Twee jaar geleden demonstreerde ik tegen de Amerikaanse oorlog tegen Irak. 30 jaar geleden demonstreerde ik tegen de steun van Amerika aan Saddam Hoessein in zijn oorlog tegen Iran. Die demonstraties van dertig jaar geleden herinner ik me het beste. Het waren kleine acties met weinig mensen.
Anita (lid van Offensief Amsterdam)
Tussen de demonstranten waren politieke vluchtelingen uit Irak. Mensen die voor de terreur van Saddam waren uitgeweken naar bijvoorbeeld Nederland en politiek asiel hadden gekregen. Maar dat zij het land hadden verlaten was Saddam blijkbaar nog niet genoeg. Deze mensen werden nog steeds met de dood bedreigd door het regime en sommigen, die openlijk getuigden van de terreur in Irak moesten dat - ver van hun land - met de dood bekopen. Alle Irakezen die bij de demonstratie aanwezig waren hadden hun gezicht bedekt met maskers en sluiers opdat de Irakese veiligheidsdienst hen niet zou herkennen. Ja dertig jaar geleden stonden we daar een handje vol, twee jaar geleden waren we met 120.000. Ook dat was niet genoeg. Dat is ons lot, en daar heb ik me al lang in geschikt. Wat me stoorde, werkelijk ernstig stoorde, was dat ik dagelijks via de media te horen kreeg dat ik - wij - nu demonstreerden tegen die oorlog maar dat wij niet eerder van ons hadden laten horen tegen Saddam. De reden dat wij toen zo slecht gehoord zijn is waarschijnlijk omdat Bush, Balkenende en al die andere mensen die opeens de democratie verdedigen door middel van oorlog, niet bij die demonstraties dertig jaar geleden waren. Ik heb ze toen in ieder geval niet gezien. Wel gehoord - de politieke partijen toen. Wapenleveranties aan Irak waren juist goed voor de democratie omdat Iran zo slecht was, en Saddam daar korte metten mee zou maken. Dat heeft hij natuurlijk niet gedaan. Hij heeft tienduizenden Iraanse jongens en mannen de dood in gejaagd met behulp van westerse wapens en nog eens duizenden in eigen land met die zelfde wapens vermoord. Nog tijdens de eerste Golfoorlog bleek opeens hoe lang wij - Nederland - waren doorgegaan met de levering van wapens aan het regime Saddam. Niet mijn idee. Nooit mijn idee geweest. Ik was één van die softe hippies van de jaren zeventig die toen demonstreerde tegen steun aan Saddam. Maar ach, de meeste mensen zijn zo kort van memorie en de media vonden het ook niet zo belangrijk daarover toen of nu te berichten.
De relatie tussen Nederlanders en buitenlanders die in Nederland wonen wordt met de dag slechter. Dat komt - hoor ik steeds vaker de afgelopen jaren - omdat in de zeventiger jaren die linkse geitenwollen sokken te tolerant zijn geweest met betrekking tot de integratie van buitenlanders in Nederland. Wij - linkse mensen - hebben maar getolereerd dat deze buitenlanders allemaal bij elkaar gingen wonen en hun eigen cultuur bleven koesteren, zonder te integreren. Je hoort het de laatste jaren zo vaak en zo hard, dat ik het bijna ging geloven. Zelfs terwijl ik er toen zelf bij ben geweest.
