Peter Edel, 1996.
"Israel Shahak en het joodse chauvinisme" is een door Peter Edel in november 1996 geschreven artikel. Wij nemen het binnen deze serie artikelen op vanwege de in de tekst voorkomende spanning tussen de begrippen "links" en "antisemitisme". De tekst is geschreven naar aanleiding van het in 1994 verschenen boek "Jewish History, Jewish Religion: the Weight of three thousand Years" van Israel Shahak, met een voorwoord van Gore Vidal.
1. Het joodse racisme volgens de Talmoed.
Na de tweede wereldoorlog en de holocaust ontstond er voor de joden in de wereld een situatie, die wezenlijk verschilde van de omstandigheden die voor die tijd heersten. Die verandering hield natuurlijk vooral verband met de vorming van de staat Israël. Maar het ontstaan van dat land heeft ook met zich mee gebracht dat er in religieuze zin het één en ander kwam te veranderen. Althans dat blijkt uit Israel Shahak's Jewish History, Jewish Religion-The Weight of Three Thousand Years, dat in 1994 is verschenen. Shahak vindt dat het ontstaan van Israël er voor gezorgd heeft dat het joodse geloof een stap in de geschiedenis terug heeft gemaakt. Dat zou volgens hem met name tot uiting komen in de opvattingen over niet-joden.
Shahak beschrijft hoe het joodse religieuze denken naar aanleiding van de Franse revolutie een transformatie onderging, waarbij de joodse burger zich meer ging integreren binnen de rest van de samenleving. Dat zoiets tot voor die tijd ondenkbaar was, kwam volgens Shahak door de macht van de Rabbi's, die er alles aan deden om hun achterban geïsoleerd te houden van de rest van de bevolking, om zo hun macht in stand te houden. De Rabbi's deden dat door hun volgelingen zo dom mogelijk te houden, want op die manier was de joodse bevolking voor hen eenvoudig te controleren. Een groot gedeelte van de joodse burgerij bleef op die manier dan ook volstrekt achterlijk. Zo kon het 200 jaar geleden nog gebeuren dat veel joden onwetend waren over het bestaan van het Amerikaanse continent. Takken van wetenschap, zoals geografie en geschiedschrijving, waren binnen het klassieke judaïsme dan ook volstrekt taboe.
Deze situatie veranderde toen veel joodse intellectuelen aan het einde van de 18e eeuw toenadering begonnen te zoeken tot de niet-joodse wereld. Moses Mendelssohn, een vertegenwoordiger van deze joodse hervormingsbeweging (ook wel Haskala genoemd), schreef in die tijd als eerste joodse schrijver een boek in de Duitse taal, in plaats van het Herbreeuws, en dat was nogal wat in die tijd. Daar bleef het echter niet bij, want in de eeuwen die volgden, begon de joodse gemeenschap meer en meer seculiere trekken te vertonen. Eén van de gevolgen van deze ontwikkeling was dat de eens zo onaantastbare macht van het rabbinaat een stevige deuk opliep.
Volgens Israel Shahak is aan de ontwikkeling van de joodse verlichtingsbeweging een resoluut einde gekomen toen de staat Israël in 1948 werd uitgeroepen. Die gebeurtenis zorgde er voor dat de Rabbi's terug begonnen te grijpen naar middeleeuwse waarden en daarmee naar hun vroegere macht. Deze religieuze stap in het verleden werd echter niet alleen door militante joodse stromingen genomen, want deze ontwikkeling kwam voor een belangrijk gedeelte aan de basis te liggen van de Israëlische samenleving.
De wederopstanding van het klassieke judaïsme in Israël wordt het best geïllustreerd met de herinvoering van de oorspronkelijk versie van de Talmoed uit de middeleeuwen. Deze versie van het joodse wetboek was in de voorgaande eeuwen min of meer in onbruik geraakt, onder invloed van oa. de joodse hervormingsbeweging, maar wordt tegenwoordig weer nageleefd door religieuze joden in Israël. Ook op religieuze scholen in Israël wordt de middeleeuwse Talmoed volgens Shahak tegenwoordig weer onderwezen. De oude judaïstische waarden, zoals die in dit oorspronkelijke joodse wetboek staan omschreven, zijn volgens Shahak echter een bron van veel kwaad.
