deel 2: de nationaal-republikeinen
Naast de in deel 1 al genoemde organisaties als de Russische Nationale Eenheid en de Volks-Sociale Beweging zijn er nog tal van andere fascistische en semifascistische organisaties in het tegenwoordige Rusland.
Een organisatie die veel verwantschap vertoond met de Russische Nationale Eenheid van Barkasjov is de Nationale Republikeinse Partij van Rusland (NRPR). Het grote verschil met de RNE is evenwel dat de leider van de NRPR, Nikolai Lysenko, een zetel heeft in het Russisch parlement.
Ook de NRPR ontstond, als veel andere extreemrechtse organisaties, aan het eind van de jaren 80. Vanaf het begin timmerde de NRPR fors aan de weg met rumoerige demonstraties en brallende grootspraak en kreeg zoveel aandacht in de media dat zij tegenreakties uitlokte van toenmalige parlements- en regeringsleden die zich afvroegen of Gorbatsjov's perestrojkapolitiek niet te ver was doorgeschoten. Inmiddels was voor velen in Rusland duidelijk dat het zgn. communistische model behoorlijk in diskrediet was geraakt, maar men begon zich tevens af te vragen wat de gevaren konden zijn als er iets NRPR-achtigs voor in de plaats zou komen. Anderen zagen in de opkomst van extreemrechts een mogelijkheid om enige balans te krijgen in de demokratiseringseuforie van het moment.
Het oprichtingskongres van de NRPR vond plaats in april 1990, toen nog onder de naam Republikeinse Volkspartij van Rusland. Bij het tweede kongres, maart 1991, sloten zich een aantal nationalistische splinters aan. In januari 1992 ontstond de naam Nationale Republikeinse Partij van Rusland, en onder die naam liet de partij zich ook officieel registreren. Volgens de partijleiding heeft de NRPR nu zo'n 10.000 leden, waarvan een groot deel in St.Petersburg -het voormalige Leningrad-, waar de partij ook haar hoofdkantoor heeft. Tot 1991 werd de NRPR geleid door Viktor Antonov, die toen vervangen werd door de huidige leider Nikolai Lysenko.
wie is lysenko?
Nikolai Nikolajevitsj Lysenko werd in 1961 geboren in de Siberische provincie Irkoetsk. In 1983 studeerde hij af aan de biologische afdeling van het pedagogisch instituut in Ussuriisk. Daarna kreeg hij in Leningrad een baan als dierenarts bij de afdeling eerste hulp van de veterinaire dienst. In 1986 verhuisde hij officieel naar Leningrad en werd in de stad als inwoner geregistreerd. (Het was in de Sovjet-Unie voor velen een grote wens om in Moskou of Leningrad te gaan wonen, omdat daar de voorzieningen doorgaans stukken beter waren dan 'in de provincie'. Als inwoner te worden ingeschreven werd dan ook als een grote gunst ervaren). In de avonduren volgde Lysenko nog de studies aan het pedagogisch instituut in Leningrad, waar hij zich specialiseerde in geschiedenis en sociale wetenschappen.
In 1987 werd hij lid van de Leningradse afdeling van Pamjat en klom al snel op tot lid van de regionale raad van deze organisatie. Na een konflikt met Pamjatleider Dmitri Vasiljev stapte Lysenko op en begon te werken aan de oprichting van een eigen organisatie.
parlement
Bij de parlementsverkiezingen van 12 december 1993 werd Lysenko gekozen in het Russische parlement, de Staatsdoema. Volgens de Russische kieswet vinden parlementsverkiezingen plaats via een distriktenstelsel en Lysenko werd gekozen in het Engels-distrikt in de provincie Saratov, gelegen op de grens met Kazachstan. Iedere parlementariër heeft toegang tot kommissies van de Staatsdoema en Lysenko werd lid van het Komité voor Internationale Zaken. In zijn toespraken tot het parlement werd hij gekenmerkt door een scherpe nationalistische toonzetting. Zo suggereerde hij het aanknopen van betrekkingen met de naar zijn zeggen 'bendokratische' regimes (een vertaling van het Russische woord 'bandakratija', d.w.z. een staat die geleid wordt door een bende, vgl. autokratie, theokratie enz.) van Kravtsjoek (Oekraïne) en Sjusjkevitsj (Belarus) op basis van 'niet de internationale maar de kriminele wetgeving' om een offensievere politiek ten aanzien van landen als Turkije en Pakistan te kunnen voeren. In deze opvattingen staat Lysenko vrijwel op één lijn met Zjirinovski.