Laat me eens terugdenken aan die lieflijke en tolerante zeventiger jaren. Ik was vijftien en er werden door geitenwollen sokken buurthuiswerkers vrijwilligers gezocht. Heel veel vrijwilligers. Om Nederlandse les te geven aan buitenlanders. Het initiatief om Nederlandse les te gaan geven aan "gastarbeiders" was niet ingegeven door overheidsbeleid. Want de overheid - met name de rechtse en christelijke partijen - gingen er nog van uit dat de "gastarbeiders" hier te gast waren en weer snel terug zouden gaan naar hun eigen land. Daarom werden ze ook voornamelijk bij elkaar in afbraakbuurten gestopt - ver van ons Nederlanders af. Het waren de linkse, tolerante hippies die op de gedachte kwamen dat deze buitenlanders Nederlands zouden moeten kunnen leren opdat ze zich voor de tijd dat ze hier in Nederland waren, zouden kunnen redden in onze taal. En zo kwamen er Nederlandse lessen voor gastarbeiders. Lessen waarop massaal werd ingeschreven door die gastarbeiders. Zo massaal dat een meisje van 15 voor een klas met Turkse en Marokkaanse mannen werd gezet om ze Nederlands te leren. En ze leerden van dat meisje. Geen gebrek aan respect, geen onvertogen woord, geen klacht. Maar gretigheid om onze taal te leren. Gretigheid om mijn cultuur te leren zodat zij zich niet meer zo hopeloos vreemd en ontheemd zouden voelen in ons land. Ik was niet de enige die Nederlandse les gaf aan buitenlanders. Er waren er veel meer die dat deden. In hun vrije tijd, tussen werk en huishouden of gezin door. Mensen die zich inzetten om buitenlanders te betrekken in onze maatschappij door ze de taal bij te brengen. Ik ben tussen al die vrijwilligers nooit een VVD-er tegen gekomen. Ik heb Zalm nog nooit horen verhalen over hoe hij als vrijwilliger toen al bezig was met de integratie van buitenlanders in Nederland. Fortuyn ook nooit. Het waren allemaal van die vage, tolerante linkse mensen die in hun vrije tijd klassen vol buitenlanders de beginselen van de Nederlandse taal en cultuur probeerden bij te brengen. Ik heb toen heel veel geleerd - waarvoor dank aan al die geduldige buitenlanders in mijn klas. Ik was een klein meisje dat op de middelbare school zat en zelf nog leerde. Ik vond het nodig dat buitenlanders onze taal zouden leren en de consequentie daarvan was - volgens mij dan - om daar aan bij te dragen. Maar ik vond het doodeng. Ik zag mijn klas, die groep vreemde mannen uit een vreemd land. Ik zag hun geharde gezichten, hun handen vol werk-eelt van het fabriekswerk, in de bouw, in de schoonmaak. Vermoeide gezichten soms, van mannen die mijn vader zouden kunnen zijn. En daar stond ik - klein meisje - en ik moest ze les gaan geven, die enge vreemde mannen. Het zweet stond in mijn handen en ik verwachtte niet anders dan dat zij zich minachtend van mij af zouden keren als ze zouden merken dat ik hun "juf" zou worden. Maar dat was niet zo. Zij lachten me onzeker en bijna net zo angstig toe als ik me voelde. We waren bang voor elkaar die eerste les. Want zij kregen les van een klein meisje en moesten vaak toegeven dat zij hun eigen taal niet goed konden schrijven en daar schaamden ze zich voor. Ze moesten worstelen met Nederlandse klanken die ze hun mond niet uit kregen en daar schaamden ze zich voor. En doordat we leerden van elkaar dat we gewoon bang voor elkaar waren, leerden we elkaar te steunen en te kennen en te waarderen. Respect, zo'n verworden kreet in deze tijd. Respect is wat ik voelde en nog voel voor die mannen in mijn klas. Niet omdat ze als vlotte leerlingen door de lesstof schoten, maar omdat ze na een zware dag van arbeid bereid waren aan een klein meisje en elkaar hun onzekerheid en angst te tonen omdat zij die allesoverheersende wens hadden te integreren in de Nederlandse maatschappij. Er is toen wel eens over geschreven, over die verwoede pogingen van linkse mensen om gastarbeiders de Nederlandse taal te leren, maar het is vergeten en geen journalist van nu herinnert zich het nog wanneer hij schrijft over de laksheid van de tolerante linkse mens van de jaren zeventig.
Het "Vrije Woord" wordt door links aan banden gelegd door wetgeving op laster en verbod op belediging, maar door rechts verdedigd. Ik hoor het de laatste jaren steeds vaker. Het Vrije Woord als groot goed van de vrije mens en belaagd door de betuttelende linkse geitenwollen sokken cultuur.