Israel Shahak werd in Warchau geboren en heeft de tweede wereldoorlog overleefd in het concentratiekamp Bergen-Belsen. Direct na de oorlog kwam hij naar Israël en werd daar Professor aan de universiteit van Jeruzalem. Sinds de jaren zestig zet hij zich in als beschermer van de mensenrechten in Israël, met name met betrekking tot die van de Palestijnen.
In de inleiding van Jewish History, Jewish Religion-The Weight of Three Thousand Years beschrijft Shahak hoe hij tot dit aktivisme is gekomen. Een verkeersongeluk dat in Jeruzalem plaats vond op de dag van de sabbat, vormde voor hem aanleiding om zich in de verhouding tussen joden en niet-joden te gaan verdiepen. Shahak verbaasde er zich over dat een ultra-religieuze jood die op de plaats van het ongeluk aanwezig was, weigerde om een ambulance te bellen voor een gewonde niet-jood. Volgens de religieuze jood was het hem in religieus opzicht verboden om een niet-jood te helpen op de dag van de Sabbat. Dit voorval zorgde er voor dat er iets plofte bij Shahak, want hij vroeg zich af hoe een dergelijke onmenselijke opstelling in religieuze zin te verdedigen viel.
Nadat Shahak een nauwgezette Talmoed studie had uitgevoerd, met betrekking tot de relatie tussen joden en niet-joden, kwam hij tot de conclusie dat de ultra-religieuze jood, waar hij zich zo kwaad over had gemaakt, eigenlijk volledig naar de letter van de klassieke joodse wetten had gehandeld. Shahak kon niet anders dan concluderen dat hier sprake was van een grove vorm van discriminatie. Bovendien betrof het hier volgens Shahak geen individueel geval, want naar aanleiding van zijn onderzoek kwam hij tot de conclusie dat het joods racisme ten opzichte van niet-joden een onmiskenbaar aspect vormt van de staat Israël. Ondanks het feit dat Israël wel degelijk over een seculier bestuur beschikt, meent Shahak dan ook dat veel van het dagelijkse leven in dat land wordt bepaald door het racisme dat voortvloeit uit het klassieke judaìsme.
Die invloed zou volgens hem erg ver gaan. Zelfs zo ver dat Shahak Israël in veel opzichten vergelijkt met Zuid-Afrika gedurende het apartheidsregime. Hij wijst er op dat de verkiezingen in Israël slechts open staan voor partijen die Israël als een joodse staat geaccepteerd hebben. Shahak maakt in verband hiermee een vergelijking met de situatie in Europa. Als een land zich daar zou uitroepen tot een christelijke staat, om zo alle niet-christenen buiten de wet te plaatsen, zou dat terecht tot felle kritieken in de wereld leiden. Israël lijkt zich dit echter zonder meer te kunnen permitteren.
Shahak heeft in zijn belangrijke werk een opsomming gemaakt van passages uit de Talmoed, waaruit volgens hem blijkt dat dit wetboek een bron is van joodse xenofobie en racisme ten opzichte van de niet-joodse wereld. Hij beschrijft hoe het volgens de joodse wetten voor een jood verboden is om een niet-jood op wat voor manier dan ook te helpen op de dag van de Sabbat, zelfs als deze zich in grote nood mocht bevinden. Het komt er op neer dat joden volgens de Talmoed op die dag alleen andere joden mogen redden en dat de rest kan stikken.
Buiten de Sabbat gelden er echter tevens restricties als het om het helpen van niet-joden gaat, want ook op deze dagen dient volgens de wetten van het klassieke judaïsme een niet-jood volledig aan zijn lot over te laten in geval van nood. Als dat er echter toe zou leiden dat de joodse gemeenschap als geheel in een kwaad daglicht komt te staan, gelden er echter weer andere regels. In die omstandigheden moet ook de gojiem uit een noodlottige situatie gered worden.
Maar zelfs dan gelden er beperkingen. Het is in zo'n geval bijvoorbeeld een strikte voorwaarde dat de jood zich in ruil voor zijn diensten laat betalen door de niet-jood die hij heeft gered. Anders zou immers de schijn kunnen ontstaan dat de jood het allemaal uit liefdadigheid voor de niet-jood heeft gedaan en dat is niet de bedoeling, want liefdadigheid ten opzichte van niet-joden kent het klassieke judaïsme niet. Een universele vorm van humanisme, waar veel andere religies zich zo graag op beroepen, is aan de klassieke joodse wetgeving dan ook volstrekt vreemd. Het komt er volgens de Talmoed, zoals die in Israël door het religieuze gedeelte van de bevolking wordt nageleefd, op neer dat een jood een niet-jood moet laten kreperen, mits dat niet al te veel problemen oplevert voor andere joden.