Tijdens de opstand rond het Witte Huis van oktober 1993 had Lysenko de kant van Jeltsin en de regering gekozen, maar met hem deden dat onder andere ook Zjirinovski en Pamjatleider Vasiljev. Na de opstand ondertekende Lysenko ook Jeltsins 'Verdrag voor een Sociaal Akkoord', dat bedoeld was om politieke tegenstellingen die uitmondden in Witte Huisachtige taferelen te voorkomen.
chauvinisme
Het politiek program van de NRPR verlangt de instelling van een 'sterk Russisch nationaal en nationaal-autoritair staatsregime', gebaseerd op 'de omverwerping van nationale souvereiniteiten' (hiermee worden de staten bedoeld die zich na de val van de Sovjet-Unie onafhankelijk verklaarden), een 'versterking van de Russische identiteit' en 'ontbinding van en een verbod op alle partijen en bewegingen die direkte of indirekte hulp van buitenlandse staten en burgers hebben ontvangen'. Met Rusland als spil van een nieuwe staat verlangt de NRPR een 'exklusieve oriëntering op de eigen kracht' en het nastreven van een eigen weg voor de ontwikkeling van Rusland en het Russische volk. De NRPR is sterk gekant tegen invoering van een parlementair demokratisch systeem in Rusland en verklaart het Grootrussisch chauvinisme tot officiële 'natiestaatideologie'. Vanuit het Grootrussisch chauvinisme is de NRPR voorstander van herstel van het Grootrussische Imperium.
Partijaktivisten maken er geen geheim van dat de NRPR het land wil militariseren door alle prioriteit in de ekonomie te geven aan het militair-industrieel kompleks. Bovendien zou de staat aanzienlijk versterkt moeten worden, waarbij de zware industrie en militaire produktie volledig staatseigendom moeten zijn. Hoewel de NRPR de privatisering van kleine en middelgrote ondernemingen erkent is zij tegen de vorming van privékapitaal. Er bestaat slechts 'nationaal kapitaal', onder strenge kontrole van de staat. Bovendien is de NRPR voorstander van invoering van een soort middeleeuws gildensysteem voor de ambachten- en dienstensektor.
racisme
Op het tweede partijkongres van maart 1991 verklaarde Lysenko dat het toekomstige Rusland moet omvatten de Oekraïne, Belarus, Kazachstan, Transdnestrië (het Russisch deel van Moldova) en delen van het Baltisch gebied, maar tenminste het distrikt Narva in Estland, dat aan Rusland grenst. Ook verklaarde Lysenko dat de NRPR sterk voorstander is van samenwerking met de KGB en het leger, omdat men met name daar veel 'gezonde, nationaaldenkende krachten' vindt. Het kongres nam een resolutie aan die voorzag in 'strijd tegen het zionisme' en 'opkomen voor de moreel-religieuze waarden van de Russisch Orthodoxe kerk'. Officieel kan iedereen, ongeacht nationale achtergrond, lid worden van de partij, maar aangetoond is dat het met name voor joden en etnische Kaukasiërs en Centraalaziaten onmogelijk wordt gemaakt zich als lid te melden. In 1990 nog lag er een konseptprogram voor de NRPR waarin expliciet gesteld werd dat mensen van niet-Slavische afkomst, en met name de joden, volledig uitgesloten zouden moeten worden van het Russische politieke, ekonomische en kulturele leven. Later werd, in ieder geval voor de buitenwereld, een gematigder standpunt ingenomen en was men formeel voorstander van vertegenwoordiging in overheidsorganen op basis van een evenredige afvaardiging per nationaliteit. (Ook joden worden in Rusland als nationaliteit beschouwd).
In 1994 verspreidde de NRPR evenwel een pamflet in Moskou, onder de kop "Dood aan de Zwarte Hydra!". (De hydra is een negenkoppige draak, die in de visie van rechts in Rusland de volkeren van de Kaukasus en Centraal-Azië symboliseert). Het pamflet was gericht tegen de Kaukasiërs in Rusland, die ervan werden beschuldigd Rusland te hebben bezet en te hebben ontdaan van elke morele waarde. Met dit pamflet haakte de NRPR in op een maatregel van Jeltsin die onder het mom van 'bestrijding van de mafia' een pasjessysteem invoerde. Met name niet-Russen werden (op basis van hun uiterlijk) voortdurend gekontroleerd op hun pasje en deze racistische maatregel werd koren op de molen van extreemrechts in Rusland dat ongelimiteerd tekeer kon gaan tegen mensen van Kaukasische of Centraalaziatische afkomst. Volgens de NRPR zouden Kaukasiërs en Centraal-Aziaten uit Rusland gedeporteerd moeten worden. Ook belooft zij een 'grondige dezionisatie van het land' en zegt alle steun toe aan joden om naar Israel te emigreren en 'wee degenen die weigeren te vertrekken, want Rusland is voor de Russen en niet voor vreemden'.
