"Kosmisch racisme"

("Over racistische elementen in de antroposofie": eerder verschenen in het historisch tijdschrift 'Skript', zomer 1996)

De uitspraken van de vice-voorzitter van de Antroposofische Vereniging C. Wiechert in het radioprogramma "Het voordeel van de twijfel" van de Humanistische Omroepstichting van 19 februari 1996 over de omstreden rassenleer van Rudolf Steiner hebben de aandacht gevestigd op racistische gedachten in de antroposofie. In dit artikel zal worden onderzocht in welke traditie de antroposofische rassenleer staat, waarbij de aandacht met name zal worden gericht op de antroposofische indeling in "dag-" en "nachtvolken" en op de plaats van de joden in Steiners leer.

Wiechert wond er in het interview geen doekjes om. Geconfronteerd met Steiners uit-spraak, waarin de ontwikkelingsfase van het "zwarte ras" met die van een kind tot zeven jaar vergeleken wordt, meende Wiechert: "Zonder discriminerend te zijn; je ziet het bijvoorbeeld op het gebied van de vitaliteit, dat is in het zwarte ras een geweldige meerwaar-de. Kijk maar naar Ajax, om maar wat te zeggen. Ik heb niks tegen Ajax hoor, maar je ziet dat daar vitaliteitsoverschotten zijn die jij en ik niet bij de hand hebben" (noot 1). Ook Steiners veronderstelling dat het verdwijnen van de Indianen een "kosmische" noodzaakelijkheid was, achtte Wiechert "geen beladen uitspraak." Wiechert zei hierover: "Toen de Europeanen zich met de negers gingen bemoeien, is dat volk niet te gronde gegaan. Integendeel. Dat volk werd almaar groter en assimileerde zich met de westerse beschaving. En als je dan daartegenover ziet wat er bij Wounded Knee is gebeurd met de Indianen, dat is toch een onvoorstelbare tragedie. Daar zie je dat er echt iets uitgeblust werd. Onvoorstelbaar... Dus uit die waarneming is de gedachte aannemelijk" (noot 2).
De uitspraken van Wiechert bleven niet zonder echo in de media (noot 3) en ook in de gelederen van de Antroposofische Verenilaaide de discussie hoog op. Op zaterdag 30 september belegde de vereniging een buitengewone algemene ledenvergadering, waar een grote meerderheid van de leden het bestuur, dat zich van Wiechert gedistantieerd had, in zijn optreden steunde. Besloten werd een werkgroep op te richten, die Steiners uitspraken over rassen zou onderzoeken (noot 4). Met dit laatste volgen de Nederlandse antroposofen het voorbeeld van een groep progressieve Duitse antroposofen, die zich rond de Flensburger Hefte hebben verzameld. In deze antroposofische tijdschriftenreeks verschijnen afleveringen, waarin Steiners rassenleer kritisch wordt onderzocht (noot 5). De commotie in de Antroposofische Vereniging over Steiners rassenleer dateert niet van vandaag of gisteren. In februari 1995 was de antroposofie al opspraak geraakt door een artikel in de Volkskrant, waarin verslag werd gedaan van de ervaringen van Angelique Oprinsen, moeder van een dochter op de -antroposofische- Vrije School De Berkel in Zutphen. Van dochter Juliette kreeg Oprinsen het schoolschrift "Rassenkunde" onder ogen met daarin stereotypen over het "zwarte ras" en de "gele medemens." Volgens de tekst in Juliette haar schrift "hebben negers een ritmisch" en "dikke lippen," terwijl Aziaten hun emoties achter "de altijd blijvende glimlach verbergen" (noot 6). Juliette had in haar schrift ook de door de leraar opgegeven ontwikkelingsfasen van de verschillende rassen opgeschreven, waarvan de pigmentatie aan de delen van een etmaal is gerelateerd; zo behoort het zwarte ras bij de nacht, het gele bij de ochtend en het blanke bij de dag. Toen Oprinsen hierover bij de schoolleiding van De Berkel aan de bel trok, kreeg ze geen bevredigend antwoord. Van ouders van andere leerlingen van De Berkel kreeg ze evenmin steun. Op een ouderavond kreeg ze antwoorden van de volgende strekking: "Als jij Rudolf Steiner zou begrijpen zou je zijn gedachten over 'rassen' wel onderschrijven. Uit het feit dat je zijn gedachten niet onderschrijft blijkt dat jij Steiner niet hebt begrepen" (noot 7).
In de recente commotie over Steiners rassen is aan één aspect nog geen aandacht besteed, namelijk aan de traditie, waaruit bepaalde en gedachten van de antroposofie over volken en rassen stammen. In dit artikel zal deze overlevering worden gereconstrueerd. Het gaat hier om een traditie die de antroposofen zelf goeddeels onbekend is. Inzicht in de historische achtergrond van de antroposofische rassenleer is ook om die reden van bijzondere betekenis.

