vervolg van "Kosmisch racisme"

"maanvolk"
Zoals uit het bovenstaande duidelijk is geworden, worden in de antroposofie volken en rassen met bepaalde hemellichamen verbonden. Het "karakter" en de werking van deze hemellichamen zou een beslissende invloed hebben op het functioneren van de verschillende rassen. Zo worden in de antroposofie de Indianen als een "Saturnusras" gezien, waarvan het kliersysteem onder invloed van Saturnus een "verbeningsproces" ondergaat met als gevolg het collectieve uitsterven van de Indianen (noot 27). Ook de joden krijgen in de antroposofie een hemellichaam toebedeeld, in hun geval de maan. De antroposofische visie op de verbindingen tussen het jodendom en de maan vinden we kernachtig verwoord in een interview met de antroposoof John van Schaik in het antroposofische tijdschrift Jonas van 27 mei 1994. Van Schaik zegt hier over Steiners visie op de joden het volgende: "(...) Ook Steiner maakt verschil. Hij zegt dat de god in het Oude Testament nog werkt vanuit de maansfeer en de God in het Nieuwe Testament vanuit zonnekracht. Vanuit de maansfeer geeft Jahweh leiding aan het joodse volk. De maan spiegelt, werkt op het spiegelende bewustzijn. Het reflecteert op iets. Het joodse volk ontwikkelde een reflecterend, sterk intellectueel bewustzijn (noot 28)." Elders in zijn werk spreekt Steiner in dit opzicht over de van Atlantis afkomstige "oersemieten" die het denken zouden hebben uitgevonden (noot 29).
De verbinding jodendom-rationalisme die hier door de antroposofie gelegd wordt, kenmerkte eveneens het antisemitische denken in Duitsland. De veronderstelling van de joden als een "volk zonder wortels," dat met zijn intellectuele reflectie de vertrouwde levenspatronen vernietigt en op deze wijze de wegbereider van de moderniteit wordt, was wijd verbreid in het antisemitische kamp. De Duitse filosoof Ludwig Klages (1872-1956), die een antisemitisch geïnspireerde "Lebensphilosophie" verkondigde waarin de intuïtie boven de -rationele- reflectie werd gesteld, sprak in dit opzicht over het "molochitisch-zersetzende Verstand" van de joden," (noot 30) die met hun rationalisme iedere synthetische en organische entiteit tot ontbinding brengen en daarmee het leven zelf doden.
De antroposofische gelijkstelling van de joodse "reflectie" met de "spiegelende" maan duidt niet alleen op het veronderstelde joodse rationalisme, maar herbergt nog een ander aspect, dat evenzeer in de antisemitische traditie wortelt. Het betreft hier de klassieke antisemitische gedachte dat de joden een volk van "parasieten" zijn; net zoals de maan als "parasitair hemellichaam" het licht voor haar reflectie aan de zon ontleent, ontlenen de joden als "parasitair volk" hun levenskracht aan hun gastvolk. Dat deze bizarre vergelijking onderdeel is van het antisemitische gedachtengoed blijkt uit het werk van Georg Lomer (1877-1956), een voormalig zenuwarts die na de Eerste Wereldoorlog in contact met de theosofische beweging was gekomen. Lomer was als astroloog de stichter van een zoge-naamde Arische "zonnekerk," waar hij voor zijn volgelingen een metafysische rassenleer formuleerde. In zijn brochure Wir und die Juden im Lichte der Astrologie uit 1928 stelde hij dat de Arische man als het scheppende principe in verbinding stond met de zon, terwijl de joden slechts in het licht van de maan stonden; zoals de maan voor haar uitstraling op de maan parasiteerde, parasiteerden volgens Lomer de joden op de scheppingskracht van het het Ariërdom en waren daarmee een "parasitair maanvolk." Deze gedachte leefde niet alleen bij Lomer en zijn volgelingen. Ook elders in het völkische en antisemitische kamp werden de joden consequent met de maan in verbinding gebracht en als duistere "Mond-Kreaturen" afgeschilderd (noot 31).
Dat deze antisemitische "maanmythologie" tot op heden voortleeft, blijkt op ondubbelzinnige wijze uit het werk van de Chileen Miguel Serrano, voormalig ambassadeur van Chili in India, Joegoslavië en Oostenrijk. Serrano, schrijver van een in meer dan twintig talen vertaald boek over zijn vriendschap met Hermann Hesse en Carl Gustav Jung (noot 32), publiceerde in 1978 in Santiago een boek met de volgende titel: El cordon dorado; Hitlerismo esoterico (In 1987 verschenen in een Duitse vertaling onder de titel Esoterischer Hitlerismus). In dit huiveringwekkende werk wordt Hitler opgevoerd als een Arische lichtgod, die de mensheid heeft proberen te bevrijden van de Semitische wereldheerschappij. En ook Serrano brengt in zijn boek de joden in verbinding met de maan wanneer hij spreekt over het (huidige) "Semitischlunare Fischezeitalter," (noot 33) waarin de aar-de wordt beheerst door het joodse rationalisme en materialisme.

Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de antroposofische indeling van de mensheid in dag- en nacht-volkeren en de antroposofische voorstelling van de joden als een volk dat met de maan verbonden is zeer problematisch zijn. Met dergelijke classificaties maakt de antroposofie deel uit van een traditie, waarvan de antroposofen zelf zich in het geheel niet bewust zijn. Deze traditie kan men het best karakteriseren als "kosmisch" of "metafysisch racisme." Dit gebrek aan historisch inzicht van de antroposofen maakt hen blind voor de obscure overlevering, waarmee veel van Steiners ideeën over rassen verbonden zijn.
Het grote gevaar van een beschouwingswijze, waarin het individu met boven-persoonlijke krachten wordt verbonden, schuilt in de ontmenselijking. Mensen worden niet meer als unieke individuen waargenomen, maar als het verlengstuk van een of ander metafysisch principe. Deze ontmenselijking treedt niet alleen naar voren in de theorieën van Lanz en Serrano, maar ook in de antroposofie, waarin het lot van volken en rassen "kosmisch" bepaald is. Dit blijkt op navrante wijze uit de antropo-sofische visie op de Indianen, die als "Saturnusras" gedoemd zijn uit te sterven. Het is een zienswijze, waarin de ethiek geheel achter de -occulte- horizon ver-dwijnt; niet de mens telt, maar het principe.