partijorganisatie
Naast het hoofdkantoor in St.Petersburg heeft de NRPR aktieve afdelingen in Moskou, Vologda, Novosibirsk, Saratov, Novgorod, Valdai, Novotsjerkassk en Pskov. Organisatorisch is de partij opgebouwd volgens het oude model van de Kommunistische Partij van de Sovjet-Unie, volgens het principe dat de afdelingen de basis van de organisatie van de partij zijn. Afdelingen kunnen worden opgericht daar waar er tenminste drie leden zijn. De ledenvergadering kiest een partijkomité voor een periode van 1 jaar. Plaatselijke organisaties worden per stad of regio opgezet om de werkzaamheden te koördineren. Het hoogste orgaan is het partijkongres, dat tenminste eenmaal per jaar gehouden moet worden. Het hoogste uitvoerend orgaan is de Centrale Raad. Tendens- of fraktievorming is binnen de partij ten strengste verboden.
'stormtroepen'
In de herfst van 1991 vormde de NRPR een Nationaal Legioen in St.Petersburg, dat snel daarna werd omgevormd tot het Russisch Nationaal Legioen (RNL). Kommandant van het Legioen is Sergei Maltsev, ooit aktief lid van de Demokratische Unie in de stad Tsjeljabinsk in de Oeral. Hij verliet de Unie, omdat deze organisatie volgens Maltsev werd 'vetgemest door de demagogie van joodse demokraten'. In maart 1992 ging Maltsev als kommandant van een legioen van 15 manschappen meevechten in de oorlog die in Zuid-Ossetië gevoerd werd tegen de Georgische regering in Tbilisi (zie ook Kleintjes van februari en maart 1995: Informatie over Georgië). Maltsev beweerde dat hij door de plaatselijke autoriteiten gevraagd was aan de strijd deel te nemen. In totaal zo'n honderd manschappen van het paramilitaire Russisch Nationaal Legioen hebben deelgenomen aan de strijd in niet alleen Zuid-Ossetië, maar ook in Transdnjestrië, Abchazië en Tsjetsjenië. Volgens sommige bronnen zouden leden van de RNL ook deelnemen aan de strijd in Servië.
Leden van de RNL trainen op speciale bases, waarvan de ligging geheim is. In de straten van St.Petersburg en in metrostations hangen pamfletjes waarin mensen worden uitgenodigd lid te worden van de RNL, maar uitdrukkelijk wordt gesteld dat alleen 'manschappen van Slavische origine' zich kunnen melden. In februari 1993 eiste de prokureur-generaal van Rusland dat de RNL zou worden ontbonden. Toch is er tot heden geen enkele indikatie dat deze eis in de praktijk ook werd uitgevoerd. De rekrutering voor de RNL gaat door.
Op formele gronden is de RNL geen officieel onderdeel van de RNPR, soms noemt de RNPR de RNL een onafhankelijke organisatie. In werkelijkheid is de RNL evenwel een gardedetachement van de RNPR en is Maltsev tweede man in de hiërarchie van de partij, na Lysenko, de 'Führer'.
Na de eis van de prokureur-generaal tot ontbinding van de RNL vormde de RNL een militair-konsultatieve raad, bestaande uit acht oudofficieren van het Sovjetleger. Ook is bekend dat RNL en RNPR beschikken over een eigen geheime dienst, de Russische Veiligheidsdienst, bestaande uit ongeveer 30 personen. Deze dienst is de meest gekamoefleerde afdeling van de RNPR en zij wordt geleid door Juri Beljajev, een politieofficier en lid van de St.Petersburgse afdeling voor krimineel onderzoek.
kontakten
De NRPR onderhoudt goede kontakten met de Alrussische Partij van het Monarchistisch Centrum. Eén van de leiders van deze 'Alrussische Partij' is Viktor Antonov, tot 1991 de voorzitter van de NRPR. Geheime dienstchef Juri Beljajev is ook leider van de Sociale Volkspartij in St.Petersburg, een kleine, maar zeer agressieve en openlijke Nazisplinter.
