreid in het antisemitische kamp. De Duitse filosoof Ludwig Klages (1872-1956), die een antisemitisch geïnspireerde "Lebensphilosophie" verkondigde waarin de intuïtie boven de -rationele- reflectie werd gesteld, sprak in dit opzicht over het "molochitisch-zersetzende Verstand" van de joden,"30) die met hun rationalisme iedere synthetische en organische entiteit tot ontbinding brengen en daarmee het leven zelf doden.
De antroposofische gelijkstelling van de joodse "reflectie" met de "spiegelende" maan duidt niet alleen op het veronderstelde joodse rationalisme, maar herbergt nog een ander aspect, dat evenzeer in de antisemitische traditie wortelt. Het betreft hier de klassieke antisemitische gedachte dat de joden een volk van "parasieten" zijn; net zoals de maan als "parasitair hemellichaam" het licht voor haar reflectie aan de zon ontleent, ontlenen de joden als "parasitair volk" hun levenskracht aan hun gastvolk. Dat deze bizarre vergelijking onderdeel is van het antisemitische gedachtengoed blijkt uit het werk van Georg Lomer (1877-1956), een voormalig zenuwarts die na de Eerste Wereldoorlog in contact met de theosofische beweging was gekomen. Lomer was als astroloog de stichter van een zogenaamde Arische "zonnekerk," waar hij voor zijn volgelingen een metafysische rassenleer formuleerde. In zijn brochure Wir und die Juden im Lichte der Astrologie uit 1928 stelde hij dat de Arische man als het scheppende principe in verbinding stond met de zon, terwijl de joden slechts in het licht van de maan stonden; zoals de maan voor haar uitstraling op de maan parasiteerde, parasiteerden volgens Lomer de joden op de scheppingskracht van het het Ariërdom en waren daarmee een "parasitair maanvolk." Deze gedachte leefde niet alleen bij Lomer en zijn volgelingen. Ook elders in het völkische en antisemitische kamp werden de joden consequent met de maan in verbinding gebracht en als duistere "Mond-Kreaturen" afgeschilderd.31)
Dat deze antisemitische "maanmythologie" tot op heden voortleeft, blijkt op ondubbelzinnige wijze uit het werk van de Chileen Miguel Serrano, voormalig ambassadeur van Chili in India, Joegoslavië en Oostenrijk. Serrano, schrijver van een in meer dan twintig talen vertaald boek over zijn vriendschap met Hermann Hesse en Carl Gustav Jung,32) publiceerde in 1978 in Santiago een boek met de volgende titel: El cordon dorado; Hitlerismo esoterico (in 1987 verschenen in een Duitse vertaling onder de titel Esoterischer Hitlerismus). In dit huiveringwekkende werk wordt Hitler opgevoerd als een Arische lichtgod, die de mensheid heeft proberen te bevrijden van de Semitische wereldheerschappij. En ook Serrano brengt in zijn boek de joden in verbinding met de maan wanneer hij spreekt over het (huidige) "Semitisch-lunare Fischezeitalter",33) waarin de aarde wordt beheerst door het joodse rationalisme en materialisme.
Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de antroposofische indeling van de mensheid in dag- en nacht-volkeren en de antroposofische voorstelling van de joden als een volk dat met de maan verbonden is zeer problematisch zijn. Met dergelijke classificaties maakt de antroposofie deel uit van een traditie, waarvan de antroposofen zelf zich in het geheel niet bewust zijn. Deze traditie kan men het best karakteriseren als "kosmisch" of "metafysisch racisme." Dit gebrek aan historisch inzicht van de antroposofen maakt hen blind voor de obscure overlevering, waarmee veel van Steiners ideeën over rassen verbonden zijn.
Het grote gevaar van een beschouwingswijze, waarin het individu met boven-persoonlijke krachten wordt verbonden, schuilt in de ontmenselijking. Mensen worden niet meer als unieke individuen waargenomen, maar als het verlengstuk van een of ander metafysisch principe. Deze ontmenselijking treedt niet alleen naar voren in de theorieën van Lanz en Serrano, maar ook in de antroposofie, waarin het lot van volken en rassen "kosmisch" bepaald is. Dit blijkt op navrante wijze uit de antroposofische visie op de Indianen, die als "Saturnusras" gedoemd zijn uit te sterven. Het is een zienswijze, waarin de ethiek geheel achter de -occulte- horizon verdwijnt; niet de mens telt, maar het principe.
Oorspronkelijk gepubliceerd in Skript, zomer 1996