De financiële hoofdrol in dit steeds boeiender wordende
docudrama is in handen van prins Casimir Johannes zu
Sayn-Wittgenstein-Berleburg, de op zaterdag 22 januari 83
geworden thesauriër van de CDU in Hessen. Samen met zijn
paladijn Horst Weyrauch. De prins, voormalig voorzitter en
huidige erevoorzitter van de Duitse afdeling van prins
Bernhard's World Wildlife Fund, beheerde ten behoeve van de
CDU sedert 1978 - vier jaar voordat Helmut Kohl zijn forse
knuisten op het staatsroer legde - een miljoenenbedrag van tot voor kort duistere herkomst dat van tijd tot tijd met zwart geld werd aangevuld. Tot 1983 stond het geparkeerd op een rekening bij
een dochter van de Frankfurter Metallgeselschaft, de
Frankfurter Metallbank, waar Prins Casimir tussen 1954 en 1983
een belangrijke plaats binnen het bestuur innam. Toen hij
vanwege het buiten de boeken houden van irreguliere donaties
van het Flick-concern begin jaren tachtig werd veroordeeld tot
een boete van 135.000 DM vond hij blijkbaar de tijd gekomen om
de toen nog onontdekte zwarte CDU-tegoeden op slinkse wijze
naar de Schweizerischer Bankverein in Zürich te laten
verhuizen. Daar werden zij over drie rekeningen verdeeld. Dat
de keuze op deze Bankverein viel was niet zo vreemd. Per saldo
had zij bijvoorbeeld al begin jaren zestig haar nut bij dit
soort transacties bewezen toen in totaal één miljoen dollar
smeergeld van Lockheed via hetzelfde kantoor in Zürich naar
prins Bernhard werd gesluisd.
Zoals gezegd, de herkomst van het aanvangskapitaal van rond de acht miljoen DM was tot voor kort duister. Aanvankelijk beweerde
prins Casimir dat inmiddels overleden, uit angst voor de
Nazi's naar Paraguay gevluchte Joden het aan de CDU hadden
nagelaten. Maar dat moest hij haastig terugnemen na gejoel uit
de Joodse frontloge. Nù wordt in Duitsland aangenomen dat het
beginkapitaal identiek is aan het bedrag dat in 1980 verdwenen
bleek te zijn van de rekening van de Staatbürgerliche Verein.
Een instelling die door de eerste Bondskanselier van na de
oorlog, Konrad Adenauer, was opgericht en tussen 1969 en 1980
als sluis diende voor zwarte donaties van Duitse bedrijven,
waaronder Flick. Koffers vol met geld werden in die jaren naar
Liechtenstein gesleept en daar gedeponeerd. In totaal ruim 200
miljoen Mark. Uit die zeer onwelriekende bron konden zowel de
CDU als de liberale FDP min of meer naar believen putten via
de Staatbürgerliche Verein. Tot die lijn in 1980 werd
doorgeknipt en de Bondsrepubliek net als nu op zijn
grondvesten trilde. Dat vormde voor Zu Sayn Wittgenstein dus
kennelijk geen beletsel om ondanks een veroordeling vrolijk
via Zwitserland verder te gaan. Tot 1993 gebeurde dat door
cash-geld van één van de rekeningen af te halen. Toen de
fiscus begin jaren negentig de touwtjes wat strakker aantrok
namen prins Casimir en zijn gevolg hun toevlucht tot een
vertrouwde (CD)U-bocht via Liechtenstein. Op 13 mei 1993
riepen zij een stichting in het leven: "Zaunkönig" ofwel
winterkoninkje. Via die stichting, waarbinnen Zu
Sayn-Wittgenstein het voor het zeggen had, vond sedert die
tijd het zwarte geld uit Zwitserland zijn weg naar de centrale
kas van de partij of die van de deelstaten als de bodem weer
eens zichtbaar werd bij kostbare propaganda- en
verkiezingsaktiviteiten. Bij deze transacties werd vaak
gebruik gemaakt van de diensten van heren die hun brood
verdienden bij de Duitse geheime dienst. Op juridisch terrein
had de prinselijke Maecenas zich voor deze Liechtenschweinerei
verzekerd van de hulp van twee figuren die wat dit betreft hun
sporen ruim en breed hadden verdiend: Oswald Bühler en diens
zwager Herbert Batliner. Beiden niet vies van onoirbare
praktijken.