Jan-Willem de Groot

noten:
1. Geciteerd in "Antroposofische uitglijder. Bestuurslid ondersteunt omstreden rassenleer van Steiner," Trouw 20-2-1996.
2. Ibidem.
3. Enige artikelen uit de media over deze affaire: "Wiechert geeft impuls aan rassenleer van antroposoof Steiner," Parool 20-2-1996; "Rudolf Steiners neger maakt veel los," Volkskrant 30-3-1996; Rene Zwaap, "Karmische noodzakelijkheden" De Groene Amster-dammer 28-2-1996, 20-21.
4. "Leden Antroposofische Vereniging scharen zich achter bestuur," Trouw 1-4-1996.
5. Zie Klaus D. Neumann/Wolfgang Weirauch/Arfst Wagner, Anthroposofie und Rassimus - Flensburger Hefte 41 (Flensburg 1993)
6. "Op Vrije School hebben negers dikke lippen en ritmisch gevoel," Volkskrant 4-2-1995.
7. De hele affaire wordt uit de doeken gedaan in de brochure van Toos Jeurissen, Uit de Vrije School geklapt. Over antroposofie en racisme; een stellingname (Sittard 1996). Jeurissen, moeder van twee kinderen op de Vrije School De IJssel in Zutphen, schreef haar opstel uit verontrusting over het onderricht in Steiners rassenleer op de school. Het interview met Wiechert vond plaats naar aanleiding van het verschijnen van deze brochu-re.
8. W.F. Veltman, Rudolf Steiner. Een biografie (Zeist 1980).
9. Jeurissen, Uit de Vrije School geklapt, 7.
10. Zie voor biografische gegevens over Carus Wolfgang Genschorek, Carl Gustav Carus. Arzt - Künstler - Naturforscher (Leipzig 1978)
11. Carl Gustav Carus, Denkschrift zum hundertjährigen Geburtsfest Goethe's. †ber ungleiche Befähigung der verschiedenen Menschheitstämme für höhere geistige Entwickelung (Leipzig 1849)
12. Ibidem, 11.
13. Ibidem, 14-15. Aanhalingstekens bij in deze context dubieuze begrip-pen als "Arisch" en "ras" zullen voortaan worden weggelaten. Carus' indeling van de mensheid volgens de stand van de zon is overigens niet logisch. Zo zouden juist de Afrikanen het dag-volk moeten zijn; zij leven immers op en bij de evenaar. Carus baseert zich bij zijn indeling echter steeds op de huidskleur van de verschillende rassen.
14. Carus, Denkschrift, 21.
15. Ibidem, 24 en 68.
16. Ibidem, 82-87.
17. Zie voor dit gehele complex Léon Poliakov, De Arische mythe. Over de bronnen van het racisme en de verschillende vormen van nationalisme (Amsterdam 1979)
18. Carus, Denkschrift, 85.
19. Karlheinz Weissmann, Schwarze Fahnen, Runenzeichen. Die Entwicklung der politischen Symbolik der deutschen Rechten zwischen 1890 und 1945 (Düsseldorf 1991) 40-45.
20. Zie Wilfried Daim, Der Mann, der Hitler die Ideen gab. Von den religisen Verir-rungen eines Sektierers zum Rassenwahn des Diktators (München 1958; herdruk 1994). Nicholas Goodrick-Clarke, The occult roots of nazism. The ariosophists of Austria and Germany 1890-1935 (Wellingborough/Nort-hamptonshire 1985)
21. Lanz, Ostara nr. 67: Die Beziehung der Dunklen und Blonden zur Krank-heit. Ein Abriss der besonderen und praktischen Rassenpathologie (Wien 1913) 1.
22. Lanz, Ostara nr. 74: Rassenmetaphysik oder die Unsterblichkeit und Göttlichkeit des höheren Menschen (Wien/Mödling 1914) 3.
23. Zie voor Reichstein Goodrick-Clarke, Occult roots, 164-177.
24. Herbert Reichstein, Warum Ariosophie? (Düsseldorf 1926) 15.
25. Albrecht w. Thöne, Das Licht der Arier. Licht-, Feuer- und Dunkelsym-bolik des Nationalsozialismus (München 1979) 54.
26. Ibidem.
27. Bernd Hansen, "Zu Rudolf Steiners Indianerbild" in: Arfst Wagner, Anthroposophie und Rassismus, 113-127, aldaar 119.
28. Patricia Wessels, "Nag Hammadi-geschriften: puur dynamiet aan de wortels van het christendom" Jonas 20 (Amsterdam 1994) 8-11, aldaar 11.
29. Wolfgang Weirauch, "†ber die Menschenrassen in der Darstellung Rudolf Steiners" in: Arfst Wagner, Anthroposophie und Rassismus, 54-106, aldaar 72.
30. Roderich Huch, Alfred Schuler, Ludwig Klages und Stefan George. Erinnerungen an Kreise und Krisen der Jahrhundertwende in München-Schwabing (Amsterdam 1973) 26.
31. G.L. Mosse, Ein Volk. Ein Reich. Ein Führer. Die völkischen Ursprünge des Nationalsozialismus (Königstein 1979) 231-232.
32. In een Nederlandse vertaling verschenen bij de Rotterdamse -en antro-posofische- uitgeverij Lemniscaat; Miguel Serrano, De hermetische cirkel. Jung en Hesse (Rotterdam 1975)
33. Miguel Serrano, Das Goldene Band. Esoterischer Hitlerismus (Wetter 1987) 223. Op de connotaties, die met het begrip "Fischezeitalter" verbonden zijn (een van de sleutelbegrippen in de New Age-beweging), kan in het kader van dit opstel niet nader worden ingegaan.

|naar begin van artikel|


Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant maart 1997, als onderdeel van de serie over antroposofie

hoofdmenumail reactie