Het Vrije Woord is een groot goed dat inderdaad zeer sterk verdedigd moet worden, en waarvoor velen in heden en verleden hun leven hebben moeten geven. Mensen zijn zo kort van memorie! Het lijkt nu alsof - nu rechtse mensen bedreigd worden met de dood - dat in de Nederlandse geschiedenis uniek is en bedreigingen/moorden zijn voorbehouden aan linkse fanaten en fundamentalistische moslims. In de jaren zestig deed Mies Bouwman mee aan een satirisch programma van de VARA (die toen nog ongeveer links was). Niet zij, maar Dimitri Frenkel Frank sprak "de Beeldreligie" uit - een satirisch gebed voor de TV verslaafde - en Christelijk Nederland viel over Mies Bouwman. Mies Bouwman had politiebescherming nodig en haar kinderen moesten onder politiebescherming naar school worden gebracht. De Nederlandse fundamentalisten roerden zich. In tegenstelling tot mensen als Pim Fortuyn riep Mies Bouwman niet hoog van de toren dat Nederland een gevaarlijk land was, maar ze trok zich terug uit het programma omdat zij de politiebescherming voor haar kinderen een onaanvaardbaar hoge prijs vond voor het Vrije woord. Politieke moorden zijn er in
Nederland wel vaker geweest. De politieke moord op Pim Fortuyn is als uniek in de boeken terecht gekomen op basis van een definitie van een politieke moord die maakt dat al het andere tussen Willem van Oranje en Pim Fortuyn niet aan de definitie voldoet. Een politieke moord is het doden van een mens zuiver en alleen op grond van het feit dat die ander een andere politieke/ideologische overtuiging heeft dan de moordenaar. Sinds Willem van Oranje zijn duizenden mensen in Nederland gedood op grond van het feit dat ze een andere politieke of religieuze mening waren toe gedaan. Alle mensen die in de voorbije eeuwen zijn gedood bij charges van de politie zijn gedood om hun politieke overtuiging, om het Vrije Woord. Oh, ze zijn niet als zodanig in de boeken verschenen omdat de meeste doden naamloos zijn gebleven. Het waren naamloze arbeiders, katholieken of juist protestanten, antifascisten vòòr de Tweede Wereldoorlog, werkloze arbeiders in verzet tegen verlaging van de WW, naamloos maar gedood in een politiek meningsverschil, om niet anders dan een politiek meningsverschil. Het ontkennen van deze doden als politieke slachtoffers is het ontkennen van de waarde van het Vrije Woord, omdat het daardoor lijkt alsof het Vrije Woord in Nederland altijd zo'n vrij te verkrijgen goed is geweest. En niets is minder waar.
Wie het Vrije Woord verdedigd moet zich realiseren dat het Vrije Woord aan een aantal uitgangspunten dient te voldoen om daadwerkelijk Vrij te zijn.
Het eerste uitgangspunt van het Vrije Woord is dat een ieder gelijkelijk kan beschikken over de media die het Vrije Woord verkondigen. Wie gebruik maakt van zijn recht op het Vrije Woord, moet tegelijkertijd strijden voor datzelfde recht van zijn politieke tegenstanders opdat er een gelijkelijk hoor en wederhoor van argumenten kan zijn. Het tweede uitgangspunt van het Vrije Woord is dat het nooit mag worden misbruikt om mensen of bevolkingsgroepen in hun persoonlijke integriteit aan te tasten door middel van laster, vooroordelen of inbreuk op de privacy. Het is makkelijk, goedkoop en zeer doeltreffend om iemands persoon te schaden door valse insinuaties en gebruik van bestaande vooroordelen, maar het Vrije Woord dient de Vrije mening en niet het recht op roddel en laster.