De middeleeuwse Talmoed, zoals die bij het uitroepen de staat Israël in 1948 in ere is hersteld door de Rabbi's, staat vol met dit soort xenofobie ten opzichte van de niet-joodse wereld. Een belangrijk gedeelte ervan is gewijd aan de klassieke joodse rechtspraak. Deze verschilt in ruime mate van de wereldse rechtspraak zoals Israël die vooralsnog kent en dat is maar goed ook, want hieruit blijkt een directe afkeer voor alles wat niet joods is. Zo wordt in de rechtspraak volgens het klassieke judaïsme verondersteld dat een niet-jood altijd zal liegen als hem een directe vraag wordt gesteld. Een getuigenis van een niet-jood is voor de klassieke joodse rechtspraak dan ook niets waard. Alleen als een joodse getuige iets verklaart over een uitspraak, die door een niet-jood terloops is gedaan, kent dat een zekere geldigheid.
Ook op andere gebieden maakt de aan het klassieke judaïsme verbonden rechtspraak verschil tussen joden en niet-joden. Zo is het volgens die wet bijvoorbeeld niet strafbaar als een niet-joodse vrouw door een joodse man wordt verkracht. Het is van veel (raciale) betekenis dat een dergelijke verkrachting voor de klassieke joodse wetten gelijk staat aan bestialiteit. De uitzonderingspositie van joden, volgens de op het klassiek judaïsme gebaseerde wetten, heeft zelfs betrekking op moord. Want een jood die een niet-jood vermoord, is volgens de klassieke joodse wetgeving eigenlijk in het geheel niet strafbaar. Het oordeel wordt dan aan God over gelaten. En als een jood indirect betrokken is bij de dood van een niet-jood (zoals in het geval van dood door schuld), dan is er al helemaal niets aan de hand. Dan wordt hem dat blijkbaar ook door Jahweh vergeven.
Shahak benadrukt dat het gemaakte onderscheid tussen joden en niet-joden alleen van toepassing is op de rechtspraak die op de Talmoed is gebaseerd en niet op de wereldlijke rechtspraak zoals men die in Israël gelukkig kent. Tegelijkertijd kennen de middeleeuwse Talmoedische wetten volgens hem echter wel degelijk hun invloed binnen de Israëlische samenleving. De regels van het klassieke judaïsme zouden bijvoorbeeld binnen het Israëlische leger in veel opzichten zwaarder wegen dan de wereldse wetgeving.
Om dit te illustreren heeft Shahak in zijn boek de correspondentie opgenomen van een Israëlische soldaat met zijn Rabbi. De soldaat vroeg zich in zijn brief af of het voor hem gerechtvaardigd was om niet-joodse burgers te vermoorden, zelfs als dat vrouwen of kinderen betrof. Uit het antwoord dat de soldaat hierop van zijn Rabbi ontving, bleek dat het voor hem niet alleen toegestaan was om niet-joden te vermoorden, maar dat hij hiertoe zelfs werd aangemoedigd als de gelegenheid zich voor zou doen. Het is in het verleden vele malen gebleken dat Israëlische leger dit soort adviezen niet naast zich neer legt. Naast het Israëlische leger zouden volgens Shahak ook veel joodse militante bewegingen, sterk onder invloed staan van de klassiek joodse wetgeving en dus racistische gevoelens kennen ten opzichte van de niet joodse wereld. Zo zou ook de Hassidische beweging volgens Shahak sterk tegen niet-joden gekant zijn. Volgens de Hatanya, het boek van één van de belangrijkste Hassidische vertakkingen (de Habbad), zijn 'alle niet-joden volstrekte Satanische wezens, waar zich absoluut niets goeds aan bevindt'.
Het bestaan van niet-joden is volgens de Hatanya zelfs 'niet-essentieel', terwijl de schepping 'in de eerste plaats voor joden' bestemd zou zijn. Volgens dit geschrift zou een joods embryo zelfs wezenlijk verschillen van een niet-joods embryo. Hieruit volgt overigens dat de joden die de Hatanya aanhangen het jodendom niet alleen als religie zien, maar ook als ras. Dat laatste is van niet geringe betekenis en dit aspect van het joodse racisme zal later dan ook nogmaals ter sprake komen.