over "dag- en nachtvolkeren"
Rudolf Steiner werd in 1861 in Oostenrijk geboren. Begonnen als journalist was hij in de jaren negentig zeven jaar werkzaam bij het Goethe-Schiller-archief. Hij werd lid van de theosofische beweging, die hij in 1913 verliet om zijn eigen occulte, op Christus georiënteerde wereldbeschouwing te verkondigen. Zijn antroposofie is een allesomvattende leer, waarin theorieën over pedagogie, landbouw, kunst en cultuur werden ontwikkeld (noot 8).
De antroposofische indeling van de mensheid volgens de delen van een etmaal, waarbij de huidskleur aan de zon, de nacht of de schemering wordt gerelateerd, zijn we in het schrift Rassenkunde van Juliette Oprinsen tegengekomen. De docent van De Berkel die Juliette deze indeling onderwees, baseerde zich daarbij op het door de antroposoof Max Stibbe samengestelde lesmateriaal (noot 9). Stibbe, een antroposoof van het eerste uur en een trouw volgeling van Steiner, moet deze indeling weer aan Rudolf Steiner hebben ontleend. Steiner zelf is echter niet de geestelijke vader van de classificatie van de mensheid volgens de delen van een etmaal. Zij stamt oorspronkelijk van de laat-romantische filosoof en professor in de anatomie Carl Gustav Carus (1789-1869), die bij de viering van Goethe's honderdste geboortedag in 1849 een "Denkschrift" met deze indeling presenteerde. Dat Steiner dit geschrift van Carus moet hebben gekend, is meer dan waarschijnlijk. Ten eerste was Carus in de negentiende eeuw in Duitsland een invloedrijk romantisch filosoof (noot 10). Daarnaast was Steiner, voordat hij na de eeuwwisseling aan een carrière als occultist begon en via de theosofie bij zijn eigen Antroposofische Vereniging uitkwam, in de jaren negentig zeven jaar werkzaam aan het Goethe-Schiller-archief in Weimar. In deze jaren zal hij zeker het bovengenoemde essay onder ogen hebben gekregen, dat Carus in 1849 bij de viering van Goethe's honderdste geboortedag had uitgegeven.
De inhoud van Carus' brochure, waaraan Steiner de indeling in dag- en nachtvolken heeft ontleend, kan men alleen maar als racistisch bestempelen. Carus' opstel heeft als titel "†ber ungleiche Befähigung der verschiedenen Menscheitstämme für höhere geistige Entwickelung" (noot 11). In dit geschrift ontwerpt hij een antropologie, die zich op de stand van de zon jegens de aarde baseert. De lichtval van de zon op de aarde veroorzaakt een "dag," een "nacht" en een "schemering." Carus meent dat deze drie fundamentele "Lichtzustände" (noot 12) van beslissende invloed zijn op het functioneren van de verschillende menselijke rassen. Op grond van dag, nacht en schemering onderscheidt Carus "Tag-," "Nacht-" en "Dämmerungsvölker," welke laatste weer worden onderverdeeld in oosterse en westerse schemeringsvolken. De nacht-volkeren, welke "dem Lichtmangel - der Nacht des Planeten entsprechen" zijn volgens Carus de donkergekleurde bewoners van Afrika, de westerse en oosterse schemeringsvolken respectievelijk de Indianen en de Aziaten. Het dagvolk daarentegen wordt gevormd door het Kaukasische, dat wil zeggen blanke Arische ras (noot 13).
