Internationale alternatieve lerarenopleiding in Denemarken", met deze leus probeert het 'Ndvendige Seminarium' uit het Deense Tvind nieuwe studenten te werven. Een onschuldige organisatie waarvan recentelijk ook op de prikborden van de studentencomplexen aan de Bossche wethouder Schuurmanslaan wervingspamfletten hingen. Onder de onschuldige schapevacht van de Tvind organisatie zit echter een niet zo onschuldige wolf.
Onder het mom van een alternatieve lerarenopleiding wordt een alternatieve slavenhandel van idealistische jongeren gevoerd. Volgens de 'Beweging Tegen Tvind', een organisatie van slachtoffers, ouders en vrienden, wordt er honderd procent toewijding van studenten verlangd. Door mensen te isoleren, keihard te laten werken, weinig slaap te gunnen en slechte voeding voor te schotelen, neemt hun fysieke en geestelijke weerstand af. Van een opleiding is nauwelijks sprake. Leerlingen die bij Tvind blijven onderwerpen zich na een jaar of twee aan allerlei regels. Meisjes moeten hun haar kort knippen, iedereen draagt dezelfde kleding en omdat het instituut al je geld beheert, heb je geen zeggenschap meer. Zelfs je tandenborstel wordt door de school gekocht.
multinational
Het 'Ndvendige Seminarium' is niet een op zichzelf staande organisatie maar onderdeel van wat wel een multinational genoemd wordt, waarbinnen de studentenhandel plaats vindt. Het Tvind concern kan in twee onderdelen verdeeld worden die formeel geen banden met elkaar onderhouden. Het ene onderdeel is de onderwijskant, het andere onderdeel is de economische kant waar de mensen uit de onderwijskant uiteindelijk terecht komen.
Centraal in de onderwijs tak staat de lerarenopleiding (The Necessary Teacher Training College). Daarnaast bestaat het onderwijsdeel uit acht Travelling High Schools gevestigd in Denemarken, Noorwegen en de VS; bezit het zes 'vrije' scholen voor kinderen in Denemarken; negen middelbare scholen; vier 'universitaire' scholen voor tieners; vijf huishoudscholen; één modevakschool; één zeevaartschool en acht opvangscholen voor moeilijk opvoedbare kinderen waarvan er twee in Engeland zijn gevestigd. De lerarenopleiding wordt niet door de Deense overheid erkent waardoor de 'opgeleiden' alleen binnen het Tvind-concern terecht kunnen.
Op de opleidingen werken circa zeshonderd leraren die de kern van DAPP vormen. Zij conformeren zich volledig aan de groepsregels, wat betekent dat je leven en persoon volledig samenvallen met de organisatie.
De gebouwen van Tvind zijn ondergebracht in twee stichtingen: Flleseje en Estate. Deze twee stichtingen bezitten landgoederen, boerderijen, fabrieken en onroerend goed over de gehele wereld. De twee stichtingen 'lenen' het benodigde geld van de gemeenschappelijke rekening van de leraren.
De economische tak van Tvind in Europa bestaat uit twee hulporganisaties: UFF en Humana, die onder de overkoepelende organisatie DAPP vallen. De hulporganisaties UFF en Humana zijn binnen Europa vooral bekend van hun kledinginzamelingen. De kledinginzameling van Humana Nederland is gevestigd te Bunnik en er werken zo'n honderd gemeenten mee. De ontwikkelingswerkers van Humana zijn allen opgeleid door de Tvind scholen.
idealistische basis
Met DAPP (Development Aid from People to People) is de Tvind-organisatie begonnen. Vier idealistische leerlingen en leraren van een zogenaamde Travelling Folk Highschool, een school waarmee jonge mensen de wereld rondreisden, waren tijdens hun reizen in de Derde Wereld veel zaken tegen gekomen die ze onrechtvaardig vonden. Bij terugkomst in Denemarken in 1977 besloten ze aan deze onrechtvaardigheden iets te gaan doen en richtte hiervoor een eigen organisatie op, genaamd DAPP.
Tot 1987 werkte DAPP op idealistische basis. In met name Denemarken werden in het begin ambulances, vrachtwagens, gereedschap e.d. voor Zimbabwaanse vluchtelingen ingezameld. Er werd geld ingezameld door het opzetten van een grote vlooienmarkt in rhus. En doordat er in Mozambiek na de onafhankelijkheid veel te weinig mensen met een opleiding waren, werden in 1978 Zimbabwanen en Namibische vluchtelingen uit Mozambiek naar Denemarken gehaald voor een opleiding aan een THF-school. Deze mensen werden na hun opleiding uitgezonden naar Guinee-Bisseau waar ze scholen gingen bouwen.
Dit soort idealistische activiteiten werden langzaam verder uitgebreid in de Derde Wereld. Deze activiteiten werden aangevuld met de start van commerciële activiteiten. In 1980 werd de eerste kalender uitgegeven en de eerste tweedehandskledingzaak werd geopend.