Ieder respect van joden jegens andere religies is volgens het klassieke Judaïsme ten stelligste verboden. Dat gaat zelfs zo ver dat een jood volgens de middeleeuwse Talmoed verplicht is om 'de moeders van de doden' te vervloeken, als hij een niet-joodse begraafplaats passeert. Op christenen en moslims heeft de Talmoed het in het bijzonder voorzien, al is het in het licht van de huidige situatie in het Midden Oosten merkwaardig dat de middeleeuwse Talmoed over het algemeen milder oordeelt over moslims dan over christenen. Voor de klassieke joodse wetgeving is het christelijke geloof bijvoorbeeld zonder meer een vorm van verafgoding, terwijl dat over de Islam niet direct zo gesteld wordt. Het verschil dat de middeleeuwse Talmoed maakt tussen christenen en moslims blijkt ook uit de joodse spijswetten. Als een fles koosjere wijn eenmaal door een christen is aangeraakt, moet deze zonder meer worden weg gegooid. Als dezelfde fles echter door een moslim is betast, mag de wijn ook niet meer gedronken worden, maar in ieder geval nog wel verkocht. Over Jezus heeft de middeleeuwse Talmoed een veel radicalere visie dan over Mohammed. Over de christelijke verlosser staat hier geschreven dat 'hij in de hel voor straf in kokende uitwerpselen moet worden gedompeld'. De profeet Mohammed komt er daarentegen in de middeleeuwse Talmoed slechts van af als een gek, een Meshugga. Dat laatste is ook niet echt positief, maar het is toch aanmerkelijk milder dan het klassieke judaïstische oordeel dat de christelijke verlosser krijgt toebedeeld.
Overigens blijkt er uit de interpretatie die er door hedendaagse religieuze joden aan de Talmoed wordt gegeven een heel ander standpunt over moslims. Onder invloed van de tegenwoordige omstandigheden in het Midden Oosten zouden militante joodse groeperingen de regels uit de Talmoed wat betreft moslims drastisch hebben aangepast. In hun opinie bezondigen ook moslims zich aan afgoderij. Deze aanpassing wat betreft het joodse oordeel over moslims is overigens een indikatie hoe rekbaar de Talmoedische wetten zijn, vooral als het om niet-joden gaat.
Ondanks al de haat tegen alles wat niet joods is, kan het systeem waarbinnen religieuze joden functioneren echter niet buiten de aanwezigheid van gojiem. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de vele manieren die de fundamentalistische joden in Israël gebruiken om hun eigen wetten te ontduiken, zo hypocriet is men daar namelijk ook wel weer. In de voorbeelden die Shahak hiertoe geeft lijkt het klassieke judaïsme zo doorspekt met volstrekt belachelijke gebruiken dat het meer weg heeft van een 20e eeuwse New Age sekte, dan van een traditionele religie. Zo wijst Shahak er op dat in de Talmoed staat voorgeschreven dat er eens in de zeven jaar een sabbatjaar moet plaatsvinden, waarin het land niet bebouwd mag worden. In het moderne Israël kan dat natuurlijk helemaal niet en daarom wordt daar eens in de zeven jaar het volledige Israëlische grondgebied (zowel het gemeenschappelijke als het particuliere) voor een symbolisch bedrag aan een niet-jood verkocht. Daarbij geldt de afspraak dat na afloop van het sabbatjaar het land voor hetzelfde bedrag weer terug gekocht kan worden. In de tussenliggende periode is het land echter geen joods bezit en is er voor religieuze joden dus ook geen enkele reden om er niet de vruchten van te plukken. Ook in verband met het verbod om op de dag van de sabbat te werken, zoals dat in de Talmoed staat voorgeschreven, heeft men methoden bedacht waarmee men de wetten kan ontduiken. Een probleem betreft bijvoorbeeld het melken van een koe. Die handeling wordt tot de arbeid gerekend en is dus op de dag van de sabbat streng verboden. De koe heeft daar echter niets mee te maken en moet op die dag zijn melk kwijt, als op iedere andere dag. Om de koe van zijn last te bevrijden melkt men het dier daarom zonder de melk op te vangen, zodat het in de bodem weg stroomt. Als er echter 'toevallig' iemand passeert met een emmer, die onder de koe geplaatst wordt, dan valt dit geheel buiten de verantwoordelijkheid van degene die de koe melkt en is de sabbat dus niet geschonden (1).
Dit artikel is verschenen als speciale bijlage in de digitale versie van Kleintje Muurkrant in 1997