De NRPR maakt ook deel uit van de Russische Nationale Assemblée en het Nationale Reddingsfront. De NRPR onderhoudt geen kontakten met Zjirinovski Liberaal-Demokratische Partij van Rusland. De houding ten opzichte van Zjirinovski is koel, om niet te zeggen openlijk vijandig. Ook heeft de NRPR vijandige gevoelens ten opzichte van het gehele neokommunistische spektrum, hoewel leden van de NRPR soms wel deelnemen aan demonstraties en protestbijeenkomsten van deze groeperingen. Sommige items worden zowel door 'rood' als 'bruin' gedragen (herstel van de oude Sovjet-Unie of het Russisch Imperium bijvoorbeeld), hetgeen tot de benaming roodbruine koalitie heeft geleid in de huidige Russische politieke verhoudingen.
Verder onderhoudt de NRPR goede kontakten met de diverse kozakkengroepen, met name de Kubankozakken. Daarentegen bestaat er weer een vijandige houding tegenover Barkasjov's Russische Nationale Eenheid (zie deel 1 in het vorige Kleintje). Deze vijandschap heeft weinig te maken met politieke meningsverschillen, maar veel met het feit dat de leiders Lysenko en Barkasjov elkaar als rivalen beschouwen die in hetzelfde water vissen. De overeenkomsten tussen NRPR en RNE zijn groot, maar verschillen bestaan er ook. De NRPR legt de nadruk op Orthodoxie, en stelt in haar program dat dit de staatsgodsdienst moet zijn. Zij baseert zich op ultrakonservatisme en 'traditionele waarden', terwijl de RNE zich beschouwt als een 'nationaal-revolutionaire beweging'. De RNE erkent 'nationaal' en 'eerlijk' privékapitaal in de ekonomie, maar weigert het woord socialisme te gebruiken, terwijl de NRPR regelmatig de term 'nationaal socialistisch' gebruikt.
partijpers
Sinds 1990 geeft de Nationale Republikeinse Partij twee bladen uit, Nashe Vremja (Onze Tijd) en Golos Rossii (De Stem van Rusland), met ieder een oplage van 45.000 exemplaren. Het grootste deel wordt verkocht in St.Petersburg, maar ook in Moskou en andere steden wordt gekolporteerd. De inhoud van beide bladen is erg chauvinistisch: er worden veel stukken herdrukt van de extreemrechtse Zwarte Honderd uit het begin van deze eeuw en verder is antisemitisme de rode (of moeten we hier zeggen 'zwarte'?) draad in beide bladen. In 1991-92 was Lysenko hoofdredakteur van Golos Rossii, maar sinds eind '92 is dat Igor Kravtsov. Nasje Vremja werd in 1991-92 geredigeerd door Jevgeni Sokolov, inmiddels is Gennadi Murikov hoofdredakteur.
Omdat de partij op het standpunt staat dat Orthodoxie de staatsgodsdienst moet worden vindt men in hun pers ook vele oproepen tot repressie en uitroeiïng van andere geloven, met name natuurlijk het joodse geloof, maar ook oosterse godsdiensten en een aantal sekten. Heterodoxe geloofsrichtingen (d.w.z. afdwalingen van het ware orthodoxe pad) zouden zich volgens de NRPR weer moeten onderwerpen aan het gezag van de moederkerk. Naast een staatshoofd stelt de NRPR ook voor een geestelijk leider voor het land te benoemen. Ook verlangt zij de instelling van een 'speciaal lichaam ter voorkoming van en onderzoek naar misdaden tegen het ware geloof'. De NRPR krijgt uitgebreide steun uit kringen van de Ware Orthodoxe Kerk (in Rusland bekend als de Katakombenkerk) en de Russisch Orthodoxe Kerk buiten Rusland (in Rusland bekend onder de naam het schisma van Karlovitz).
De RNPR ontvangt financiële steun behalve uit kerkelijke kring van een aantal commerciële organisaties in St.Petersburg. Sommige partijleden hebben hun eigen onderneming of belangen in joint-ventures en beleggingsmaatschappijen. Er bestaan in het huidige Rusland speciale ondernemingen en commerciële strukturen die zijn opgezet door de KGB, bedoeld om specifieke organisaties te kunnen financieren. Sommige partijleden staan op de loonlijst van veiligheidsdiensten, terwijl leden van het RNPR's Russisch Nationaal Legioen zich tegen betaling aanbieden ter 'bescherming van nationaal-patriottistische aktiviteiten'.
(Gebaseerd op informatie van het Antifascistisch Centrum in Moskou, met speciale dank aan Vladimir Sirotin, en de publikatie Partijen en Associaties in Rusland van het Instituut voor Massapolitieke bewegingen in Moskou).
InSudok, informatie- en dokumentatiecentrum over de (voormalige) Sovjet-Unie, postbus 11061, 5200 EB Den Bosch.
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant in 1995