Snel begon de DAPP te groeien. Vanuit de gedachte dat de mensen in de Derde Wereld zelf economische activiteiten moesten ontplooien werden in diverse landen door DAPP bedrijven overgenomen en opgezet: bijvoorbeeld broodfabrieken, een drop- en bierfabriek en een Cashewnoten plantage.
In 1984 stopte de organisatie met het opleiden van vluchtelingen in de Derde Wereld zelf en startte het Frontline Institute. Mensen uit Afrika kregen vanaf nu hun opleiding in Denemarken. Het idee was dat de leerlingen na hun opleiding terug zouden gaan naar de Frontline Village Centers in hun land om het hoofdprobleem van een bepaald dorp uit te zoeken en op te lossen.
Vanaf 1987 werd de organisatie volledig commercieel. De leraren kregen een salaris welke op een gemeenschappelijke rekening werd gestort. Er werden moderne winkels geopend en iedere activiteit, uitgezonderd de treenurseries, moest met winst gaan draaien. In Mozambiek werd een managementschool opgezet waar Mozambikanen werd geleerd een bedrijfje op te zetten. Het benodigde geld voor deze bedrijfjes konden de Mozambikanen verkrijgen door de verkoop van tweedehandskleding voor de DAPP, en door een lening van deze organisatie.
Vanuit deze commerciële DAPP is de organisatie uitgegroeid tot een multinationaal imperium. Bezittingen zijn verspreid over de hele wereld. De grootste plantages van Ecuador en Guinee-Bissau zijn eigendom van DAPP. Op de gezamenlijke rekening van de leraren staan enige honderden miljoenen. Met dit geld kan DAPP nagenoeg alles kopen wat ze wil en doet dit ook. Naast plantages bezit ze huizen, hotels, fabrieken, boerderijen, winkels, schepen, een tv-omroep en zelfs enige eilanden in het Caraïbische gebied om geheimzinnige proeven mee te doen.
kleding
In Nederland werkt de DAPP doormiddel van het officieel onafhankelijke Humana. Deze organisatie is in 1986 opgezet door dertig mensen uit de lerarengroep van DAPP. Deze dertig mensen werden onderverdeeld in vijftien koppels van twee en moesten verspreid in Europa aan de slag.
Niet overal waren de koppels erg succesvol. In Milaan lukte het niet de nodige vergunningen te verkrijgen, en ook in Lyon lukte het niet. Daarentegen was het direct een succes in Marseille. Binnen drie maanden stonden daar honderd containers waaruit wekelijks een ton kleding gehaald kon worden. Per maand leverde dat een omzet van honderdtwintigduizend Franse frank (ca veertigduizend gulden), waarvan ongeveer de helft overbleef als pure winst.
Van de opgehaalde kleding in Marseille werd ongeveer de helft doorgedraaid, tien procent was voor de verkoop in de plaatselijke winkel en de rest werd verkocht in de Derde Wereld.
In Nederland liep de kledinginzameling snel voorspoedig. In Zaandam werd in de laatste twee kwartalen van 1989 in vijfenzestig containers 111.410 kilo kleding opgehaald. Iets dat in het eerste kwartaal van 1990 al was uitgegroeid tot 134.705 kilo.
In heel Nederland werd door Humana in 1988 612.000 kilo kleding op. Iets dat in 1990 was uitgeroeid tot meer dan een miljoen, en dat nog verder uitgroeide tot ruim vijf miljoen kilo in 1993
constructies
Nog in 1993 heeft het CBF (Centraal Bureau Fondswerving) een onderzoek gedaan naar de internationale vertakkingen van Humana na aanhoudende geruchten over malversatie. In de conclusie van het onderzoek merkt het CBF op dat de financieel ondersteunde projecten in het jaarverslag minitieus zijn toegelicht. Maar een financieel inzicht per project ontbreekt volledig. De ingezamelde tien miljoen zijn niet te traceren.
Een manier om de administratie schoon te houden, is het doorverkopen aan eigen bedrijven. Het blijkt dat Humana Nederland zeer geregeld zaken doet met Textile Transformation E.C. Trading bv in Amsterdam. Dit in import en export van tweedehands kleding en accessoires gespecialiseerd bedrijf wordt geleid door directeur Flemming Gustafsson. Deze directeur is volgens de Organisatie tegen Tvind tevens als leerkracht verbonden aan de Tvind organisatie. Op het zelfde telefoonnummer als Textile Transformation EC Trading is Unicorn Trans World Trading bereikbaar. Een bedrijf met als activiteit de internationale import en export van handelsgoederen, het verlenen van bemiddeling in handel in grondstoffen en andere goederen. De aandeelhouder van dit bedrijf is Lars Malte Hansen. Voormalig directeuren zijn Jonas Israel en Hans Latsen. Alledrie evenals Gustafsson bekend als leraar te Tvind.