De onderverdeling van de mensheid volgens de verschillende lichtfasen correspondeert volgens Carus met de vorm van de schedels van de verschillende rassen. Geheel in overeenstemming met de verschillende negentiende-eeuwse rassentheorieën, waarin de Ariërs op grond van hun langwerpige schedels -de zogenaamde dolichocefale schedel- een grotere herseninhoud werd toege-schreven, meent ook Carus dat de schedel van de Arische dagvolkeren de ideale vorm heeft; hij is regelmatig van opbouw en structuur en heeft de grootste herseninhoud. De schedels van de nacht- en schemeringsvolkeren zijn daarentegen van een veel mindere kwaliteit; de vervormingen die hier geconstateerd kunnen worden, hebben een negatieve invloed op zowel vorm, inhoud en structuur van de hersenen. Vooral de schedel van de dag- en nachtvolken vertoont grote verschillen. Volgens Carus is deze bij de laastsen "am meisten thierähnlich," terwijl die bij de dagvolken "am reinmenschlichsten" is (noot 14).
Corresponderend met de grote fysiologische verschillen tussen de drie delen van de mensheid vertonen ook hun beschavingen grote onderlinge afwijkingen. De nachtvolken beschikken in de visie van Carus nauwelijks over cultuur; in hun primitieve samenlevingen ontbreken kunst en literatuur geheel. De cultuur van de verschillende schermingsvolken is van een hoger niveau, wat vooral geldt voor de Aziatische volken. De Aziatische cultuur is volgens Carus echter een statische cultuur, die geen enkele ontwikkeling kent (noot 15). In vergelijking met de nacht- en schemeringsvolken bevindt de cultuur van het Arische dagvolk zich op eenzame hoogte. Hier domineren het "spirituelle Princip" en de "geistige Kraft," wat tot uitdrukking komt in de "reine Schönheit" van de Arische fysiologie. De cultuur van de Arische dagvolkeren wordt bepaald door het principe van individualiteit en kenmerkt zich dan ook door een rijke veelzijdigheid (noot 16). Met dit laatste bevindt Carus zich geheel in overeenstemming met de verschillende rassentheorieën van zijn tijd, waarin het Ariërdom tot de schepper van alle cultuur werd gebombardeerd (noot 17).
Fundamenteel voor de ontwikkeling van de verschillende culturen zijn telkens de drie lichtfasen van dag, nacht en schemering. Het is de mate van "Sonnenerleuchtung" die het spirituele niveau van een ras bepaalt en waarvan de fysieke verschijningsvorm een directe weerspiegeling is. In het systeem van Carus vormen de blonde Ariërs dan ook het eigenlijk zonneras, die als "Blüthe der Menschheit" (noot 18) de hoogste trede van de spirituele ladder bezetten. De verbinding van de Ariër als schepper van alle cultuur met de zon als symbool van hogere spiritualiteit zou aan het einde van de negentiende eeuw een grote verbreiding kennen. De associatie van de Ariër met de zon kon daarbij direct aansluiting vinden bij een ander aspect van de zonnecultus en wel het oude Germaanse zonnewendefeest. Dit feest mocht zich rond de eeuwwisseling in het kader van het opkomende "nieuw-heidendom" in Duits-land in een grote populariteit verheugen. Verbonden met het "Arische zon-nemotief" waren de zogenaamde Arische kleuren, goud -of geel- en blauw, die een grote verbreiding in het völkische en antisemitische kamp kenden. Het goud stond symbool voor de Ariër zijn blonde haren, die zich in het licht van de zon weerspiegelden, terwijl het blauw voor de kleur van zijn ogen stond, die weer een afspiegeling waren van het blauw van de hemel (noot 19).