Oswald en Herbert
In 1995 kwam tijdens de landurige slagenwisselingen in de
sfeervolle partij tussen Steffi's vader Peter Graf en de
Duitse overheid aan het licht dat Bühler assistentie had
verleend bij het buiten de belastingopgave manouvreren van
vele tennismiljoenen. Via het bureel van Holland Intertrust op
het Amsterdamse Museumplein werden zij administratief
overgeheveld naar de geheime tegoeden van Graf's papieren
firma Sunpark op het belastingvriendelijke Curacao. Tot de
Duitse fiscus daar een stokje voor stak en vader Graf
vervolgens een paar jaar de wedstrijden van zijn dochter kon
volgen op de teevee van de gevangeniskantine. Naast Bühler zou
ook Steffi's in Genève gevestigde marketing-bureau Advantage
International hebben deelgenomen aan deze slinkse
manipulaties. Het bedrijf stond onder leiding van Phil de
Picciotto en onderhield sterke banden met de Compagnie de
Banque en d'Investissements Holding SA. Een familieholding van
de Sefardisch-Joodse familie De Picciotto, die in 1990 werd
omgedoopt in UBP (Union Bancaire Privée), nadat zij het
merendeel van de TDB (Trade Development Bank)-aandelen van
American Express had overgenomen. Binnen deze UBP speelde
Phil's oom Edgar de eerste viool en Phil's vader Maurice de
eerste cello. Nog een vrolijke noot: de vrouw van Edgar
vertegenwoordigde dit bancaire genootschap bij de Pandaclub,
de elite van prins Bernhard's World Wildlife Fund. Daartoe
behoorden ook mevrouw Safra en haar echtgenoot Edmond. Deze
eveneens Sefardisch-Joodse bankier, die in december vorig jaar
op mysterieuze wijze in zijn woning in Monaco om het leven
kwam, was de oprichter/eigenaar van de Trade Development Bank
geweest tot 1983 toen hij zijn troetelkind overdeed aan
American Express. Noch de TDB noch haar opvolger UBP stonden
als bijzonder kosher bekend. Zo was de TDB betrokken bij de
Iran/Contra-affaire en viel haar naam bij een aantal
grootscheepse witwasoperaties. De UBP deed daar niet voor
onder. Zo haalde de bank de publiciteit bij een witwas-affaire
rond een meer dan modale hoeveelheid cash-geld uit Florida.
Verder zou de UBP een rol hebben gespeeld bij een omvangrijke
Spaans-Duitse smeergeldaffaire en het willens en wetens
parkeren van 245 miljoen DM van de in Florida (!) ondergedoken
Duitse onroerendgoed-spekulant dr. Jürgen Schneider, terwijl
die voor een paar miljard in het krijt stond bij een reeks
Duitse kredietverleners. Met deze De Picciotto's speelde
Oswald Bühler dus samen en het mag dan ook nauwelijks een
wonder heten dat de keuze van prins Casimir zu Sayn
Wittgenstein voor de (CD)U-bocht juist op deze tussenpersoon
viel. Maar het feit dat hij een zwager was van dr. Herbert
Batliner is daarbij mogelijk van doorslaggevende betekenis
geweest. Want als iemand in Liechtenstein door de wol geverfd
was bij dit soort zaakjes dan was het wel Batliner, wiens naam
onlosmakelijk verbonden is aan de Lockheed-affaire en prins
Bernhard's Pandaclub.