Flemming Gustafsson is niet alleen directeur van Unicorn, maar tevens van het bedrijf Procurement White Hall Agency bv. Een bedrijf dat 'kant en klare projecten' levert. Tevens is het een import / export bedrijf en groothandel in roerende goederen voor projecten in ontwikkelingslanden. De aandeelhouder van dit bedrijf is Agency Notre Dam Limited in Londen. Een holding die handelt in meubels. Aandeelhouder van dit bedrijf zijn Gustafsson en Peter Hansen. De huidige directeur is de Nederlander Joep Nagel, eveneens een trouwe leerkracht van Tvind. Bekend is dat Tvind een meubelfabriek in Mozambiek bezit.
De constructie van Humana Nederland met de daaraan gekoppelde bedrijven begint verdacht veel te lijken op de constructie gevonden bij een onderzoek uitgevoerd in 1990 in opdracht van het Zweedse ministerie van buitenlandse zaken. In dit onderzoek werd een 'geheime' kledingfabriek van Tvind in Marokko aangetroffen. Deze kledingfabriek was eigendom van International Emergency Centre, dat op haar beurt onderdeel was van het offshorebedrijf Talata uit het Engelse Guernsey. Dat bedrijf was gevestigd op een adres van een Engels accountantskantoor en had een telefoonnummer op Grand Cayman, het nummer van de Tropical Farming Ltd-plantage eigendom van Flleseje, de stichting uit Tvind.
De directeur van Humana Nederland, de Deen Per Jensen, ontkent overigens dat Humana en Tvind juridisch gezien iets met elkaar te maken hebben. Hij geeft echter toe dat er connecties via personen zijn. Een persoon is bijvoorbeeld de Deen P Jorgenson die voorzitter is van de raad van bestuur van Tvind's lerarenopleiding, voorzitter van de vastgoedstichtingen Flleseje en Estate, de Thomas Brocklebank-rederij van Tvind en bestuurslid bij meerdere Humana-organisaties in Europa, waaronder Humana in Nederland.
Er is echter niet alleen een personele verbinding tussen Humana en de overige Tvind organisaties. Het lijkt er alle schijn van te hebben dat Humana geen ontwikkelingsprojecten financiert maar voornamelijk de eigen commerciële bedrijven in de Derde Wereld. Het Centraal Bureau Fondswerving (CBF) heeft dan ook kritiek geuit op de economische machtspositie van Humana. De vereniging sticht het ene bedrijfje met de winst van een ander. Langzaam wordt de lokale economie steeds afhankelijker van Humana. De belofte dat de bedrijven aan de bevolking worden overgedragen worden niet waargemaakt. De regering van het Caraïbische eiland St Vincent heeft de organisatie om die reden al gesommeerd haar activiteiten te staken.
studenten
De verhalen van teleurgestelde Tvind studenten worden gekenmerkt door een aantal constanten. Het begint allemaal met een ontzettend gezellige introductie. Daarna volgt een periode van een aantal maanden hard werken in een DAPP-bedrijf om het geld van de opleiding te kunnen voldoen. Hierna begint de opleiding die er vooral op gericht lijkt je persoonlijkheid af te breken om daarvoor in de plaats de Tvind-ideologie als collectieve persoonlijkheid aan te nemen. Deze collectieve persoonlijkheid wordt gekenmerkt door een volledige 24 uurs samenvalling met het collectief en het ontbreken van iedere vorm van kritiek op de door de Tvind organisatie uitgestippelde lijn.
Net als voor ieder DAPP-organisatie lijken de opleidingen commercieel te moeten draaien. Dit commercieel draaien verloopt niet alleen door het hoge inschrijfgeld. Nee, tijdens de studie moeten de studenten voor het geheel, de Tvind-organisatie, werken. Dit betekent dat men regelmatig in bijvoorbeeld een Tvind hotel moet werken en iedere maand voor een bepaald bedrag (bijv. 8000 Kr = ca 2600,-) aan ansichtkaarten verkopen. Daarnaast zijn er nog zogenaamde postkaartperioden, waarin studenten naar het buitenland worden gezonden om iedere dag een bepaald bedrag aan kaarten moet verkopen, en deze bedragen zijn niet laag (300,- per dag).
Ook voor Humana in Nederland werken Tvind-studenten. In de winkels in Utrecht en Amsterdam als verkoper, in de soorteerhal in Bunnik en bij het timmeren van de houten Humana-bakken die in veel gemeenten in Nederland, waaronder Den Bosch, naast de glasbakken zijn te vinden.
braakneigingen
Zoals ieder jaar in het vroege voorjaar hingen ook dit jaar weer wervingsfolders van het 'Ndvendige Seminarium' uit Tvind op vele studentencomplexen in Nederland, zo ook aan de Wethouder Schuurmanslaan in Den Bosch. Een oplettende buurtbewoonster heeft de pamfletten verwijderd. Zij kreeg braakneigingen bij de aanblik van zoveel misselijk makende misleidende reclame en hoopt dat de kledingbakken van die verschrikkelijke 'Humana club' een zelfde lot als de pamfletten aan de Schuurmanslaan zou treffen. Oftewel: Welke idealistische pyromaan slaat toe?
Dit artikel is verschenen in Kleintje Muurkrant nr 284, 7 april 1995