"Israel Shahak en het joodse chauvinisme" is een door Peter Edel in november 1996 geschreven artikel. Wij nemen het binnen deze serie artikelen op vanwege de in de tekst voorkomende spanning tussen de begrippen "links" en "antisemitisme". De tekst is geschreven naar aanleiding van het in 1994 verschenen boek "Jewish History, Jewish Religion: the Weight of three thousand Years" van Israel Shahak, met een voorwoord van Gore Vidal.


In de loop der eeuwen is er aan de Talmoed veel veranderd. Onder invloed van christelijke machthebbers is het joodse wetboek talloze keren gecensureerd, doorgaans met betrekking op passages die door christenen als discriminerend werden ervaren. Op die manier ontstond aan het einde van de 18e eeuw een Talmoed die relatief vrij was van anti-christelijke en andere discriminerende of racistische verwijzingen. Toen de joden in 1948 hun eigen staat Israël uitriepen, veranderde dat volgens Shahak echter radicaal.
Dat men in Israël de middeleeuwse Talmoed weer vol overtuiging leest, blijkt wel uit de gebeurtenissen die op 23 Maart 1980 in Jeruzalem plaats vonden. Op die dag werd een publieke verbranding georganiseerd van honderden exemplaren van het Nieuwe Testament. Dat alles gebeurde onder auspiciën van Yad Le'akhim, een Israëlische religieuze organisatie, die wordt gefinancierd door het ministerie van religie in Israël. Deze gebeurtenis was echter geheel in lijn met de wetten uit de middeleeuwse Talmoed, want daarin wordt iedere jood opgeroepen tot het verbranden van ieder exemplaar van het Nieuwe Testament dat hij te pakken kan krijgen.
Shahak bespreekt in verband met het joodse racisme verder de geschriften van Maimonides, die in de middeleeuwen de beroemdste joodse godsdienstfilosoof en wetscodificator was. Ook deze Maimonides stak zijn minachting voor alles dat niet-joods was bepaald niet onder stoelen en banken. In zijn Book of Knowledge stelde hij dat het de plicht van iedere jood is 'om met zijn eigen handen ongelovigen te verdelgen, zoals Jezus van Nazareth en zijn volgelingen' (2). Maar Maimonides had, naast de christenen, ook niet veel op met andere niet-joodse bevolkingsgroepen. Over 'zwarten en Turken' schreef hij in de Guide to the Perplexed:' dat zij niet in staat zijn tot de ware verering van God' en dat '...hun natuur is als de natuur van stomme dieren'. Verder was Maimonides van mening dat dit soort volkeren 'zich niet op het niveau van menselijke wezens bevinden' en dat dit niveau zich in werkelijkheid 'ergens tussen dat van de aap en de mens' in moest bevinden.
Ondanks zijn royale minachting voor alles wat niet joods was, werkte Maimonides overigens wel als arts voor de moslim heerser Saladin. Deze kende een zekere sympathie voor de joden en gaf Maimonides het leiderschap over de joodse gemeenschap in Egypte. Deze joden waren volgens Maimonides echter in veel gevallen 'verboden huwelijken' aangegaan met niet-joden en op zijn bevel werden zij aan de hand van gezeling tot echtscheiding gedwongen.
Het huwelijk tussen een jood en een niet-jood behoort overigens ook in het tegenwoordige Israël niet tot de mogelijkheden. In Israël bestaat het burgerlijk huwelijk niet. Wat dit betreft bestaat er in dit land geen verschil tussen de kerkelijke en de wereldlijke wetgeving. Een Israëlische jood die aan dit religieuze gedoe geen boodschap heeft, dient ook heden ten dage naar Cyprus te reizen als hij of zij met een niet-jood in het huwelijk wil treden(3).
Opmerkelijk genoeg vertoont de Israëlische wetgeving wat betreft het huwelijk veel overeenkomsten met de anti-joodse wetten die in de jaren dertig door de nazi's werden afgekondigd. Ook daarin werd immers van een verbod op het huwelijk tussen joden en niet-joden uitgegaan. Na de tweede wereldoorlog werd deze naziwet klakkeloos door de Israëlische wetgevers overgenomen.