Begin 1976 dook hij op als de vertrouwensman van de op zijn
kantoor in Liechtenstein tot leven gewekte firma Ikarin
Establo. Via de rekening van dit papieren vehikel werden
miljoenen dollars aan smeergeld van Lockheed naar een kleine
stoet van politieke en militaire hoogwaardigheidsbekleders
getransfereerd, onder wie drie toppers van de Democrazia
Cristiana: Leone, Rumor en Moro.
Daarnaast fungeerde Batliner als beheerder van Evlyva Trust,
een dochter van de International Credit Bank. Geen frisse
bank, deze ICB, want zowel de Amerikaanse mafia als de
Israëlische geheime dienst Mossad maakten van haar diensten
gebruik. De bank werd in 1975 in de bezemwagen geduwd nadat
was gebleken dat de oprichter/eigenaar op illegale wijze
miljoenen had opgeslorpt van de aanpalende Israel Corporation.
Die eigenaar was dr. Tibor Rosenbaum, een goede vriend van
prins Bernhard en lid van diens Pandaclub. Het moge duidelijk
zijn waar prins Casimir zu Sayn Wittgenstein-Berleburg de
mosterd voor de bereiding van zijn CDU-toverdrank vandaan
heeft gehaald. Maar ook voor hij in dit circus terechtkwam
moet hij het klappen van de zweep al hebben gekend.
Richard en Rudolf
Zoals al eerder vermeld zat de adellijke telg tussen 1954 en
1983 in het bestuur van de Frankfurter Metallbank, in
oorsprong een dochter van de Frankfurter
Metallgeselschaft.
Ook dat was niet toevallig. Hij was namelijk de stiefzoon van
de Joodse ondernemer Richard Merton, op zijn beurt de zoon van
de grondlegger van dit gigantische metaalconcern in Frankfurt
am Main. Merton ontplooide niet alleen bestuurlijke
activiteiten in de leiding van de Metallgesellschaft maar ook
in die van de Deutsche Gold und Silber Scheide Anstalt
(DEGUSSA). Deze twee industriële reuzen vormden samen met de
Duitse Bank, de bank Delbrück v.d. Heydt en IG Farben de
"roots" van de na de Eerste Wereldoorlog in Amsterdam
gevestigde NV Rhodius Koenigs Handelmaatschappij. Een bedrijf
dat in de jaren dertig meer en meer uitgroeide tot een
spionagecentrum voor Nazi-Duitsland. In hoeverre Merton zelf
daaraan deelnam is niet duidelijk. Maar onder zijn
medebestuurders van Rhodius Koenigs en haar twee volle
dochters de Handelsonderneming Cellastic en de Hollandsche
Maatschappij voor Fabricatie en verkoop van Cellastic-Banden
bevonden zich wel degelijk een aantal volbloedspionnen. Zoals
Alfred Flesche, de nummer twee van de Duitse spionagedienst
Abwehr in Nederland, en een specialist in
financieel-economische spionage Rudolf Ruscheweyh.
Met hem zijn we aanbeland bij één van de oerbronnen van de geheime CDU-financiering. Ruscheweyh behoorde ver voor de Tweede Wereldoorlog al tot de belangrijkste spionnen van de Abwehr op economisch gebied en maakte organiek deel uit van de zogenaamde Ast VI. Een afdeling van de spionagedienst die was gevestigd in Münster en zich concentreerde op de Westeuropese buurlanden. De aanvankelijk in Brussel wonende Ruscheweyh was gedelegeerd commissaris bij de beide Cellastic-frontstores en directeur van het in Parijs gevestigde hoofdkantoor van Cellastic. Later verhuisde hij waarschijnlijk om praktische redenen naar een villa in het Haarlemse Florapark, waar ook Flesche een riant optrekje bewoonde, en hield zich in ons land voornamelijk bezig met atoomspionage. Daarbij geassisteerd door vier Nederlandse geleerden: De Haas, Ketelaar, Kistemaker en Zwartsenberg.