Het Vrije Woord wordt nu - nu Pim Fortuyn en Theo van Gogh zijn gedood - door de gevestigde orde verdedigd als het hoogste goed dat er bestaat en dat met alle middelen zou moeten worden beschermd. Ik sluit me daarbij aan, met volle overtuiging en met hart en ziel. Het Vrije Woord dient beschermd en verdedigd te worden. In onze huidige maatschappij begint de verdediging van het Vrije Woord met de constatering dat Theo van Gogh door economische en sociale omstandigheden een betere toegang tot de media had dan Mohammed B. Mohammed B. hoorde zich dagelijks/wekelijks uitgescholden door Theo van Gogh en vele anderen en kon zich daar niet tegen verweren. Niet door middel van datzelfde Vrije Woord dat Theo van Gogh kon gebruiken. Omdat onze maatschappij zo is ingericht dat de één beter toegang heeft tot de media dan de ander. De vermeende linkse overheersing van de media is een farce. Er is nooit sprake geweest van een linkse overheersing van de media. Er is altijd sprake geweest van een overheersing door de gevestigde orde. Wie daaraan twijfelt verwijs ik naar de dossiers van de BVD over allerlei mensen in Nederland die bepaalde banen niet konden krijgen omdat dit of dat dossier er was, in die jaren zestig en zeventig toen Nederland zo beheerst leek door linkse mensen. Mensen wier leven kapot gemaakt werd door het niet bestaan van het recht op het Vrije Woord bij hogere functies bij de overheid, de posterijen, de politie... en die dat onrecht over het algemeen zonder veel ophef hebben aanvaard. Wie het Vrije Woord zo hoog in het vaandel heeft, zal moeten erkennen dat er groepen zijn in onze samenleving die veel minder gebruik kunnen maken van dat Vrije Woord en toch steeds worden aangevallen. Het Vrije Woord in de werkelijke betekenis is een recht voor iedereen en een recht dat alleen kan werken als iedereen daar gebruik van kan maken. Mohammed B. was een vlijtige leerling die ooit van mening was dat hij het kon gaan maken in Nederland. Hij studeerde hard en haalde zijn diploma. Maar vooroordelen, gevoed door een eenzijdig overwicht van het Vrije Woord, maakten dat hij nooit een baan kon krijgen - omdat hij een Marokkaanse achternaam had. Theo van Gogh heeft zich wellicht nooit gerealiseerd wat het Vrije Woord voor de Mohammed B.'s van onze maatschappij betekent. Hij wilde graag provoceren en dat deed hij, zonder daar zoveel kwaad mee te bedoelen. Gewoon als grap - om te prikkelen en om de elite van Nederland te amuseren. En in een maatschappij waar geen elite is omdat iedereen gelijke kansen heeft en een gelijke toegang tot het Vrije Woord, zou dat ook helemaal niet erg zijn geweest omdat Mohammed B. dan gewoon zijn schouders over Theo had kunnen ophalen of omdat hij Theo van Gogh met het woord - datzelfde Vrije Woord - had kunnen bestrijden. Maar Mohammed B. had geen enkele kans om zich te verweren omdat onze maatschappij niet eerlijk is en Mohammed B. door het kapitalistische systeem wordt gemangeld en tot overmaat van ramp door een grappenmaker wordt gestigmatiseerd - zonder dat hij zich daartegen kan verweren. Hiermee stel ik niet dat Theo van Gogh zijn eigen dood over zich afgeroepen heeft, of dat Mohammed B. een goede reden had om mes en pistool te grijpen. Ik stel alleen vast dat mensen die nu om het hardst roepen dat het Vrije Woord verdedigd moet worden dit recht als een recht van een elite verdedigen en zich niet bekommeren om het gebrek aan dat recht onder de rest van onze bevolking. Zolang onze maatschappij een kapitalistische maatschappij is zal het Vrije Woord in de absolute zin van het begrip niet bestaan en een ieder die het Vrije Woord verdedigd zal zich dat moeten realiseren. Wie de kapitalistische maatschappij wil handhaven in combinatie met het Vrije Woord, zal moeten leven met de uitingen van frustratie en machteloze woede van hen die geen toegang hebben tot het Vrije Woord. Wie daadwerkelijk het Vrije Woord verdedigt zal dat moeten verdedigen in combinatie met de vrije toegang tot de media die het Vrije Woord gelijkelijk verkondigen van iedereen. (bron: www.offensief.nl)
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 397, 19 november 2004