De traditie van Carus' manicheïsche antropologie bereikte een voorlopig hoogtepunt in de zogenaamde Ariosofie, een apocalyptische rassenleer die vanaf de eeuwwisseling in Oostenrijk en Duitsland tot ontwikkeling kwam. De Ariosofie is als stroming onverbrekelijk verbonden met de persoon van de Oostenrijker Jörg Lanz von Liebenfels (1874-1954), een voormalige priester van de Orde der Cisterciënzers, die in 1899 uittrad en zijn eigen Orde der Nieuwe Tempelieren oprichtte. Tegen de achtergrond van het nationaliteitenconflict in de Donaumonarchie verkondigde Lanz in zijn tijdschrift Ostara een complexe gnostische rassenleer, waarin de Ariërs als een trans-cendentaal "lichtras" en de niet-Ariërs als een demonisch "materieras" werden opgevoerd. In dit tijdschrift, waarvan met zekerheid kan worden aangenomen dat het tot de lectuur van de jonge Adolf Hitler in Wenen behoorde (noot 20), verwoordde Lanz de tegenstelling tussen de blonde Ariërs en de niet-Arische "Dunkelrassen" op de volgende wijze: "Weg von den Söhnen der Dunkelheit, hin zur Sonne, Licht, Luft, denn wir sind die Sonnenkinder, die Söhne des Lichts (noot 21)." Het is dan ook niet vreemd dat Lanz op dit punt naar Carus' indeling in dag- en nachtvolken verwijst: 'Carus hat daher verständnisvoll die Menschen in Tag- und Nachtmenschen eingeteilt (noot 22)." Onder Lanz' volgelingen kon men dezelfde racistische dichotomie aantreffen. Zo formuleerde Herbert Reichstein, in de jaren twintig in Duitsland een van Lanz' meest fanatieke volgelingen (noot 23), de tegenstelling Arisch - niet-Arisch in de volgende dua-listische bewoordingen: "Je heller die Haut und das Haar, desto feiner empfindend is die Seele - desto sonniger. Je tiefer die Seele der Erde und der Nacht, desto dunkler die Haut (...) Je blauer das Auge, desto göttlicher, je dunkler, desto tierischer (noot 24)."
De manicheïsche beeldentaal van Carus en de Ariosofie vond na 1933 een direct voortzetting in het nationaal-socialisme. Hier waren het vooral de joden, die met de nacht werden geïdentificeerd, terwijl de Ariërs met de zon in verbinding werden gebracht. Op de antisemitische karikatuur zien we deze thematiek verbeeld door een met de zon overgoten Arisch paar, waartegenover de jood als "Kreatur der Nacht" wordt geplaatst (noot 25). De associatie van het blonde Arische dag-volk met de zon blijkt ook uit de afbeelding uit een nummer van de Illustrierte Beobachter uit 1937. Op de foto zien we Hitler met drie blonde Friese kinderen. Het onderschrift bij de foto luidt: "Ein Bild voll Sonnenschein und Freude (noot 26)." Hier wordt duidelijk in welke traditie de antroposofische indeling in dag- en nachtvolkeren staat. Hoe sterk de beeldentaal van deze traditie doorwerkt, blijkt op pregnante wijze uit de tekening, die Juliette Oprinsen in haar schrift Rassenkunde had gemaakt bij de door de leraar opgegeven indeling van de mensheid volgens de delen van een etmaal. Op de afbeelding zien we een lachende zon, die de twee blonde zonnekinderen begroet. In tegenstelling tot de centrale plaats, die de zonnekinderen op de tekening innemen, zien we rechts in de marge een zwart jongetje, dat als vertegenwoordiger van het nachtvolk door de zon verdreven wordt en in de duisternis verdwijnt. Deze tekening zou zonder moeite een plaats in Carus' "Denkschrift" of Lanz' "Ostara" hebben gevonden.

|naar vervolg van artikel|

Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant maart 1997, als onderdeel van de serie over antroposofie

hoofdmenumail reactie