Hoewel de Talmoed zoveel mogelijk probeert contacten van joden met niet-joden te vermijden, worden er wel degelijk uitzonderingen gemaakt. Dat bleek al uit de eerder genoemde methoden om de joodse wetten te ontduiken, zoals in verband met het sabbatjaar, waarbij eens in de zeven jaar een niet-jood formeel eigenaar van geheel Israël wordt. Daarnaast wordt het joden volgens de Talmoed echter ook aangeraden om banden te sluiten met de plaatselijke niet-joodse machtselite. Dat was dan ook precies wat Maimonides deed.
Ook andere joden hebben door de geschiedenis heen vaak een positie ingenomen tussen de heersende machtselite en de rest van de (arme) bevolking. Zo waren het volgens Shahak vaak joden die voor de machthebbers de belasting incasseerden. Deze stelling wordt door Shahak vervolgens doorgetrokken naar de pogroms, zoals die in de middeleeuwen vooral in Oost Europa plaats vonden. De pogroms kenden volgens hem aanvankelijk heel andere motieven dan het antisemitisme, wat er door de geschiedschrijving over het algemeen mee in verband wordt gebracht.
Ondanks het feit dat de Israëlische autoriteiten de middeleeuwse pogroms graag ter sprake brengen als uitbarstingen van jodenhaat, ontstonden deze volgens Shahak als een gevolg van boerenopstanden tegen de heersende klasse. En aangezien de joden in verregaande mate met de machtselite collaboreerden, trof het protest van de boeren ook hen. In die zin was er volgens Shahak bij de vroegste pogroms echter niet direct sprake van antisemitisme. De joden werden immers eerder vervolgd om wat zij deden, dan om wat zij waren. Daarmee was er volgens Shahak geen raciaal karakter of een religieus vooroordeel aan de eerste pogroms verbonden. Als het in plaats van de joden de moslims waren geweest die zich aan de heersende machtselite hadden verbonden, dan had de woede van de boerenbevolking zich zonder twijfel op hen gericht.
Shahak maakt hier echter een fout door te stellen dat het in het algemeen 'de joden' waren die zich aan lokale machthebbers bonden. Met die uitspraak lijkt hij zijn doel voorbij te hebben geschoten, want het waren destijds zeker niet alle joden die een bijdrage leverden aan de uitbuiting van de boerenbevolking. In plaats daarvan is het veel aannemelijker dat alleen de elitaire joodse bovenlaag dit deed.
Hieruit volgt dat een minderheid binnen de joodse gemeenschap, de eigen achterban in een kwaad daglicht stelde, door met de plaatselijke machthebbers te collaboreren. Een groot gedeelte van de joodse gemeenschap, dat zelf tot het arme gedeelte van de bevolking behoorde en geen belangen kende aan de kant van de heersende macht, werd vervolgens echter wel het slachtoffer van de pogroms. Het klasseverschil binnen de joodse gemeenschap is dan ook een element dat Shahak niet over het hoofd had mogen zien. Door dit onderscheid niet te maken lijkt hij zich op dun ijs te begeven. Wat hij aan de joodse gemeenschap toeschrijft, is immers hoofdzakelijk het werk van de joodse elite en dat is een heel verschil. De stellingen van Shahak over de pogroms zijn ook in andere opzichten niet waterdicht. In veel opzichten lijkt hij de verschillende uitbarstingen van jodenhaat zelfs met elkaar te generaliseren. Dat had hij beter niet kunnen doen, want er bestaan grote verschillen tussen de eerdere en de latere pogroms. Zo mogen de pogroms in de middeleeuwen dan aanvankelijk misschien niet direct op antisemitisme gebaseerd zijn geweest zoals Shahak beweert, dat wil niet zeggen dat dit bij latere pogroms ook zo was.
Shahak gaat er aan voorbij dat de vooroordelen ten opzichte van joodse burgerij zoals die in de middeleeuwen ontstonden, in de loop der tijden hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van een antisemitisme dat niets meer te maken had met boerenopstanden tegen de gevestigde macht. Tijdens de latere pogroms werden de joden immers wel degelijk vervolgd om het enkele feit dat zij joden waren.
Shahak noemt de boerenopstanden als enige oorzaak van de middeleeuwse pogroms, maar er zijn in verband hiermee nog wel een aantal andere oorzaken te noemen. Zo zou de haat tegen joden indertijd mede zijn aangewakkerd door het onder christenen heersende bijgeloof dat joden verantwoordelijk waren voor ziekten of natuurrampen. Wellicht hield veel van dat bijgeloof verband met geruchten omtrent rituelen met menselijke offers die door de joodse elite zouden zijn uitgevoerd. Deze geruchten droegen in ruime mate bij tot de vooroordelen die er rond de joodse bevolking ontstonden. Ook hier was het echter de joodse elite die er voor zorgde dat de eigen achterban in een kwaad daglicht gesteld werd. Dat laatste nam echter niet weg dat de verontwaardiging ten opzichte van de joodse gemeenschap als geheel, groot was. De Engelse Koning Edward I ging naar aanleiding van deze geruchten zelfs zo ver de joden uit zijn land te laten deporteren (4).