Na het uitbreken van de oorlog mat hij zich tevens een adres aan in Liechtenstein en wist dankzij zijn uitstekende relatie met prins Henri van deze madurodamstaat een Liechtensteins paspoort te versieren. Verder liet hij er in het dorp Schaan voor een slordige 1 miljoen Zwitserse francs een achtvormige villa (octogon) bouwen, die door het gebruik van veel beton en de aanleg van een hoge omheining en enorme kelderruimtes meer het karakter kreeg van een bunker. Het geld, dat voor een deel werd gebruikt ten behoeve van de Abwehr, was ondermeer afkomstig van de niet zo zuinige provisies die Ruscheweyh opstreek bij de verkoop van zware wapens aan Hitler-Duitsland. Meestentijds afweergeschut uit de Geneefse Oerlikon-fabrieken van Emil Bührle. Het totale bedrag voor zijn bemiddeling was aan het einde van de oorlog opgelopen tot een geschatte tien miljoen Zwitserse francs op rekeningen bij de Liechtensteinse Landesbank.
Daarnaast genereerde Ruscheweyh de nodige slappe was uit zijn diensten ten behoeve van Pierre Laval, het hoofd van de collaborerende Franse Vichy-regering, die via de ook in Parijs zeer actieve Abwehr-spion zijn bijeengeroofde rijkdommen in Liechtenstein in veiligheid bracht. Toen het Duitse leger onder druk van de geallieerden in 1944 Frankrijk moest ontruimen probeerde Ruscheweyh Laval nog naar Zwitserland te smokkelen. Maar de poging leed schipbreuk. Laval werd gearresteerd en niet veel later standrechtelijk gefusilleerd. Zijn reusachtige kapitaal bleef achter in handen van zijn Duitse helper in Schaan.
Aan het eind van de oorlog trok Ruscheweyh de al bestaande zakelijke connectie met de al jaren in Zwitserland verblijvende Duitser Hans Klein wat steviger aan. Klein was in 1938 door de Abwehr naar Zürich gedirigeerd en opgezadeld met dezelfde directieven als Ruscheweyh: zoveel mogelijk kapitaal en kennis vergaren ten behoeve van de dienst. Bovendien beheerde hij de nodige particuliere Duitse appeltjes. Onder andere voor Hjalmar Schacht, het financiële brein achter de opbouw van Hitler-Duitsland, en voor Rudolf Hess, de rechterhand van Hitler tot hij onder het alias van Alfred Horn op 10 mei 1941 een vredesmissie naar Engeland ondernam. Die naam was niet toevallig gekozen. Horn was de naam van zijn schoonfamilie en hij had zijn zwager Edgar tekenbevoegdheid verleend voor het leuke bedragje dat door Klein zo consciëntieus in Zwitserland werd bewaard.
In 1945 had Klein zo'n slordige 250 miljoen Zwitserse francs bij elkaar gemanipuleerd en om erger te voorkomen liet hij die transfereren naar de invloedsfeer van Ruscheweyh in Liechtenstein. Die had juist laten zien tot welke sterke staaltjes hij in staat was. Toen namelijk op geallieerd initiatief zijn tegoeden bij de Landesbank geconfiskeerd dreigden te raken werd hij tijdig gewaarschuwd door de directeur van de bank en de vice-premier van de dwergstaat. Een paar uur voordat de Liechtensteinse justitie tot handelen zou overgaan haalde Ruscheweyh zijn rekeningen leeg en liet de formidabele tegoeden met een paar gepantserde auto's overbrengen naar zijn villa en ze bij de andere verworvenheden in de kelder wegbergen. De rest van zijn bezittingen zoals grond, gebouwen en aandelen in Zwitserse bedrijven waren kundig verborgen achter moeilijk omver te trekken facades.