Naast de boerenopstanden en de geruchten over rituelen, zouden verder ook de woekerwinsten die door joodse bankiers op leningen werden gemaakt, bijgedragen hebben tot het ontstaan van de pogroms. Naar dat laatste punt zal men in Jewish History, Jewish Religion, the Weight of Three Thousand Years echter tevergeefs zoeken. Dat is op zich vreemd, want ook wat betreft het verband tussen de joodse elite en het bankwezen lijken er tal van aansluitingspunten te zijn met de stelling van Shahak. Bovendien bestaan er op dit gebied tal van onduidelijkheden in de geschiedenis. Vooral om die laatste reden lijkt het nuttig om hier in het kort aandacht te besteden aan de oorzaken van de pogroms die door Shahak niet ter sprake worden gebracht.
In de loop der eeuwen zijn veel uitingen van antisemitisme gebaseerd geweest op de betrokkenheid van de joodse elite bij het bankwezen, hoewel het in de praktijk doorgaans de (niet in het bankwezen betrokken) joodse burgerij was die hier het slachtoffer van werd. Bestrijders van het antisemitisme wijzen er echter doorgaans op dat de joden ooit onder dwang van christelijke machthebbers in het bankwezen terecht kwamen. De middeleeuwse christenen kenden uit religieuze overwegingen veel bezwaren tegen de joden (die in hun ogen Jezus hadden vermoord) en deden er alles aan om hun mogelijkheden binnen de maatschappij beperkt te houden. Om die reden mochten veel beroepen door joden niet uitgeoefend worden. Landbouw, handwerk en nijverheid waren bijvoorbeeld beroepsgroepen die voor joden verboden gebied waren (5).
De metaalhandel was echter één van de weinige beroepsgroepen waar de joden wel in werden toegelaten door de christelijke machthebbers. De opvatting die door bestrijders van het antisemitisme over het algemeen wordt aangehangen, luidt dat de joden, via de metaalhandel en het muntwezen, zo'n beetje tegen wil en dank bankiers moesten worden. Die historische theorie rammelt echter aan alle kanten. Want waarom zouden de christelijke machthebbers voor de belangrijke metaalhandel een uitzondering hebben gemaakt, als het juist de bedoeling was om de joden in hun maatschappelijke ontwikkeling te beperken? Juist door de handel in metalen niet te verbieden, zorgden zij er immers voor dat de joodse elite een machtsfactor van ongeëvenaarde betekenis zou worden. Een andere aspect dat bestrijders van het antisemitisme vaak noemen in verband met de gedwongen relatie tussen de joodse elite en het bankwezen, had te maken met het heffen van rente. In de middeleeuwen was het voor christenen verboden om rente op leningen te heffen. Dat voorschrift was voor christenen onderling van toepassing, maar ook aan niet-christenen mocht geen rente worden berekend. Tijdens Karel de Grote werd het verbod op rente zelfs een officiële wetgeving.
Ook de joden mochten volgens hun eigen wetten geen rente aan elkaar berekenen, maar ten aanzien van niet-joden kenden (en kennen) zij andere regels. Bij leningen aan niet-joden is het volgens de klassieke judaïstische wetgeving zelfs verplicht om rente te heffen. Door deze uitzonderingspositie ten opzichte van de christenen, zouden de joden automatisch in het bankwezen terecht zijn gekomen. Zij waren immers de enigen die dit beroep volgens hun religieuze wetgeving mochten uitoefenen. Bovendien werden zij in veel andere beroepen niet toegelaten. Er zou dus voor hen geen andere keuze hebben bestaan dan bankier te worden. Ook hier geldt echter weer dat onder de ogen van de christelijke machthebbers een zeer machtige positie binnen de maatschappij in handen kwam van de joodse elite. Aanhangers van deze theorie over het ontstaan van het antisemitisme in de middeleeuwen gaan er echter van uit dat de christenen zoveel macht in handen van de joden gaven om er op die manier voor te zorgen dat de joden een zondebok binnen de maatschappij zouden worden (6).
Als dat inderdaad zo is gegaan, dan is het de vraag of de christelijke machthebbers zich destijds niet danig hebben vergist. Want hoe belangrijk de positie was die de joodse elite door de christenen kreeg toegeschoven, wordt goed geïllustreerd met de woorden van de 18e eeuwse bankier (en oorspronkelijk handelaar in munten) Meyer Amschel Rothschild. Hij stelde ooit: 'Laat mij het geld beheersen, dan kan het mij niet schelen wie de wetten maakt'! Het lijkt niet echt waarschijnlijk dat de christelijke machthebbers een dergelijke positie in handen van de joden gaven, alleen om hen de zondebok binnen de maatschappij te laten worden.

Begin artikel | Vervolg artikel


Dit artikel is verschenen als speciale bijlage in de digitale versie van Kleintje Muurkrant in 1997

hoofdmenumail reactie