Het verenigde Duitse duo stortte zich vanuit de versterkte villa in Schaan op de uiterst lucratieve handel in links en rechts wat slordig achtergelaten oorlogsmaterieel. Vooral dankzij de uitstekende contacten met Emil Bührle en Alan Dulles, de voormalige vertegenwoordiger van de Amerikaanse geheime dienst O.S.S. in Zwitserland en het latere hoofd van de CIA. Toen de politieke situatie in West-Duitsland zich begon te stabiliseren onder de eerste naoorlogse Bondskanselier Adenauer installeerden de twee oude Abwehr-Angehörigen een paar geheime wegen om met name de CDU en de CSU van gelden te voorzien om hun partijapparaat en hun verkiezingscampagnes op poten te zetten.
Op 24 januari 1952 voelden zij blijkbaar voldoende grond onder de voeten om openlijk aan wal te gaan. Op die datum stichtten zij namelijk Octogon Trust, dat in minder toegankelijke kringen vermaard zou worden door haar halsbrekende acts op het gebied van wapenhandel en spionage. Ruscheweyh mocht die grote bloei niet meer meemaken. Hij stierf in februari 1953. Maar hij was wel één van de veterinaire krachten geweest die zorgden voor de geboorte van de spaarbig van de CDU. Zijn partner Klein en lieden als Casimir zu Sayn Wittgenstein-Berleburg zouden er mede voor zorgdragen dat de big in de decennia daarop uitgroeide tot een vervaarlijk varken.
Als dessert nog even dit. Eén bedrijf binnen bovenstaand labyrint van louche zaken, even louche politiek en spionage is tot nu toe altijd buiten schot gebleven: de NV Montaan in Amsterdam.
Deze groothandel in metalen, ertsen en chemicaliën aan de
Amsterdamse Weteringschans was opgericht door de vier
gebroeders Nijkerk. In mei 1923 werd het bedrijf overgenomen
door Merton cs. en omgedoopt in Montaan NV. Het zou hier te
ver voeren om de rol van het bedrijf ten tijde van WO II te
beschrijven, maar het speelde wellicht een nog belangrijker
rol dan het Cellastic-complex bij zowel de ondergrondse strijd
als de onderlinge koehandel tussen de Duitse en geallieerde
spionagediensten. Merton verhuisde uit veiligheidsoverwegingen
in 1939 naar Engeland "waar hij de Duits/Britse zaken
kon voortzetten". Na de oorlog keerde hij naar Duitsland terug
en al spoedig was het "business as usual".
Uit Duitse publikaties valt niet te destilleren of Merton's
stiefzoon Casimir in 1939 zich eveneens in exil heeft begeven
aan de overkant van de plas. Wel is terug te vinden dat hij
jarenlang in Engeland heeft gewoond en er een landgoed
bezit.
Zeker is in ieder geval dat hij de lessen van zijn stiefvader
over zaken doen goed in zijn oren heeft geknoopt. Want "the
show must go on".
Bij deze publikatie zijn naast eigen materiaal tevens gegevens
gebruikt uit de Duitse bladen Der Spiegel, Die Welt en Die
Zeit. Verder uit:
* "Prins Bernhard, een politieke biografie" van Wim
Klinkenberg (In de Knipscheer, derde druk, april 1986)
* "De Ultracentrifuge, 1937-1970" van Wim Klinkenberg (Van
Gennep NV, 1971)
* "Alias Teixeira" van A.V.F. van der Gouw (P.R. van
Amelrooij, 1968)
* "Swiss Connection" van Gian Trepp (Unionsverlag, Zürich, 1996).
* Das "Octogon"- Komplott van Georg Hodel in Konkret nr. 3/2000.
* De door Jocelyn Rochat en Pierre Abramovici aangelegde "Dossiers" betreffende Bührle en Ruscheweyh voor het Zwitserse blad l'Hebdo. Te vinden op het net www.webdo.ch/hebdo
Morgenster, 26 januari 2000 met een forse update in april 2001